Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Trainer Orie omarmt wetenschap

Home

Antal Crielaard

De succesvolle schaatsploeg van Jac Orie verbleef in de aanloop naar de Spelen in het Italiaanse Collalbo. Met maar liefst zeventien startplaatsen moet er in Vancouver geoogst worden.

De drie auto’s rijden in colonne de berg af. Beneden nemen ze een afslag naar een doodlopende weg. In het straatje zijn een paar winkels gevestigd, in afzichtelijke panden. Er zit een slotenmaker en er is een groothandel in agrarische werktuigen. In de etalage staan harken, schoffels en een kruiwagen. De schaatsers van Control stappen uit en beginnen direct aan een warming-up. De succesvolle schaatsploeg is op pre-olympisch trainingskamp in het Italiaanse Collalbo en daar was zo gauw geen luxe trainingslocatie voor handen.

Annette Gerritsen legt haar jasje op de grond en doet daarop rek- en strekoefeningen. Een auto rijdt langzaam voorbij en parkeert naast de schaatsster. Even later doet het gezelschap schaatssprongen, terwijl een paar meter verder het verkeer voorbij raast op de vlakbij gelegen snelweg. Jac Orie lacht als hij de verbaasde gezichten ziet. „Meer dan dit hebben we niet nodig”, zegt de trainer. „De weg is vlak en het is dichtbij ons hotel. Wij doen het misschien anders dan anderen. Echt, daar heb ik lak aan.”

Simon Kuipers is een van de schaatsers in de ploeg van Orie. Hij is het gewend dat er op de vreemdste plaatsen wordt getraind. „We moeten het niet moeilijker maken dan het is. Soms gaan we op een parkeerplaats skeeleren. Als het vlak is en niet te glad dan gaat het. Ik heb nog steeds een paar halters en een paar gewichten achter in mijn wagen liggen. Kunnen we overal waar het kan aan krachttraining doen.” Als hij niet veel later met ontbloot bovenlichaam het zweet wegveegt schiet hij in de lach. „Zo gaat het wel vaker.”

’s Middags heeft Orie al geroepen dat hij er een doel mee heeft, met die trainingen op de meest bizarre plekken. ’s Avonds in het hotel geeft hij een inkijkje in zijn ’methode’. Orie: „Het gebeurt niet per ongeluk. Want wat is nou een goede trainingslocatie? Palmbomen? Zacht gekabbel van water als je schaatssprongen doet? Een verfrissend briesje van 21 graden? Een plekje uit de wind en uit de zon? Kom op. Waar blijft dan je weerbaarheid? Wat maak je van je schaatsers? Het is al zo gemedicaliseerd. Als ze een wrat op hun kont hebben, dan neigt het ernaar dat er een half medisch team naar kijkt.”

„Voor je het weet ben je een context voor een schaatser aan het creëren waarin hij alleen kan presteren als hij alles in de hand heeft. Maar dat is niet normaal. Je kunt mij niet vertellen dat je met een gewicht van 100 kilo op je rug beter kunt doorzakken met dat zachte briesje of met een beetje regen. Dat maakt geen zak uit. Als je schaatsers op die manier behandelt en je ze bij wijze van spreken hun drinken nog moet aangeven, dan wordt de verantwoordelijkheid voor hun eigen presteren wel heel laag.”

„Als ze aan de start staan dan moeten ze presteren. Dan moeten ze het zelf oplossen. De knop om kunnen zetten en zeggen: ’Wat er gebeurt, gebeurt er, maar ik rag die 1000 meter eruit’. Als je een milieu creëert waarin ze alles naar de zin wordt gemaakt, worden lichaam en geest week. Dat is wat ik denk en daarom doe ik het anders. Voor je het weet maak je sporters die geen stootje kunnen hebben. Als ik hier die berg afrijd en op zoek ga naar een trainingslocatie, zoek ik een vlak stuk grond. En als het vlak is, kunnen wij er springen. Een sporter moet leven als een kampioen, niet als een ster. Ik wil bikkelharde topsporters zien, die als het erom gaat iedereen de strot afbijten.”

De aanpak van Orie werkt. Al op de NK per afstand, aan het begin van het seizoen, waren zijn schaatsers in vorm. Tijdens het olympisch kwalificatietoernooi was dat niet anders. De Control-equipe kaapte daar liefst zeventien olympische startplaatsen weg. Namens de ploeg zijn in Vancouver Stefan Groothuis, Simon Kuipers, Jan Smeekens, Mark Tuitert, Annette Gerritsen, Margot Boer en Laurine van Riessen aanwezig. Een ongekend succes, gebouwd op twee belangrijke pijlers. Als trainer is Orie een serieuze bewegingswetenschapper. Als coach is hij zelden serieus, moet er vooral gelachen worden.

Orie heeft de wetenschap omarmd, gebruikt die om erachter te komen hoe zijn schaatsers zich voelen. Hij test de sporters gedurende een seizoen voortdurend. „We weten behoorlijk goed hoe onze sporters ervoor staan”, legt hij uit. „Het is een van de onderdelen van mijn methode. Alle sporters moeten elke week een dagboek inleveren met de informatie die ik van ze vraag. Ik ben daar heel erg streng in. Ze leveren hun programma in. Punt. Dat is wat ik eis. In al die jaren heb ik daardoor een database opgebouwd met kennis, dat is echt enorm. Die informatie heb ik nu van acht seizoenen. Soms vind je iets nieuws in de literatuur en dan kan ik het terugrekenen. Als het blijkt te werken passen we het toe, en als het niet werkt gooi ik het weer weg.”

Is het niet saai, al die wetenschap?

Orie, licht verontwaardigd: „Dat is altijd het eerste wat er wordt geroepen. Hij met zijn grafiekjes, met zijn cijfertjes en rekensommetjes. En hoe zit het dan met de intuïtie? Nou, het zit zo: je bouwt intuïtie op door veel met tabelletjes bezig te zijn. Door eraan te werken en te zien wat er goed gaat en wat er mis gaat. En dan is dat ook nog eens intuïtie die gestaafd is met objectieve criteria, als die tenminste bestaan. Door controle te houden op waar je mee bezig bent, bouw je intuïtie op. Veel sneller dan als je het niet zou meten. En dat is ook nog eens intuïtie waar je iets aan hebt.”

„Ik probeer een model te bouwen waarmee ik de schaatser vóór kan zijn. Vóór een sporter begint te zeuren wil ik al kunnen zeggen dat hij even rustig aan moet doen. Als een schaatser moe begint te worden, kan ik dat niet altijd aan zijn bewegingen zien – daar ben je niet altijd sensitief genoeg voor. Maar op het moment dat ik wéét dat hij moe is, dan denk ik bij mezelf: waarom kon ik dat niet zien? Dan ga je anders kijken en daarmee bouw je gevoel op. Je hebt een soort controlemiddel. Zonder zo’n model zou ik het niet zien aankomen en gaat het altijd mis. Soms kan ik door dit model al een week eerder ingrijpen dan normaal.”

Overtraindheid zou bij jou niet voorkomen?

„Natuurlijk wel. Dat kan altijd voorkomen. Het is mijn streven, en het lukt steeds beter en steeds vaker, om de schaatser voor te zijn. Ik ben natuurlijk niet feilloos. Ik ben de laatste die denkt dat hij dat kan bereiken. In de acht jaar dat ik trainer ben is de kans dat een schaatser overtraind raakt kleiner geworden en het slagingspercentage is hoger geworden. Ja, dat durf ik wel te zeggen. Klaar. Dat is gewoon zo. Dat kan ik ook staven.”

En de menselijke kant?

„Het gebruik van wetenschap in de topsport vind ik logisch. Het heeft veel inzichten opgeleverd. Je zou wel gek zijn als je die kennis niet zou gebruiken. Dan heb je het over mijn trainingskant. Mijn coachingskant is een andere. Die gaat meer in op de intermenselijke contacten.”

Lachend: „Al heb ik daar ook wel weer een modelletje voor, maar dat weten de schaatsers niet. De coaching doe ik op mijn eigen manier. We maken ongelooflijk veel lol met elkaar. En ik probeer ze ook zo gek mogelijk te krijgen. In trainingen moet heel veel gelachen worden. Als ik zie dat er op een training met de pet naar wordt gegooid, krijgen ze heel snel ruzie met me. Heel erg snel. Daar kan ik niet tegen. Maar als ze de grootste lol hebben en bikkelhard trainen, heb je toch een aardig proces?”

Deel dit artikel