Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Uit wandelen in andermans ziel

Home

INEZ VAN EIJK

In april verscheen 'Dichter op de Zeedijk', de tweede roman van Kees van Beijnum, een jaar na zijn debuut 'Hier zijn leeuwen'. Op grond van die eerste roman werd hij genomineerd voor de debutantenprijs, een publieksprijs, en vervolgens door de lezers op de tweede plaats verkozen. De jury van de Librisprijs, waarvoor in totaal 188 titels werden ingezonden, plaatste zijn naam op de shortlist van 28 titels.

Hij is vanzelfsprekend verguld met de publiciteit die hem nu ook naar aanleiding van zijn laatste boek overkomt, maar durft zelf niet van een doorbraak te spreken. “Dat vind ik zelf nog prematuur. Aan 'Hier zijn leeuwen' heb ik heel lang gewerkt. Het was voor mij de proeve van bekwaamheid. Ik dacht, je moet nu alles uitvinden wat met schrijven te maken heeft. Ik wilde ermee laten zien dat ik uit bepaalde problemen was gekomen, want ik stond toen nog onder druk van allerlei ideeën over hoe je hoort te schrijven. Je wordt toch beïnvloed door modes en gedachtengangen die bepalen wat een goed boek is, daar kun je je niet van losmaken. Ik heb geprobeerd steeds dichter bij mijn eigen stem te belanden en daar ben ik voor mijn gevoel met 'Dichter op de Zeedijk' ook in geslaagd: hier zit Kees van Beijnum met alles wat hij heeft meegemaakt, gelezen en gedacht en zo schrijft hij”.

Is hij bang dat zijn werk versleten wordt voor niet vernieuwend, niet literair genoeg? “Ik hecht er aan zo helder mogelijk te schrijven, qua stijl maar ook qua structuur; ik kan ook niet anders. Ik probeer me niet te verstoppen. Ik zie vaak dat schrijvers zich verschuilen, soms omdat het verhaal dat ze te vertellen hebben te weinig diepte heeft en dan passen ze camoeflagetechnieken toe. Er zijn er die dat geweldig knap doen, maar meestal is het een zwaktebod”.

Hij spiegelt zich niet aan voorbeelden uit de Nederlandse literatuur maar heeft zich altijd het best thuisgevoeld bij de Angelsaksische literatuur, de eerste schrijvers die hij onder ogen kreeg. Van Beijnum voelt zich min of meer 'schatplichtig' aan schrijvers als Scott Fitzgerald, Malamud, Bellow, Philip Roth, Dos Passos, Steinbeck, en in zekere zin aan Hemingway, hoewel hij het macho-achtige van hem verfoeit. “Met die manier van schrijven kan alles aangeraakt worden dat met grote thema's heeft te maken: hoe moet je leven en hoe doe je dat goed. Alle morele kwesties kunnen op een onnadrukkelijke manier aan bod komen, zonder gekunsteldheid. Dat wil ik graag bereikten”.

Van Beijnums eigenlijke debuut in boekvorm betreft non-fictie. In 'Over het IJ. De reconstronstructie van een moord' geeft hij een verslag van een waar gebeurde moord. Hij volgde de rechtszitting, interviewde zowel familieleden van het slachtoffer als de daders in de gevangenis. Het boek bezorgde hem lovende recensies, men prees vooral zijn observatievermogen. Zelf ziet hij het als een brug naar zijn romans. “Een opstapje om onder de dictatuur van de feiten uit te komen”.

In zijn journalistieke werk - 'een fantastische leerschool' - vormden feiten immers het uitgangspunt. Na het gymnasium en allerlei baantjes, variërend van kamermeisje in het hotel van zijn moeder tot honderverzorger, ging hij de journalistiek in. Eerst als freelancer, later in vaster verband bij De Nieuwe Revue. Af en toe schreef hij een kort verhaal maar allengs groeide de behoefte om wat hem bezighield in een roman onder te brengen: “Toen 'Over het IJ' uitkwam wist ik het zeker: ik ga me nu wijden aan het schrijven van fictie”.

De flaptekst van 'Dichter op de Zeedijk' rept van een semi-autobiografische roman. De zoveelste van de afgelopen tijd? Van Beijnum relativeert dat zelf heel sterk. Hij heeft slechts het decor uit zijn jeugd gebruikt, de mensen die het café-hotel van zijn moeder in de Amsterdamse Warmoesstraat in- en uitliepen. De lotgevallen van de hoofdpersoon in zijn boek, het jongetje Constant Wegman, sporen allerminst met de gebeurtenissen die zijn eigen leven bepaalden.

“Ik zat achterin het café mijn huiswerk te maken en de wereld passeerde mij. Toen ik die Amerikanen ging lezen, trad mij een soortgelijke wereld tegemoet. Steinbeck, Malamud hebben het ook over sjacheraars, ploeteraars, drinkers, gokkers op de rand van criminaliteit. Zo werd ik geconfronteerd met de drijfveren van mensen, daar had ik me voordien nooit mee bezig gehouden. Ik zag ontzettend veel maar dacht er verder niet over na. Ik heb met opzet dat rauwe milieu uit mijn eigen jeugd gekozen als decor, om te laten zien hoe Constant zich staande houdt in die omgeving waarin hij eigenlijk niet past. Dat hij op jonge leeftijd leert hoe de wereld in elkaar kan zitten. Volgens mij beoogt de romanliteratuur het verbreden van je ethische panorama. Een boek biedt de mogelijkheid in de schoenen van een ander te staan. In 'Dichter op de Zeedijk' is dat een jongetje dat zich moet staande houden, maar het kan ook een mevrouw van zestig zijn in de Balkan. Lezen is toch uit wandelen gaan in andermans ziel en kennis. Hoe meer je leest hoe meer je je eigen morele besef scherpt”.

'Dichter op de Zeedijk' valt te bezien als een ontwikkelingsroman. Hoewel de hoofdpersoon eigenlijk voortdurend is omringd door mensen, moet hij het allemaal zelf uitvinden, want zijn omgeving vormt niet wat je noemt het 'goede voorbeeld'. De moeder van Constant wordt verpleegd in een psychiatrische inrichting en hij wordt opgevoed door zijn grootmoeder, een pragmatisch ingestelde, temperamentvolle Amsterdamse die haar café-hotel drijft met veel gevoel voor handel en met weinig consideraties. Ze drinkt tegen de klanten op en is in haar eerste leugen niet gebarsten, dat weet Constant, maar als hij zichzelf met een leugen indekt tegen haar gram, ervaart hij hoe er iets tussen hen is komen te staan. Hij is geïntrigeerd door het spanningsveld werkelijkheid en verzinsel.

Hij wil alles weten, noteert de tijd dat mannen bij buurvrouw Ansje binnen zijn, wil weten hoeveel ze moeten betalen, wil per se doorgronden hoe een goochelaarstruc werkt maar kan de ontdekking dat het doorgezaagde meisje nep is, nauwelijks verwerken. Ben, een oude man uit de buurt, de fictieve gesprekken met de dichter Vondel, een schilderij van Vermeer vormen voor hem een soort bakens in zijn worsteling met de rauwe dagelijkse gebeurtenissen, die natuurlijk ook in de jaren vijftig en zestig het milieu van de Amsterdamse wallen tekenden.

Van Beijnum heeft gekozen voor juist die periode omdat hij het verhaal wilde laten eindigen voor de 'koerier van de temporaine ellende' zoals hij de drugs noemt, zijn intrede deed. Constant zit dan op het gymnasium en heeft zijn eerste verliefdheid achter de rug. 'Dichter op de Zeedijk' is aanzienlijk luchtiger van toon dan 'Hier zijn leeuwen', het biedt meer ruimte voor humor en een hoopvol einde.

Kan Kees van Beijnum al voldoende afstand nemen van zijn werk om te zien waar het eigenlijk om draait? “Ik denk dat ik de moeizame, complexe verhouding tussen het ene individu en het andere probeer te onderzoeken. Wat mij bezighoudt is de ontoereikendheid om dingen te doen zoals je ze zou willen doen. Je kunt anderen niet helpen aan hun noodlot te ontkomen. Je ziet mensen wel eens stommiteiten uithalen, waarover je je verbaast. Je wilt het begrijpen, maar het probleem is dat je nooit kunt voelen of denken wat een ander voelt of doet; al die prikkels die iemand sturen zijn van geheel andere samenstelling dan je eigen brandstof. We zijn beperkt in ons inlevingsvermogen; hoe graag je ook zou willen, je kunt nooit iemand behoeden voor een tragisch lot, je kunt nooit iemand helpen. We zitten opgesloten in afzonderlijke lichamen en geesten”.

“Het gaat, denk ik, over het fundamentele isolement waarin mensen verkeren. We zijn voortdurend bezig in elkaars geest te kruipen in het volle besef dat het nooit lukt. Ook tussen het individu en zijn omgeving is een enorme spanning. Constant moet zien te overleven in een omgeving die hem niet past. Dat lukt hem omdat hij over voldoende veerkracht beschikt. Ik ben ervan overtuigd dat dat te maken heeft met het blijven openstaan voor mooie dingen, een randje licht om een wolk, muziek die je ontroert. Veel mensen verliezen onderweg het poëtische in zichzelf. Lenin bijvoorbeeld, vond dat hij zijn tijd niet moest verdoen met luisteren naar Beethoven. Dat zou maar afleiden van de klassestrijd... Nou, we weten hoe het daar is afgelopen”.

“Ik geef toe dat mensen met dat mooie van het leven heel verschillende dingen kunnen doen. Want instinctief verlangt iedereen wel naar iets groots en machtigs. Het decor van mijn laatste boek dient om dat thema reliëf te geven”.

Constant probeert zelfs onzichtbaar te worden en in zijn omgeving op te gaan, om op die manier des te dichter bij zijn eigen - andere - 'werkelijkheid' te kunnen komen: 'Hij begon de plekken te herkennen, de ruimten waar je je moest ophouden. Schaduwplekken die je opzogen, muren tegen de achtergrond waarvan je oploste, opstellingen van stoelen of personen waar je binnen kon glippen. Hij hield het zonlicht in de gaten, de bewegingen van de wolken. Hij kende de wazige vlekken die de meeste blikken ontgingen'.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie