Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

ünbetwis ’t sjoeënsten

Home

Pieter Offermans

Hoe moeizaam het ’vraemd aanhangsel’ Limburg deel werd van Nederland laat historicus Pieter Offermans zien aan de hand van de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen. Is het daarom vreemd of juist logisch dat één op de vier Limburgers stemde op een partij zonder fiducie in succesvolle integratie van minderheden?

Vanaf de Tachtigjarige Oorlog tot aan de migratiegolven van halverwege de twintigste eeuw was Nederland een etnisch en cultureel homogeen land, een land waar een hechte Nederlandse natie woonde. Althans, dat is het traditionele beeld. Er hadden zich wat Sefardische Joden gevestigd en de Fries had zijn eigen taal, maar verder was iedere ingezetene toch een loot aan dezelfde Nederlandse stam.

De wetenschap deed dit beeld al langer in de ban: naties zijn ’constructies’ van tamelijk recente datum. Overal ter wereld hebben overheid en elite de ingezetenen van hun land tot ’trouwe volksgenoten’ moeten opvoeden. In onze streken begon dat inburgeringsproces goed en wel met de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813. In de daaropvolgende honderd jaar veranderde Nederland van een verzameling van ’losse’ dorpen, steden en regio’s in een land waar de inwoners een besef van een groter nationaal verband ontwikkelden.

Dat integreren verliep niet overal even makkelijk. De protestantse burgers in Holland – het politieke centrum van het land – voelden zich nog het meest met Nederland verbonden. Want hoewel er begin negentiende eeuw – net als nu – geen nauw omschreven definitie van dé Nederlander bestond, waren tijdgenoten het erover eens dat hij in ieder geval protestants was en zich de Hollandse cultuur had eigen gemaakt.

Met name de inwoners van het verre Limburg konden zich moeilijk in dat beeld herkennen. Zij deelden maar in beperkte mate een zelfde geschiedenis met de rest van Nederland; de taal en religie meestal helemaal niet. En ook andersom koesterden de ’echte Nederlanders’ weinig genegenheid voor Limburg. Zij vonden dat de provincie en haar vreemde, katholieke bevolking geen deel uitmaakte van de Nederlandse natiestaat. Limburg was niet alleen ’een vraemd aanhangsel’, maar ook een blok aan het been.

Het is een zeer zonderlinge geschiedenis, hoe het gebied dat wij nu als de provincie Limburg kennen, ooit tot Nederland is gaan horen. De regio is eeuwenlang versnipperd geweest in een groot aantal gebieden die onder de heerschappij van verschillende heren stonden. De voorloper van het Nederlandse koninkrijk, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, bezat aanzienlijke delen van het gebied. Daartoe behoorden ook Maastricht en de thuisstad van Geert Wilders: Venlo. Van verbondenheid met een natie, of zelfs met de bewoners van de omliggende streek, was geen sprake: de bevolking van het Maasdal keek gewoonlijk niet verder dan de grenzen van de eigen woonplaats.

Eind achttiende eeuw bezetten de Fransen de streek en met hun vertrek in 1813 besloten de grote mogendheden om het Maasdal op te nemen in het net opgerichte Koninkrijk der Nederlanden. Het koninkrijk besloeg de hele noordwest-hoek aan de Noordzee, inclusief het latere België. Het Maasdal kreeg de naam Limburg, in herinnering aan het middeleeuwse hertogdom.

De bewoners stonden niet onwelwillend tegenover het nieuwe staatsverband. Na jaren van onrust verwachtten zij vrede en welvaart onder de regering van koning Willem I. Maar van groot enthousiasme was evenmin sprake. Daarvoor was de band met de andere gewesten nog niet sterk genoeg.

Het opbouwen van die band bleek een titanenwerk. Willem I propageerde weliswaar een gemeenschappelijke identiteit in de hoop de gewesten tot een hechte natiestaat aaneen te smeden, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht. Met zijn streven naar centralisatie joeg de koning bovendien de zuidelijke elites tegen zich in het harnas. In het najaar van 1830 sloten de Limburgse dorpen en steden zich dan ook één voor één bij de Belgische opstandelingen aan. Alleen Maastricht bleef, dankzij een gezagstrouwe troepenmacht, in Nederlandse handen.

Tot 1839 bleef Limburg onder Belgisch gezag; daarna verdeelde de internationale diplomatie de provincie tussen België en Nederland. Voor de inwoners van het Nederlandse deel was dit een bittere pil. Met het Nederlandse bestuur keerden namelijk niet alleen de oude grieven terug, ook werden de Limburgers verplicht mee te betalen aan de grote staatsschuld die Willem I tussen 1830 en 1839 had opgebouwd. Daarom was er korte tijd een separatistische beweging actief, die alles in het werk stelde om de provincie uit het Nederlandse staatsverband los te scheuren.

Andersom zagen de ’Hollanders’ de provincie als een zware last. Met het verdrag van 1839 was Limburg ten oosten van de Maas namelijk niet alleen een Nederlandse provincie, maar ook een hertogdom binnen de Duitse Bond. De confederatie van Duitse staten kreeg daarmee compensatie voor het gebied dat zij aan de Belgische opstandelingen was verloren.

In het dagelijks leven van de Limburger viel er weinig van te merken, maar in de rest van Nederland werden grote problemen voorzien. Deze merkwaardige constructie zou het hele koninkrijk in een oorlog kunnen meesleuren! Menigeen pleitte dan ook voor de afstoting van de toch al weinig geliefde provincie. De minister van Justitie, D. Donker Curtius, noemde Limburg ’een ellendig strookje land’, terwijl zijn collega van Financiën met het idee speelde om de provincie in te wisselen tegen gunstige overeenkomsten op het gebied van handel en Rijnvaart.

In de eerste helft van de negentiende eeuw waren Limburgers dus allerminst Nederlanders, maar daar zou langzaam maar zeker verandering in komen.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw werd de angst voor een oorlog reëel. De Pruisische kanselier Bismarck leek op een confrontatie met Oostenrijk af te stevenen en Den Haag achtte het niet onmogelijk dat Nederland in het conflict betrokken zou raken. Ook de Limburgers maakten zich zorgen. Moesten hun zonen zich straks – conform het verdrag van 1839 – voor Duitse militaire dienst melden? En wat was Bismarck met het Maasdal van plan? In vergelijking met het oorlogszuchtige Pruisen leek Nederland het paradijs op aarde.

Het liep met een sisser af. Nederland en Limburg bleven buiten de Bruderkrieg en Pruisen liet zijn claim op het Maasdal varen. Tot ieders opluchting was Limburg vanaf 1867 enkel nog een Nederlandse provincie. In de jaren daarop bleef de afkeer van Pruisen de pro-Nederlandse gevoelens onder Limburgers voeden.

Een voorname verklaring voor de moeizame integratie van de Limburgse bevolking in de negentiende-eeuwse natiestaat schuilt in de religieuze tegenstellingen in het toenmalige Nederland. Boven de rivieren woonden hoofdzakelijk calvinisten, hoewel in het westen en het midden van het land altijd nog zo’n 25 tot 40 procent van de bevolking het roomse geloof beleed. In Limburg vormden de katholieken met 98 procent van het provinciale inwoneraantal de overgrote meerderheid.

Sinds het ontstaan van de Republiek had een ongelijke relatie tussen protestanten en katholieken bestaan en die was in de negentiende eeuw nog niet verdwenen. De Hollandse Leitkultur was onmiskenbaar calvinistisch en hoewel er officieel geen staatskerk bestond, was het landelijk bestuur hervormd gekleurd. De in Nederland wonende protestanten hadden geen vastomlijnd idee wat de Nederlandse natie precies behelsde, maar over één ding waren zij het roerend eens: katholieken konden geen échte Nederlanders zijn. Zo bleef Limburg voor hen een ’vraemd aanhangsel’, bewoond door ’papen’ die dan wel geen dubbel paspoort hadden, maar wier loyaliteit bedenkelijk was. Onder katholieken had het Vaticaan meer macht dan de Nederlandse staat, heette het. Het aanzien van de paus steeg halverwege de negentiende eeuw inderdaad tot ongekende hoogten, maar dat betekende niet dat het de Nederlandse katholieken aan vaderlandsliefde ontbrak.

De katholieken op hun beurt traden met hernieuwd zelfvertrouwen op de voorgrond nadat Nederland in 1853 de bisdommen in ere had hersteld, wat het protestantse wantrouwen voedde. Want was de Tachtigjarige Oorlog, waarin ’het Nederlandse volk’ zo dapper voor gewetensvrijheid en zijn bestaan als onafhankelijke natie had gestreden, niet vergeefs geweest als de katholieken de overhand zouden krijgen?

Maar de Nederlandse katholieken richtten hun blik niet louter ’over de Alpen’ naar Rome. Ook vaderlandsliefde werd een pijler van de hun geloofsbeleving. Katholieke schrijvers dweepten met Nederlandse heiligen als Liduïna, Geert Grote, Thomas a Kempis en Willibrord en ook de verering rondom het mirakel van Amsterdam toonde dat er een vroomheid bestond die zowel Nederlands als echt katholiek was. „Al zijn wij katholiek”, concludeerde de oprichtingsakte van de rooms-katholieke krant De Maasbode in 1868, „wij zijn Nederlanders”.

Amsterdam lag in die tijd tien uur treinen van Maastricht af (via station Aken), Den Haag zelfs twaalf uur. Kranten boden de mogelijkheid om het verre vaderland te leren kennen zonder de eigen woonplaats te verlaten. Maar de meeste Limburgers konden tot diep in de negentiende eeuw niet lezen en abonnementen waren voor het gewone volk onbetaalbaar; de leesdichtheid was in het Maasdal het laagste van heel Nederland.

Groter was de invloed van de almachtige clerus die de parochianen voorhield dat je met trots een katholiek én een Nederlander moest zijn. Daarnaast propageerde het bisdom Roermond een provinciale saamhorigheid, die daarvoor niet had bestaan. Voor de negentiende-eeuwse inwoner van het Maasdal sloten de identiteiten ’katholiek’, ’Nederlander’ en ’Limburger’ elkaar allerminst uit.

Tot nationale acceptatie van katholieken leidde dat niet. In de verzuilde samenleving van die tijd beschouwden de protestantse en liberale zuilen zichzelf namelijk als dé kern van de natie, waarin de katholieken eigenlijk geen plaats hadden; volwaardige volksgenoten waren zij zeker niet.

Tot diep in de negentiende eeuw was de Limburger nagenoeg onbekend met het Nederlands bestuur. Behalve de veldwachter, de belastinginspecteur en de Nederlandse driekleur die op het dak van het gemeentehuis wapperde, was er in het Maasdal maar weinig wat de Limburger aan de nationale staat kon doen denken.

Dat veranderde toen de overheid tegen het einde van de negentiende eeuw steeds meer taken op zich begon te nemen. Van staatswege kwamen allerlei wetten en voorschriften die het dagelijks leven structureerden. Zo werd in 1901 de leerplicht ingevoerd, waardoor alle Limburgse kinderen de lagere school bezochten. Vaak kwamen zij hier voor het eerst in aanraking met de Nederlandse taal. Thuis sprak men immers het plaatselijk dialect, soms zelfs Duits of Frans. Op school leerden de kinderen ook patriottische liedjes. Tijdens de aardrijkskundeles hoorden ze over het leven in de andere provincies. Kortom: het onderwijs moest van Limburgers ware Nederlanders maken.

Niet alleen bemoeide de staat zich in toenemende mate met de bevolking; de bevolking mengde zich ook vaker in staatszaken. Via lokale en provinciale maatschappelijke organisaties traden de Limburgers regelmatig met de overheid in overleg over de inrichting van de samenleving. Op die manier kreeg het Nederlanderschap voor de Limburger betekenis. Was hij voorheen nauwelijks meer dan een onderdaan van het Nederlandse gezag geweest; nu was hij een burger met rechten en plichten binnen de Nederlandse natiestaat.

Vanaf 1914 werd het Nederlandse staatsburgerschap alleen maar pregnanter. Hoewel Nederland buiten de Grote Oorlog bleef, was het land vrijwel geheel van het omringende buitenland afgesloten. Daarmee was ook Limburgs traditionele handel met Luik en het Rijnland onmogelijk geworden. Bovendien was de waarde van de Duitse mark en Belgische franc – tot dan toe de gangbare valuta in het Maasdal – dermate gekelderd dat de Limburgers de Nederlandse gulden gingen gebruiken.

Den Haag kreeg voor het eerst oog voor de Limburgse mijnbouw. Vóór 1914 waren de in Zuid-Limburg gedolven steenkolen voor Nederland van weinig belang geweest. Maar door de oorlog was het land nu aangewezen op zijn eigen reserves. In de jaren daarop trokken duizenden Belgische vluchtelingen, Limburgers én Noord-Nederlanders naar de Mijnstreek in de hoop werk te vinden. In 1920 vormden de ’Hollanders’ zelfs meer dan de helft van de bevolking in Heerlen. Als gevolg begon het plaatselijk dialect daar te verdwijnen. Er werd Nederlands gesproken of een mengelmoes van Standaardnederlands en het dialect, het zogeheten steenkolenhollands.

Met de wapenstilstand van 1918 heersten in het Maasdal vooral gevoelens van opluchting en dankbaarheid. Limburg was aan de oorlogshel ontkomen omdat het een Nederlandse provincie was, bedacht men. Maar juist nu veel Limburgers een hechte band met het vaderland hadden gekregen, dreigde het Nederlanderschap hen alweer ontnomen te worden.

Toen de overwinnaars uit de Eerste Wereldoorlog in Versailles bijeen waren om de kaart van Europa te herschikken, zag een aantal Belgische politici en intellectuelen hun kans schoon. De in 1839 verloren gegane gebieden – waaronder Nederlands-Limburg – zouden in de naoorlogse Belgische staat moeten worden opgenomen. Hoewel de annexionisten in Versailles bot vingen, gingen zij in het Maasdal door met het voeren van campagne. Kranten en brochures betoogden dat de Limburger zich ondanks tachtig jaar vreemde overheersing Belg was blijven voelen en niets liever wilde dan aansluiting bij het ’moederland’.

Het overgrote deel van de Limburgers dacht daar zelf heel anders over. Dankzij een geslaagd integratieproces voelden zij weinig voor een nationaliteitswisseling. De annexionistische campagne werd dan ook met tal van pro-Nederlandse betuigingen beantwoord. Zo gingen in Maastricht tienduizend mensen de straat op om hun trouw aan vorstin en vaderland te betuigen. Prominente Limburgers zwoeren het separatisme openlijk af. Volgens priester-politicus Wiel Nolens was het handjevol annexionisten in Limburg niet meer dan „politieke woelwaters, dwarsdrijvers, stokers en fortuinzoekers Op hen past geen andere naam dan landverraders”.

Ook Den Haag toonde zich voor het eerst bezorgd om Limburg. Met succes torpedeerden de Nederlandse diplomaten de annexionistische plannen. Honderd jaar nationale eenwording had er blijkbaar ook in de rest van Nederland toe geleid dat Limburg nu als deel van de Nederlandse natiestaat werd beschouwd. Vermoedelijk speelden voor de regering ook economische belangen een rol: het Maasdal herbergde immers grote voorraden kostbaar steenkool.

Daarnaast kan de anti-annexionistische opstelling van de regering worden verklaard door de inspanningen van de toenmalige minister-president, Charles Ruijs de Beerenbrouck. Als Limburger ging de kwestie hem aan het hart en hij steunde de pro-Nederlandse beweging in het Maasdal dan ook op allerlei manieren. Ruijs’ aantreden als hoofd van de Nederlandse regering in het laatste oorlogsjaar is trouwens exemplarisch voor de integratie van de Limburgse bevolking in het natieverband. Steeds meer zuiderlingen maakten naam boven de rivieren, zoals de architect Pierre Cuypers en de schrijver Frans Erens.

Met het voortschrijden van het integratieproces zien we tegelijkertijd een ander verschijnsel: de opkomst van een provinciaal, Limburgs gevoel. Naarmate de inwoners van de dorpen en steden in de Maasstreek zich meer Nederlander begonnen te voelen, des te vaker gingen er stemmen op dat ’het oude’ behouden moest worden. Zoals Wilders en zijn aanhangers terugwillen naar een Nederland dat niet meer bestaat, zo verlangden veel Limburgers terug naar een saamhorig, eeuwenoud Limburg dat nooit heeft bestaan.

Een handjevol Limburgers verzette zich inderdaad fel tegen de ’tsunami van hollandisering’, tegen Nederland. Zo bond de ’Limburgse Liga’ de strijd aan met de ’Hollandse invloed’ die het katholieke geloof en de Limburgse cultuur ernstig bedreigde en aanrandde. Maar vaker ging de nieuwe provinciale identiteit hand in hand met nationale gevoelens. Limburg was anders dan de andere provincies, zo vond men, maar het was wel een onderdeel van Nederland. ’Wie sjoeën ós Limburg is’, het ’tweede volkslied’ uit 1954, is een lofzang op de ’mooie’ provincie, „ónbetwis ’t stökske Nederland dat ’t sjoeënsten is”. Het officiële Nederlandstalige volkslied – uit 1909, aangevuld in 1939 – bezingt naast ’eigen zeden, eigen schoon’ ook ’hou en trouw’ aan het oorspronkelijk zeer calvinistische trio God, Nederland en Oranje.

Dat de nieuwkomers die vanaf de jaren zestig naar Nederland kwamen niet hetzelfde zijn als hun autochtone voorgangers, is niet verrassend. Degenen die al langer een onderlinge verbondenheid koesteren, zijn evengoed zeer verschillend. Traditionele tegenstellingen als noord-zuid, oost-west en protestant-katholiek zijn blijven bestaan en zoals gezegd hebben de Limburgers hun anderszijn zelfs aangedikt.

De ironie van de geschiedenis wil dat een groep wiens voorouders zich niet in Nederland thuisvoelden, massaal kiest voor een partij met anti-immigratie standpunten. Het kostte de Limburgers zo’n honderd jaar om in te burgeren. Van de bevolkingsgroepen die zich hier in de afgelopen jaren hebben gevestigd, eisen de Limburger Wilders en zijn aanhangers een beduidend snellere integratie.

Lees verder na de advertentie
(Bax)

Deel dit artikel