Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Twaalf jaar loonmatiging en toch slaat Andriessen alarm EZ wijst op succes van Oost-Aziaten, maar keurt hun industriebeleid af

Home

GERBERT VAN LOENEN

AMSTERDAM - Minister Andriessen van economische zaken gaat vandaag de alarmklok luiden. Maar hij zal nooit de sense of urgency, de alarmstemming, oogsten die in de recessie van 1982 het maatschappelijke draagvlak vormde voor Lubbers' nuttige hak- en breekwerk.

Na twaalf jaar lang de lonen te hebben gematigd en bezuinigingen te hebben geaccepteerd - allemaal onder het motto dat het goed was voor de economie - krijgen de Nederlanders in 1994 te horen dat het slechter gaat dan ooit. “Het is nog erger dan in 1981”, spreekt Lubbers streng tot het volk, dat hem nu al bijna twaalf jaar in het zadel houdt juist om die economie op orde te krijgen. Terwijl de kiezers denken na twaalf jaar bezuinigen om resultaten te mogen vragen, hekelt de top van Nederland de zelfgenoegzaamheid van het volk.

Deze discussie tussen doven wordt vandaag bekroond met een debat op initiatief van minister Andriessen van economische zaken. Het debat, dat met een dubbel anglicisme 'platform over globalisering' is genoemd, stelt de vraag centraal waarin Nederland kan uitblinken in de nieuwe wereldeconomie, nu er landen zijn opgestaan in Oost-Europa en vooral ook Oost-Azie die net zo'n hoog kennispeil hebben als West-Europa, maar een veel lager kostenpeil.

In de vorige recessie, begin jaren tachtig, besloten de Nederlandse vakcentrales en werkgeversorganisaties tot loonmatiging. Waren de lonen toen nog net zo hoog als in West-Duitsland, na twaalf jaar matigen liggen de Nederlandse nettolonen veel lager - in sommige industrietakken bedraagt de Nederlandse loonachterstand op de Duitse collega's nu dertig procent. Ook in vergelijking met landen als Italie en Frankrijk blijven de Nederlandse lonen duidelijk achter.

Behalve de werknemers heeft ook de Nederlandse overheid zuinig gedaan in de afgelopen twaalf jaren. Waren begin jaren tachtig de Nederlandse staatsfinancien volstrekt uit het lood, na twaalf jaar heftig bezuinigen is Nederland in de recessie van 1993 het enige Westeuropese land dat zijn begrotingstekort redelijk onder controle heeft.

Het is in deze context dat de top van ondernemend en besturend Nederland op bijna panische wijze de bevolking ervan probeert te overtuigen dat de Nederlandse economie er opnieuw slecht voor staat. “We dansen op de vulkaan”, zegt de Amsterdamse econoom prof. S. van Wijnbergen. “Nederland maakt een monumentale crisis door”, verklaart Philips-topman J. Timmer. En de Rotterdamse econoom prof. E. Bomhoff waarschuwt dat de snelheid waarmee de Nederlandse welvaart achteruitgaat in vergelijking met de buurlanden, lijkt op de snelle verpaupering van Groot-Brittannie in de jaren zeventig.

Is al het matigen en bezuinigen dan voor niets geweest? Nee, zo geeft een vergelijking met de buurlanden aan. Het loonmatigings- en bezuinigingsbeleid van de afgelopen twaalf jaar heeft ervoor gezorgd dat Nederland de huidige laagconjunctuur veel beter door komt dan alle buurlanden. Als enige EU-lidstaat laat Nederland zijn overheidstekort niet uit de hand lopen in de huidige conjuncturele dip, het is het enige land met een munt die niet zwakker maar juist sterker uit de valuta-onrust van 1992/1993 is gekomen en een van de weinige Westeuropese landen waar de economie ondanks de laagconjunctuur begin jaren negentig niet is gekrompen.

Wat groei van het aantal banen betreft, is Nederland zelfs Europees kampioen. Lubbers heeft zijn karwei wel degelijk afgemaakt. Macro-economisch is Nederland van de 'zieke man van Europa' - begin jaren tachtig - veranderd in een land dat heel behoorlijk scoort. Duitsland, Zweden, Zwitserland - om maar een paar landen te noemen, waarvan Nederland zich doorgaans in economisch opzicht de mindere voelt - doen het slechter dan Nederland als wordt gekeken naar de macro-economische maatstaven waar Nederland onder Lubbers zo op lette: inflatie, begrotingstekort, banengroei.

Toch is er wel degelijk iets mis met de Nederlandse economie. De alarmstemming aan de top is geen onzin. Maar de reden voor ongerustheid valt pas op, als andere maatstaven worden gehanteerd dan die van het tijdperk-Lubbers. Macro-economisch mag alles redelijk op orde zijn; van dynamiek, economische groei, ondernemingszin en vernieuwingsdrang is in Nederland nauwelijks sprake.

Dat toont de - schokkende - vergelijking met Italie. Daar is in de jaren tachtig alles gedaan wat niet mag, precies het omgekeerde van wat Lubbers hier deed. De inflatie liet de regering in Rome oplopen, de lonen stegen hard, het overheidstekort en de staatsschuld explodeerden, de lire werd in tien jaar tijd bijna gehalveerd tot f 0,00113.

Wie denkt dat zo'n macro-economisch wanbeleid zichzelf wel afstraft, vergist zich. Zelfs in de huidige politieke en economische crisis groeit de Italiaanse economie ongeveer even hard als de Nederlandse. Macro-economisch klopt er niets van in Italie, maar dat weerhoudt de Italianen er niet van om te vernieuwen, familiebedrijven op te zetten, te investeren. Inmiddels zijn de Italianen rijker dan de Nederlanders - gemeten in bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor verschillen in prijspeil.

Ook de Britten deden het in de jaren tachtig economisch beter dan de Nederlanders, als gekeken wordt naar de groei. De gemiddelde Nederlander, die van de Spaanse stranden tot in Nederlandse kraakpanden op verpauperde jonge Britten stuit, ziet Groot-Brittannie weliswaar nog steeds als arm eiland. Maar het is in de afgelopen jaren in rijkdom de Nederlander weer genaderd. En bij telecommunicatie loopt het in Europa inmiddels voorop. Dat is de bedrijfstak die, samen met informatica, binnen enkele jaren de grootste branche ter wereld vormt.

Zowel onder de uitgesproken rechtse regering in Groot-Brittannie als onder het Italiaanse wanbestuur is de economie in de jaren 1982-1993 harder gegroeid dan onder de regeringen-Lubbers. Ook Duitsland realiseerde in die jaren meer groei dan Nederland. Drie landen, drie zeer verschillende economieen en al even zeer verschillend economisch beleid, maar met een overeenstemming: ze deden het allemaal beter dan Nederland.

Het debat van Andriessen gaat - onuitgesproken - dan ook over de vraag, waarin het beleid van Lubbers tekortschoot. Op zichzelf waren de loonmatiging en bezuiniging uit zijn tijdperk nuttig. Maar het was kennelijk niet voldoende. Onder Lubbers is er gehakt en gesneden, en daarmee zijn de fundamenten gelegd voor herstel. Maar met hakken en snijden alleen komt Nederland er niet.

Daar gaat het debat vandaag over: hoe kan het Nederlands bedrijfsleven tot snellere groei en meer dynamiek komen. Andriessen lijkt het antwoord vooral te willen zoeken in samenwerking, in clusters. Verwante bedrijven zouden meer moeten samenwerken, onderling als ook met onderzoeks- en opleidingsinstellingen.

Maar in het verhaal van minister Andriessen en staatssecretaris Van Rooy van EZ zit een zwak punt. Ze verwijzen naar de economische successen van Oost-Azie, om vervolgens de conclusie te trekken dat Nederland meer moet saneren, privatiseren, liberaliseren, om zo harder te concurreren.

Liberale stokpaardjes

Dat zijn liberale, Angelsaksische stokpaardjes, die niet als verklaring kunnen dienen voor het economisch succes van landen als Taiwan, Maleisie en Singapore. Marktafscherming, gebruikmaken van andere landen die van vrijhandel een religie hebben gemaakt, en een overheid die koste wat kost hoogtechnologische industrieen wil opbouwen: dat is mede de basis van het Oostaziatische succes. Zo loopt de regering van Taiwan al jaren met de geldbuidel te rammelen in de hoop British Aerospace of McDonnell Douglas te verlokken hun harde, competitieve thuisland te verruilen voor een gesubsidieerde stek in Taiwan. Dat is ook een manier om je industrie te versterken.

Als de minister en de staatssecretaris van EZ zo onder de indruk zijn van de opkomst van Oost-Azie, moeten ze wel uitleggen waarom ze desalniettemin niets voelen voor subsidies, protectionisme en een leidende rol van de staat in de industrie. Je kunt niet wijzen op het succes van Oost-Azie om de recepten van Groot-Brittannie aan te prijzen.

Het economiedebat van Andriessen kent dan ook twee handicaps. Hij is er niet in geslaagd om brede lagen van de bevolking duidelijk te maken waarom de zuinigheid uit het tijdperk-Lubbers nuttig is geweest, maar desalniettemin onvoldoende voor het overleven van de Nederlandse industrie. En ook lijkt Andriessen niet te (willen) voorkomen dat een debat over de Oostaziatische uitdaging wordt gebruikt voor een herbevestiging van al die in de jaren tachtig al zoveel gehoorde liberale slogans over de vrije markt.

Dat kan ertoe leiden dat veel mensen, murw gebeukt door al het gepraat over 'werk boven inkomen', het economiedebat vandaag gewoon negeren.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel