Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Utopie zonder mededogen

Home

Hans Achterhuis

Hans Achterhuis ontmaskert de vrije markt: een verwoestende utopie, met een Kapitalistisch Manifest en gelovigen die blind zijn voor harde feiten. „Zie de diepe overtuiging waarmee Alan Greenspan alles wat op een kredietcrisis wees, negeerde.”

Meer dan tien jaar lang is de vraag mij gesteld bij het houden van lezingen over utopieën, en ik heb er nooit echt op geantwoord. Dat doe ik nu wel. De vraag luidde: bestaat er, naast de technische en socialistische utopie, niet ook een kapitalistische utopie?

Ik antwoordde altijd kort, met een verwijzing naar een auteur die ik in mijn studie ’De erfenis van de utopie’ even de revue liet passeren: Ayn Rand (1905-1982). Ze was een Russisch-Amerikaanse denkster die een heel eigen filosofie ontwierp, het Objectivisme. Maar vooral was ze een succesvolle romanschrijfster die in 1957 de dikste utopie schreef die ik ken: ’Atlas Shrugged’, vertaald als ’Atlas in staking’. Dit boek is de kapitalistische utopie ten voeten uit. Deze in Europa weinig bekende roman is volgens een onderzoek onder Amerikaanse lezers na de Bijbel het belangrijkste boek van de afgelopen eeuw.

Los van deze directe erkenning is de indirecte en wereldwijde invloed van Ayn Rand zeer groot. Haar belangrijkste leerling was namelijk Alan Greenspan (1926), tot 2006 de president van de Fed, de Amerikaanse Federal Reserve Bank waarvan de monetaire politiek in onze geglobaliseerde wereld letterlijk ieder mens raakt, zoals de kredietcrisis laat zien.

Die crisis vormt voor mij de beslissende aanleiding om de kapitalistische utopie in haar neoliberale vorm aan de orde te stellen. Toen ik de foto zag van Greenspan die in oktober 2008 voor een commissie van het Amerikaanse Congres getuigde en zijn korte verklaringen las, werd mij de inspiratie van zijn financiële politiek volstrekt duidelijk. „De meesten van ons, en ik in het bijzonder, zijn geschokt en kunnen het nog steeds niet geloven”, zo zei Greenspan. Er moest „een fout zitten in de overtuiging dat de vrije markt zichzelf beter kan reguleren dan enig overheidstoezicht dat zou doen.” Zijn ontsteltenis klonk oprecht. Het was voor Greenspan uiterst pijnlijk om een theorie die hij veertig jaar had aangehangen, vaarwel te moeten zeggen.

Deze ruiterlijke erkenning maakt het mij mogelijk om Greenspans achtergrondtheorie, de aan Ayn Rand ontleende utopie waarin hij vast geloofde, aan de orde te stellen. De financiële politiek die eruit voortvloeide, kan ik niet tot in de finesses beoordelen.

Om eerlijk te zijn: de wiskundige modellen over geldvoorraden, rentepercentages en staatsschulden waren voor mij vaak evenzovele hindernissen om de neoliberale utopie te beoordelen. Zij blijven dat ongetwijfeld voor financiële leken, maar we mogen ons daar niet zo door laten intimideren dat we onze taak om kritisch de actualiteit te beoordelen, laten rusten.

Toen Alan Greenspan de opkomst van de ideeën van het vrije-marktkapitalisme in de jaren zestig van de vorige eeuw beschreef, verwees hij in één adem naar de twee belangrijkste protagonisten van dit idee: Ayn Rand en Milton Friedman, de econoom uit Chicago. Friedman (1912-2006) was als econoom direct en indirect verantwoordelijk voor veel pogingen om over de hele wereld om utopie van het vrije-marktkapitalisme te realiseren. Je zou zeggen dat Friedman ’Atlas in staking’ gelezen moet hebben.

In het boek namelijk proberen kapitalistische utopisten op allerlei manieren de bestaande samenleving kapot te maken. Alleen wanneer de ondergang en de vernietiging van de oude wereld volledig zijn, is het voor hen mogelijk om de nieuwe utopische economie van het vrijemarktkapitalisme op te bouwen. Wij herkennen hier een van de utopische familiegelijkenissen: de breuk met het verleden moet totaal zijn om de utopie gestalte te kunnen geven.

Het is precies dit principe van destructie, crisis en totale breuk dat Friedman en zijn leerlingen, de Chicago Boys, ook ontdekten. In de Verenigde Staten zelf, een democratische samenleving met sterke vakbonden, vond Friedman aanvankelijk weinig gehoor voor zijn radicale ideeën. Deze werden daarom uitgeprobeerd in andere landen waar zich de schok van een ernstige crisis voordeed. Dat gaf de mogelijkheid om een zo groot mogelijke breuk met het verleden te forceren en met een schone lei te beginnen.

In ’The Shock Doctrine’, het laatste boek van Naomi Klein, beschrijft zij deze pogingen van Friedman en de Chicago Boys. Kleins eerste voorbeeld is de militaire coup in het Chili van Pinochet tegen de democratisch gekozen president Allende in 1973. De generaalsregimes van Argentinië en Brazilië uit de vorige eeuw horen er eveneens bij, net als het woeste kapitalisme dat in Rusland onder Jeltsin na 1989 werd ingevoerd. Steeds waren het Friedman en zijn leerlingen die de economische recepten leverden.

Na de ondergang van de communistische utopie in 1989 leek het wel alsof wij, zoals Fukuyama dat hegeliaans heeft uitgedrukt, het einde van de geschiedenis hadden bereikt. Het kapitalisme had definitief overwonnen. Via regelrecht door Friedman geïnspireerde leiders als Thatcher en Reagan kreeg de vrije markt ons allen meer en meer in de ban. Privatisering van staatsdiensten en staatsbedrijven, deregulering van de economie en uitschakeling van de vakbonden: dat waren de recepten die ook in West-Europese economieën werden voorgeschreven.

In ’Atlas in staking’ zet John Galt, de utopische leider, in een ellenlange ideologische rede zijn opvattingen uiteen over de kapitalistische utopie van de markt tegenover de socialistische anti-utopie met haar ’zwarte mis van de eredienst van de staat’, waar zijn medeburgers zich aan overgaven.

Deze ’zwarte mis’ past de Britse politiek filosoof John Gray in zijn gelijknamige boek ’Black Mass’ uit 2007 toe op alle hedendaagse utopieën. Het gaat hier om een godslasterlijk ritueel waarbij de katholieke heilige mis achterwaarts wordt opgedragen. De zwarte mis van alle utopieën die Gray beschrijft, laat zien hoe ze allemaal eindigen in dystopieën.

Gray komt de eer toe helder te hebben aangetoond dat het grote project van Milton Friedman en de Chicago Boys meer met utopisch denken dan met wetenschap te maken had. De neoliberale marktprofeten streefden ernaar om de vermeende verloren zuiverheid van het marktdenken, die was bezoedeld door een collectivistische ideologie, te herstellen. Maar zoals alle hedendaagse fundamentalisten kwamen ze uit bij een moderne parodie op de klassieke economie, die volgens Gray even weinig met Adam Smith te maken had als de fundamentalistische christelijke kerken met het traditionele christendom. De klassieke economen beschikten volgens Gray „over een goed begrip van de gebreken van volgens het marktprincipe geordende samenlevingen. Omdat het de neoliberalen aan dit inzicht ontbrak, is de klassieke economie in hun handen omgevormd tot een utopistische ideologie”.

De 17de-eeuwse classicist Nicolas Poussin representeert in zijn schilderij ’De aanbidding van het gouden kalf’ in feite de kredietcrisis. Het volk Israël is door God uit de slavernij van Egypte bevrijd en trekt door de woestijn op weg naar ’het beloofde land’. Mozes gaat de berg Sinaï op om de goddelijke geboden te ontvangen. Wanneer hij lang wegblijft, begint het volk te morren. In plaats van een onzichtbare, verheven God, willen de mensen een god om te aanschouwen en te aanbidden. Dat wordt het gouden kalf. Aüron – hogepriester en broer van Mozes – protesteert zwakjes maar zamelt daarna gouden sieraden in, smelt ze om en maakt er een afgodsbeeld van. In een losbandig feest aanbidt het volk vervolgens het gouden kalf.

In de Volkskrant las ik wie Aüron – op het schilderij wat afzijdig in een wit gewaad – in de kredietcrisis vertegenwoordigt: Alan Greenspan. Hij dirigeerde de Amerikaanse en indirect ook de mondiale financiële ontwikkelingen jarenlang en liet ze, ondanks een aantal halve waarschuwingen en pogingen om aan de noodrem te trekken, volledig uit de hand lopen. Was deze hedendaagse Aüron daarom verantwoordelijk voor de crisis? Greenspan zelf vond van niet: hij gaf de schuld aan ’de menselijke natuur’. Mensen zijn nu eenmaal geneigd om in tijden van voorspoed steeds meer te willen hebben. De menselijke hoogmoed en begeerte waren schuld, niet hij. Hij had nog zo geprobeerd om de schade te beperken.

Met dit soort uitspraken plaatste Greenspan zich in een wel heel gunstig daglicht. Zijn historische rol in de aanloop naar de kredietcrisis is namelijk erg belangrijk geweest. Hij heeft beslist niet alleen maar geluisterd naar het volk; veel meer dan de bijbelse figuur van Aüron heeft hij het regelrecht geleid en geïnspireerd.

Toen Mozes van de berg terugkwam, droeg hij de stenen tafelen met daarop de goddelijke geboden. Centraal op de tweede tafel die de intermenselijke geboden regelde, stond geschreven: ’Gij zult niet begeren’. Volgens vele interpretatoren hebben we hier te maken met het oergebod dat een menselijke samenleving mogelijk maakt.

Dit oergebod, dat in het verleden voor alle samenlevingen gegolden had, werd opzij geschoven en op zijn kop gezet in het monumentale boek van Ayn Rand, dat Greenspan mede vorm heeft gegeven. Rand was volgens Greenspan de schrijfster en filosofe die hem verder leerde kijken dan de economie. In ’Atlas in staking’ beschreef zij een totaal nieuwe utopie die de hedendaagse mensheid zou moeten inspireren: de utopie van de begeerte.

In de jaren dat Ayn Rand ’Atlas in staking’ schreef, was Greenspan een van haar vertrouwelingen die wekelijks commentaar op haar tekst leverden. Met name in de totstandkoming van de zeventig pagina’s tellende filosofische toespraak van de held John Galt, waar Rand meer dan twee jaar aan werkte, had hij een belangrijk aandeel. En toen het boek door critici slecht ontvangen werd, nam hij het in een vlammende protestbrief aan The New York Times op voor zijn leermeesteres en idool.

Eigenbelang, selfishness, is het centrale concept van het Objectivisme van Ayn Rand. Ze geloofde in een objectief kenbare werkelijkheid die met de menselijke rede te vatten is, waarbij het volgen van eigen belangen geen subjectieve keuze is, maar objectief gezien de meest redelijke optie. Haar pretentie was om met het Objectivisme een volledig en volwaardig nieuw filosofisch systeem te bieden met een metafysica, epistemologie, ethiek, esthetiek en politieke filosofie. Haar speciale aandacht ging daarbij uit naar een filosofie van de psychologie en de economie.

Ayn Rand stelt met een grote historische greep dat alle ethische systemen uit de traditie selfishness een kwaad vinden en altruïsme een deugd. Volgens haar is het precies andersom.

Daarom breekt Rand radicaal met de traditie. De mens moet in het Objectivisme weer leren dat hij altijd moet handelen ’met het oog op zijn rationele eigenbelang’. Uitdrukkelijk stelt Rand dat het hier niet gaat om het uitleven van irrationele verlangens die zij verbindt met het denken van Nietzsche. Vooral via scheppende productie kiest de mens voor zijn rationele eigenbelang. Wat hij op deze wijze creëert, is zijn onschendbare eigendom. Delen met anderen wijst Rand af als een irrationele handeling. Dat de schepper van eigendom – in de romans van Rand vrijwel altijd een superkapitalist – toch de maatschappij ondersteunt, komt doordat hij werkgelegenheid verschaft en producten voor de consumptie levert. Maar het mag nooit zijn openlijke doel zijn om op deze wijze aan de maatschappij bij te dragen. Want dan gaat de vrije samenleving ten onder.

Rands grote invloed en reputatie zijn niet primair gebaseerd op haar filosofische uiteenzettingen, maar vooral op haar romans. En ik moet toegeven: ik heb ’Atlas in staking’ van kaft tot kaft herlezen en het was bij vlagen weer, net als bij de eerste lezing, een meeslepend boek. Ayn Rands centrale utopische boodschap wordt er met verve in uitgedragen. De kern ervan geef ik weer.

In de geschiedenis werd de last van het overleven van de mensheid altijd gedragen door ’Atlassen’: vrije, geniale producenten. Zij zorgden voor voedsel voor iedereen, zij leerden hun medemensen de natuur rationeel te bestuderen en technieken te ontwikkelen om haar te onderwerpen. Zij maakten kortom het leven steeds beter. Maar door de invloed van mystici, priesters en filosofen waren deze eenlingen er ook van overtuigd geraakt dat zij zichzelf weg moesten cijferen voor medemensen met hun behoeften.

In het onbestemde tijdperk dat Ayn Rand in haar roman beschrijft en dat niet zover in de toekomst lijkt te liggen, is eindelijk het idee van collectief altruïsme grotendeels aanvaard. Buiten Amerika, in het oude Europa, gelooft niemand meer in de productie voor de vrije markt. Er zijn overal volksrepublieken ontstaan waarin de productiemiddelen zijn genationaliseerd. Dat leidt tot rampen en ellende. Als de enige overgebleven kapitalistische staat moet Amerika de Europeanen ondersteunen en voeden.

Maar ook dit laatste bastion van de vrije markt gaat om twee redenen ten onder. In de eerste plaats gaat de regering in Washington vanuit haar socialistische aspiraties steeds zwaarder drukken op de economie. Die wordt gereguleerd, waarbij de vakbonden een grote vinger in de pap krijgen, de belastingen gaan omhoog en kartelvorming (waar Rand een fervent voorstander van was) wordt verboden. Er volgen ingrepen in de vrije economie, de productie daalt zienderogen.

De ondergang van de vrije markt gebeurt in de tweede plaats doordat steeds meer topindustriëlen op mysterieuze wijze verdwijnen. Bij hun verdwijning worden vaak hun eigendommen, de productiemiddelen, vernietigd. Oliebronnen worden in brand gestoken, fabrieken gesaboteerd. En alsof dat al niet erg genoeg is: elke keer dat een grootkapitalist verdwijnt zonder al te veel directe schade achter te laten, blijkt niemand in staat zijn bedrijf voort te zetten.

Het gevolg is dat de economie instort en de samenleving terugvalt naar barbaarse tijden van honger en armoede. Er is geen verwarming meer, de treinen begeven het, voedseltransporten uit het westen bereiken New York niet meer. Ayn Rand beschrijft de ondergang van Amerika als een klassieke dystopie. Utopische uitspraken van Marx kleuren de beschrijving die laat zien hoe de klassieke communistische utopie in de harde economische werkelijkheid zich als een dystopie ontpopt.

Tezelfdertijd wordt in het geheim in een vallei in de woeste bergen van Colorado een nieuwe maatschappij voorbereid die de utopie van de hebzucht (greed) zal zijn. Hier zijn de superindustriëlen, de topbankiers en de rechter die het eigendomsrecht op absolute wijze wilde handhaven, naartoe verhuisd. Deze vallei is, zoals ze zelf zeggen, hun Atlantis. In de wereld daarbuiten ’zijn deze Atlassen in staking gegaan’ en zo bereiken ze wat stakende arbeiders nooit is gelukt: heel het maatschappelijk raderwerk staat echt stil als de kapitalistenhand het wil.

In hun eigen Atlantis leven ondertussen de bewoners hun vrije-marktkapitalisme volledig uit. Iedereen produceert, concurreert en handelt met elkaar. Niets wordt uit betrokkenheid of vriendschap geschonken, alles moet door eigen arbeid worden verdiend. De superkapitalisten in Atlantis laten zelfs niet na elkaar te vertellen hoe graag ze de ander het vel over de oren halen. Dit is alleen maar goed voor de productie en welvaart.

Wanneer de maatschappelijke ineenstorting van de buitenwereld ten slotte onontkoombaar is en de New Yorkers in een wanhopige uittocht hun stad en staat proberen te verlaten, is het moment aangebroken dat de bewoners van Atlantis de wereld kunnen gaan redden.

John Galt, hun leider, die er hard aan meegewerkt heeft om de oude wereld te vernietigen, spreekt het aan het slot van de roman uit: „De weg is nu vrijgemaakt. We gaan terug naar de wereld.” Hij heft zijn hand omhoog en boven de lege, verwoeste aarde maakt hij in de lucht het teken van de dollar.

Lees verder na de advertentie
(Jörgen Caris, Trouw)

Deel dit artikel