Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van de Goor wil wanhoop zaaien

Home

JOHAN WOLDENDORP

ATHENE - Bas van de Goor is cum laude geslaagd als volleyballer. Waar anderen jaren over doen, lukte de 2,07 meter lange Brabander ogenschijnlijk in een vloek en een zucht.

In 1993 speelde hij in het Finse Turku als invaller geheel onbevangen de EK-finale. Twee jaar na dato vertolkt hij in de Peace and Friendshiphal in Piraeus dagelijks een hoofdrol, en is ook in Italië zijn kostje gekocht. Het verhaal van de bliksemcarrière van een vedette die heel normaal een doodgewoon mens wil blijven.

De waarde voor het nationale team op het Europees kampioenschap (dat tot de halve finales Nederland-Bulgarije en Italië-Klein Joegoslavië is gevorderd) laat zich het duidelijkst aflezen uit de statistieken. De side-outkoning van Oranje haalde in de vijf poulewedstrijden liefst 82 keer de opslag terug en verdiende als middenaanvaller ook nog eens 23 setpunten.

Van de Goor knikt in dit verband bewonderend naar spelverdeler Peter Blangé. “Hij heeft veel vertrouwen in mij. Hij durft mij nog wel eens een slechte pass te geven, omdat hij weet dat ik er vaak wel iets moois mee kan doen. Maar normaal gesproken hoef ik na een set up van Peter slechts mijn arm te laten vallen. Ik heb absoluut het gevoel: krijg ik de bal, dan sla ik hem er in ook. Ik voel me thuis op mijn positie in het Nederlands team. Het mooie van ons systeem is dat ik zelf mag weten wat ik doe. Iets fijners bestaat er niet. Mijn zelfvertrouwen is zo groot, dat ik er een spelletje van maak de middenman aan de andere kant helemaal tot wanhoop te drijven. Iedere wedstrijd wil ik de eerste bal harder inslaan dan de vorige.”

Tijdens het WK volleybal van vorig jaar stelde Ron Zwerver in Trouw vast dat “we alleen met Bas erbij wereldkampioen kunnen worden. De manier waarop hij de ballen over het net rost is van zo'n hoog niveau dat we hem niet kunnen missen.” Dat was destijds nog een staaltje wishful thinking van de Amsterdammer. In de grond van de zaak had hij gelijk - Van de Goor heeft zich inmiddels ontpopt tot de multifunctionele middenaanvaller, zoals bondscoach Alberda ze graag in zijn team heeft - maar 'Bassie' worstelde toen nog hevig met zichzelf. Tijdens het EK van 1993 kon hij als invaller onmogelijk falen, op het wereldkampioenschap was hij te gretig, te gestresst en vergiftigd met de dwangneurose dat hij hoe dan ook moest scoren. Daadwerkelijk en in overdrachtelijke zin. Hij nam veel te veel hooi op zijn vork, hij verdeelde zijn energie niet over de hele wedstrijd en dacht alleen maar na over punten en flaters. “Ik moet leren zonder verwachtingen de wedstrijd in te gaan”, prentte hij zich een jaar geleden in. “Ik moet punt voor punt spelen en pas kijken hoeveel ik gescoord heb wanneer de rook helemaal is opgetrokken. Dat moet ik niet tijdens de wedstrijd al doen.”

Glimlachend blikt 'Kuifje' (naar de gele vlek in zijn rode haar) terug op die leerperiode. “Vorig jaar stond ik inderdaad gigantisch te stressen. Het was toen in mijn optiek buigen of barsten. Ik wilde dolgraag en maakte daardoor veel essentiële fouten. De drang om je waar te maken is zo groot dat het voor een coach heel moeilijk is een jonge sporter zijn manier van sportbeleving uit het hoofd te praten. Nu, een jaar later, zijn er veel meer routines in mijn spel geslepen. Vorig jaar ervoer ik elke goed geslagen bal als een bevrijding, nu luidt het credo heel simpel: krijg ik de bal, dan ga ik scoren.”

Spoedcursus

Bas van de Goor, van zaterdag 4 september 1971, voelt zich een zondagskind. Vorig najaar ging hij het derde trimester van zijn spoedcursus in. Maar de derde dimensie van zijn carrière (na de overgang van VVC naar Dynamo Apeldoorn en zijn interlanddebuut in 1990) verliep na een slechte start een stuk voorspoediger en sneller dan hij had gedacht. Hij was als zevende man naar Las Daytona Modena gehaald, doch kreeg als nummer zes in no time een basisplaats en had zodoende een levensgroot aandeel in het veroveren van de Italiaanse clubtitel. “Mijn start was dramatisch. Ik kwam met een gebroken handbeentje naar Italië, maar verzweeg die blessure voor de buitenwacht. Het gevolg was dat ik de eerste wedstrijd tegen Treviso (de club van Zwerver - red) ongelooflijk slecht speelde. Van de 25 ballen scoorde ik er maar vijf. De kranten hadden meteen bijtende kritiek op mij.”

Op advies van Zwerver en de andere Italo-Nederlanders liet Van de Goor zich niet gek maken. Kalm liet hij de verbale vloedgolf over zich heen komen en trachtte zich zo snel mogelijk de Italiaanse cultuur eigen te maken. “De eerste weken zweefde ik een beetje. Maar ik zat alleen in een appartement en kon daardoor meteen de taal leren. Ik heb me snel aangepast aan het leventje daar. Goed, je moet wennen, en als het niet goed gaat, kun je je heel eenzaam voelen. Maar we wonnen vrij veel wedstrijden en in december/januari kon ik in alles heel aardig mee komen.”

Van de Goor verwierf zich in die tijd bovendien de onvoorwaardelijke steun van de supporters in Modena. “Bij een wedstrijd tegen Parma zag ik een spandoek hangen met de tekst: 'Giani, je bent kleiner dan Van de Goor'. Ik wist in het geheel niet waar dat op sloeg. Bij navraag bleek dat Giani naar Modena zou komen, doch uiteindelijk voor Parma had gekozen. Ik schoof daardoor een plaatsje op. Ik was als zevende man aangetrokken, maar dat hoorde ik pas in de loop van het seizoen. Giani was plotseling de boeman geworden, ik de grote held. Dat beschouwde ik als een groot compliment. Het sterkte mijn zelfvertrouwen.”

De vriendelijke, bescheiden jongen uit Oss heeft zich definitief gesettled als volleyballer. Hoe anders was het misschien gelopen, wanneer hij 'gewoon' zijn school had afgemaakt, de Kabo in Zwolle, een pedagogische academie met gymnastiek als specialisme. “Ik weet het niet,” vertelt hij. “Wat ik wel weet is dat het een verkeerde keuze was. Sport was er ten stengste verboden. Je deed een uurtje gymnastiek, een uurtje basketbal, maar zonder warming up en cooling down. Als er ergens een anti-topsportbeleid werd gevoerd, was het daar wel. Ik ben er vanaf gegaan, toen ik bij een ringoefening na een val van tien meter plat op mijn rug terecht kwam en er een ingeklapte long aan overhield.” Van de Goor heeft nog anderhalf jaar te gaan op die school, maar zal de studie niet afmaken. Hij houdt zich thans onledig met een cursus public relations.

Zonder zaktelefoon, want van dat summum van macho-cultuur onder Italianen houdt hij zich verre. “Ik heb met een clubgenoot zelfs een weddenschap om een etentje lopen dat ik er ook volgend seizoen niet eentje zal aanschaffen. Van ons team hebben er negen zo'n ding. Maar het kan volgens mij nog erger. In Zuid-Korea zag ik iedereen met zo'n apparaat op zak lopen. Daar hebben volgens mij zelfs zwervers er één. Ik heb niets met die yuppencultuur. Ik hecht niet aan statussymbolen. Ik zie het alleen maar als last. Ik ben heel erg op mijn privacy gesteld. Ik wil blijven zoals ik altijd was. Ik ga normaal met de dingen om. Als je als mens goed bent, komt het met het volleybal ook goed.”

Daytona, dat met een budget van vier miljoen gulden werkt, schermt zijn vedettes (Cantagalli, Bracci, Van de Goor en in het nieuwe seizoen ook Henk-Jan Held) goed af. “In Modena verschijnen twee plaatselijke kranten die elke dag een halve pagina nieuws over ons brengen”, vertelt Van de Goor. “Ze zijn hard in hun oordeel. Wanneer je niet aan hun verwachtingen voldoet, is het van 'tjakka'. Maar doordringen in je privéleven doen de journalisten niet. Ze moeten het contact via de club leggen. Wanneer ik thuis ben, heb ik van bijna niemand last.”

Deel dit artikel