Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van Doorn / Oude sprookjes over Israël vallen beter dan kritiek

Home

door J., A. en A. van Doorn

Het klinkt bijna ongelofelijk maar het feit ligt er: nog maar twintig jaar geleden was het verleden van Israël geen terrein voor onbevangen historisch onderzoek. Het verhaal van de jonge staat was vrijwel exclusief het product van politici, militairen en publicisten, druk doende met het ontwerpen van een ware nationale mythologie, met de Israëliërs in de rol van moreel superieure helden – of slachtoffers – en de Arabieren, onder wie de Palestijnen, als de tweede dodelijke bedreiging van het Joodse volk sinds de Holocaust.

Pas rond 1990 begon een kleine groep echte historici, met Benny Morris voorop, de ideologische Augiasstal uit te mesten, een uiterst ondankbaar werk omdat de realiteit die achter de officiële verzinsels zichtbaar werd, vaak nogal pijnlijk bleek te zijn.

Om twee voorbeelden te noemen: de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog van 1948 was geen gevecht van een Joodse David tegen een Arabische Goliat maar van een goed bewapend Israëlisch leger tegen een zwakkere tegenstander. Verder bleken de 700.000 Palestijnen die tijdens de oorlog hun land ontvluchtten, grotendeels door de Israëliërs te zijn verdreven: een grondige etnische zuivering die de ontstaanswijze van de Joodse staat in een bedenkelijk licht stelt.

Het viel dan ook te verwachten dat de New Historians, zoals ze genoemd worden, doorgaans worden doodgezwegen. Men gaat door met het uitventen van de oude sprookjes, terecht ervan overtuigd dat die bij het grote publiek beter vallen dan kritisch zelfonderzoek.

Vorige week konden de lezers van Letter & Geest met zo’n sprookjesverteller kennis maken: prof. dr. J. G. B. (Hans) Jansen. Het lijkt een recensie van het zojuist verschenen boek van oud-president Jimmy Carter, ’Palestine: Peace not Apartheid’, maar het is in feite een klassiek voorbeeld van Israëlische mythologie. Ik geef enkele voorbeelden.

Geheel overeenkomstig een bekend clichéverhaal krijgt Amin al-Hoessein, in de oorlog groot-moefti van Jeruzalem, om zijn sympathie voor Hitler een dominante rol toegeschreven in de Palestijnse strijd tegen de Israëliërs hoewel van die rol niets is bewezen.

Voorts wordt het verhaal opgedist dat de Joodse leiders in het Britse mandaatgebied veel meer Joden uit de klauwen van nazi-Duitsland hadden willen redden maar daarvoor de gelegenheid niet kregen. In zijn ’The seventh million: The Israelis and the Holocaust’ (1993) heeft Tom Segev het tegendeel aangetoond: de zionistische leiders in Palestina hadden voor de Holocaustslachtoffers geen belangstelling, tenzij ze bruikbaar waren voor de opbouw van de Joodse gemeenschap in het mandaatgebied.

De mislukte onderhandelingen tussen de Israëlische premier Barak en Jasser Arafat in 2000 – het zogeheten camp David II – worden door Jansen volledig aan de weigerachtigheid van Arafat toegeschreven, hoewel die eenzijdige interpretatie al sinds 2001 door Hoessein Agha en Robert Malley is weerlegd. Zij ontkrachtten tevens de fantastische bewering dat de Palestijnen 90 tot 95 procent van de Westoever kregen geoffreerd, volgens Jansen zelfs 97 procent, een percentage dat hij nodig heeft voor zijn bizarre algemene conclusie dat Palestijnse leiders ’nooit een eigen staat hebben gewild’.

Wie meer wil weten zonder een halve boekenkast door te ploegen, kan volstaan met het raadplegen van ’De strijd om het geheugen van Israël: De New Historians en het Israëlisch-Palestijnse conflict’ (2003), een koel en evenwichtig overzichtswerk van Lander Corluy.

Inmiddels is bekend geworden dat Jansen een flink deel van zijn artikel heeft overgeschreven van de Harvard-hoogleraar Alan M. Dershowitz. Dat is interessant. Dershowitz geldt sedert zijn boek uit 2003, ’The case for Israel’, als degene die het harde geweld van Israël tegen de Palestijnen bij uitstek heeft gerechtvaardigd.

Wie van het niveau van die publicatie op de hoogte wil komen, moet niet nalaten kennis te nemen van Norman Finkelsteins ’De drogredenen van het antisemitisme: Israël, de VS en het misbruik van de geschiedenis’ (2006). Het boek is grotendeels opgebouwd rond de beweringen van Dershowitz, die stuk voor stuk met een overmacht van officieel vastgestelde feiten worden weerlegd.

Het boek van Jimmy Carter heeft, naar ik heb begrepen, zwakke kanten. Een kritische bespreking is daarom welkom, eventueel een tweetal recensies, indien een onbevooroordeeld expert moeilijk is te vinden. Maar wat Jansen presteert, heeft niets met recenseren te maken. Het is een woedende filippica, gebaseerd op een uiterst onkritische kijk op Israël.

Wat mij verbaast is dat de redactie van Letter Geest met dit stuk op de vanouds bekende manier in de fout is gegaan. Gegeven het aantreden van een nieuwe redactie mocht de lezer verwachten dat deze zich open, alzijdig, geïnteresseerd en onbevooroordeeld zou opstellen, eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Het lukt kennelijk niet, zoals mij ook ook de afgelopen maanden uitde keuze en behandeling van onderwerpen is gebleken. Het blijft sukkelen met Letter & Geest.

Deel dit artikel