Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Tijs van den Brink: ‘Ik vind het moeilijk om te blijven geloven’

Home

Arjan Visser

Tijs van den Brink © Mark Kohn
TIEN GEBODEN

Tijs van den Brink (Nijkerk, 1970) is journalist en presentator bij de Evangelische Omroep. Hij presenteert voor deze omroep de tv-programma’s ‘Adieu God’ en ‘NieuwLicht’ en het NPO Radio 1-programma ‘Dit is de Dag’. In 2004 ontving hij de Marconi Award voor beste radiopresentator. Zondagavond begint het tweede seizoen van NieuwLicht op NPO 2 om 22.40 uur.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Lees verder na de advertentie

“Een wezen, een geest, een entiteit, een gevoel: het zijn allemaal woorden die ik zou kunnen kiezen om iets te ­beschrijven wat ik zelf ook niet kan zien. Het mooie van het christendom

is dat wij geloven dat God zich, via Zijn zoon, in een menselijke gedaante heeft gemanifesteerd. Als ik nadenk over God; over wie Hij is en wat Hij vindt, dan kijk ik naar Jezus en weet: dit is wat Hij bedoelt.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Bij ons thuis werd mijn liefde voor sport niet altijd op prijs gesteld. Ik zei: Ik vind het gewoon mooi dat wielrenners zo hard kunnen fietsen, of voetballers zo goed kunnen voetballen. Maar nee, het was mensverering, afgoderij. De godenzonen van Ajax: hoe duidelijk wil je het hebben?

Maak een einde aan je ­leven, als je echt denkt dat het niet ­anders kan, maar houd mij erbuiten

“Ik plaats geen mensen boven mij en ik zou het heel onplezierig vinden als ik door anderen op een voetstuk zou worden gezet. De kans dat ik naast mijn schoenen ga lopen is overigens ook niet zo groot. Ik ben een tobber, ik kan enorm tegen dingen opzien. Dit gesprek bijvoorbeeld. Ben ik wel interessant genoeg? Kan ik wel goed verwoorden wat ik vind? In mijn vak heb ik, uiteindelijk, een beetje zelfvertrouwen gekregen, maar op een persoonlijk vlak ben ik in feite nog net zo onzeker als vroeger.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als iemand zegt: ‘De Heer heeft mij duidelijk gemaakt dat...’ word ik meteen achterdochtig. Het is heel makkelijk om God voor je karretje te spannen. Ik heb zelf ook een paar keer God heel nabij gevoeld, maar dat zijn persoonlijke ervaringen, niet bedoeld om daarmee bij anderen iets gedaan te krijgen, snap je? Ik ben huiverig om erover praten, niet omdat je me misschien zou uitlachen, maar vooral omdat ik niets wil claimen en ook niet de indruk wil wekken dat ik denk dat God zich de hele dag alleen maar met Tijs van den Brink bezighoudt. Maar goed, ik zal het je vertellen: ik was twintig en mijn linkerbeen moest een stukje worden ingekort. Ik lag in het ziekenhuis. Ik was bang. De avond voor de operatie verscheen er een engel aan mijn bed. Gestuurd door God, om me gerust te stellen. Ik heb die nacht in ieder geval fantastisch geslapen. En dan kun jij zeggen dat ik me die engel heb ingebeeld, maar zo heb ik dat absoluut niet ervaren. Het zat niet in mij. Het kwam van buiten. Ik voelde me door God gedragen.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de ­zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Vroeger was de kerkgang een beetje een moetje, tegenwoordig ga ik graag en veel omdat ik het best wel moeilijk vind om te blijven geloven. Ik ben wel-eens bang dat ik langzaam maar zeker terrein zal gaan verliezen. Ik kom uit de wereld van de Gereformeerde Bond, waar alles wat in de Bijbel staat, van kaft tot kaft, voor waarheid wordt aangenomen. Ik geloof niet meer dat de aarde in zes dagen werd geschapen en de vraag die zich nu opdringt is: wat ­betekent dit voor mijn andere ‘zeker-heden’? Geloof ik straks ook niet meer dat Jezus uit de dood is opgestaan? Die grens wil ik absoluut niet over.

“Ik ga dus niet meer uit gewoonte naar de kerk, of omdat het moet, maar om mezelf te bevragen, om me gesteund te voelen in een gemeenschap. Ik wil graag iets van Hem horen of zien, want de tekenen van Gods aanwezigheid liggen momenteel, voor mij ­althans, niet voor het oprapen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn ouders zijn allebei 85, gelukkig getrouwd, maar feitelijk sinds enige tijd van elkaar gescheiden. Mijn moeder woont in een verpleeghuis. Ze is ­dement. De eerste tekenen van de ziekte openbaarden zich zo’n twintig jaar ­geleden; je zou kunnen zeggen dat ik ruim de tijd heb gekregen om afscheid van haar te nemen. Ik heb al een paar keer flink om dit verlies gehuild, nu heb ik er op een bepaalde manier wel vrede mee. Een paar maanden voor haar verhuizing was ik op een middag alleen met haar thuis. Ik ging naar de keuken om koffie te zetten en zij liep maar om mij heen, onrustig – ‘Wat kan ik doen?’ – precies zoals ik om haar heen had gedrenteld toen ik klein was. De rollen waren helemaal omgedraaid. Wij moeten nu voor haar zorgen. En mijn vader steunen. Voor hem is dit het zwaarst.

Ik wil graag iets van Hem horen of zien, want de tekenen van Gods aanwezigheid liggen momenteel
niet voor het oprapen

“In mijn puberteit hebben we af en toe flink gebotst, maar we kunnen het al lang heel goed met elkaar vinden. Een paar jaar geleden had ik mijn laatste akkefietje met hem. Ik belde hem om te zeggen dat ik op zondag met de racefiets langs zou komen. Dat vond hij geen goed idee. Dat ik de zondagsrust ging verstoren, was misschien nog overkomelijk, maar het idee dat ik hem op de fiets, in zo’n mal pakkie, zou bezoeken, vond hij beslist niet fijn. Sinds die keer ben ik dit soort situaties uit de weg gegaan. Je gaat toch geen ruzie maken met een man van 85? Waar slaat dat op?

“Mijn vader komt van de boerderij, zoon van zeer gelovige ouders. Hij heeft altijd gezegd: ik word boer of dominee, maar werd uiteindelijk boekhouder. Op een gegeven moment besloot hij allerlei cursussen te gaan volgen om, op zijn vijfenvijftigste, toch nog predikant te worden. Ik ben dus niet het klassieke domineeskind, opgegroeid in een pastorie, met een al te heilig beeld van mijn vader. Hij was wel strenger dan mijn moeder, vond dat ik harder moest ­studeren en minder moest voetballen. Toen ik bleef zitten in 5-vwo, wist mijn vader het eerder dan ik. Hij bracht het nieuws nogal bot: ‘Komend jaar kun je heel veel voetballen Tijs, want je bent blijven zitten’, maar ik heb nooit het ­gevoel gehad dat hij me kapot wilde maken of zo, nee, het was liefdevol; hij had beslist het beste met me voor. Ik denk dat ik dit pas echt begreep toen ik hem op een dag ‘betrapte’ in zijn ­studeerkamer. Daar zat hij op de grond, op zijn knieën, te bidden. Ik zag hem en dacht: hij meent het dus. Het beeld van die biddende vader, hielp me te ­begrijpen dat zijn ‘regels’ ergens ­vandaan kwamen; dat hij niet streng was om mij te pesten, maar dat hij me probeerde op te voeden vanuit een ­religieuze overtuiging.

“Een paar jaar geleden werden mijn ­ouders geïnterviewd. Mijn vader zei: ‘We vinden het mooi wat Tijs doet, maar we proberen niet trots te zijn’. Mijn moeder vulde dat mooi aan door te zeggen: ‘Alles wat Tijs heeft, heeft hij van God gekregen’. Ik zeg het hun deels na: het enige wat je kunt doen is je ­talenten zo goed mogelijk benutten, maar áls het lukt, als je iets goed ­afmaakt, ja, dan mag je volgens mij ook best een beetje trots zijn op jezelf.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Ik vind het te simpel om te zeggen dat abortus moord is. Daarmee doe je de mensen die hier heel serieus over ­nadenken – en uiteindelijk tot de ­overtuiging komen dat hun situatie ­uitzichtloos is en het echt niet anders kan – ­tekort. Tegelijkertijd is het toch een ­beslissing die je voor een ander neemt. Daar gaan wij, mensen, niet over. Vind ik.

“Bij euthanasie wordt het al iets ­lastiger. Ik geloof niet dat God van ons vraagt om eindeloos te lijden, dus als een dokter tegen een ongeneeslijke ­zieke patiënt zegt: ‘We kunnen u een beetje extra morfine geven, maar dan bestaat het risico dat u dood zult gaan’, kan ik me voorstellen dat zo iemand antwoordt: ‘Doet u maar, alstublieft, want deze pijn is niet langer te verdragen’. Ik zou die hulp zelf niet kunnen bieden – hoeveel ik ook van iemand houd. Ik ben niet degene die beslist over leven of dood. Dat is God. En als jij gelooft dat je de baas bent over je eigen bestaan, als zelfbeschikking zo belangrijk voor je is, dan zou je ook zoiets zelf moeten doen. Maak een einde aan je ­leven, als je echt denkt dat het niet ­anders kan, maar houd mij erbuiten.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Tot nu toe gaat het goed met mijn huwelijk en ik heb er alle vertrouwen in dat dat zo blijft. Daar doen we allebei ons best voor, we blijven investeren. Tijd, tijd, tijd. En aandacht. Dat zijn de belangrijkste pijlers. En natuurlijk: ik ben een man, ik heb hormonen, dus als ik een mooie vrouw voorbij zie komen, doet mij dat ook meer dan – om Bas van der Vlies te citeren – wanneer ik een grindbiggel zie, maar ik ga er niet ­achteraan, als je dat bedoelt. Waarom zou ik alles wat ik heb voor zoiets in de waagschaal zetten? No way.”

© Mark Kohn

VIII Gij zult niet stelen

“Op een dag zag ik een portemonnee op straat liggen. Vlak voordat ik besloot hem op te rapen, werd-ie aan een ­touwtje weggetrokken. Het zou erg vroom zijn om nu te zeggen dat ik de portemonnee bij de rechtmatige ­eigenaar had willen terugbezorgen... Laat ik het zo zeggen: ik ben blij dat het om een spelletje bleek te gaan. Ik wil niet stelen. Ik wil niet liegen of ­bedriegen. Ik wil het goede doen. Elke dag opnieuw. Vooral met de neiging mezelf belangrijker te vinden dan de rest van de wereld, moet ik keer op keer weer aan de slag. Ik geloof dat de mens zondig is geboren, maar ik ben niet van de school ‘en ongeneigd tot enig goed’. De potentie om je naasten lief te ­hebben is ook in iedereen aanwezig.

Of ik weleens iemand onheus heb bejegend? Uiteraard, vaker dan me lief is, al is onheuse bejegening een subjectief begrip. Het is misschien een beetje flauw om te zeggen, maar dat vind ik ook zo fijn aan het werken bij de EO: er wordt niet aan mijn stoelpoten ­gezaagd. Dat is in de omroepwereld best bijzonder. Wij zijn een club van mensen die erkent zondige neigingen te ­hebben, maar die tegelijkertijd z’n best doet om deze neigingen te bedwingen. Waarmee ik niet wil beweren dat de EO minder zondige werknemers heeft dan andere omroepen, maar als ik soms verhalen hoor over hoe het er in Hilversum óók aan toe kan gaan, denk ik: ben toch blij dat ik hier zit en niet daar.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Als ik zeg dat ik de politiek in wil gaan, krijg ik vaak te horen: ‘Wat moet je daar nou, tussen die leugenaars?’ Onbetrouwbare honden zijn het. Zakkenvullers! En dan valt het hier, in Nederland nog mee. Mijn vrouw is Italiaanse en als ik hoor hoe haar familie op Sicilië denkt over politici, vraag ik me af of het ­verstandig is mijn ambitie überhaupt met hen te delen. Dat beeld klopt ­natuurlijk helemaal niet en ik wil ­proberen om een beetje bij te dragen in het bestrijden van die vooroordelen. Ik heb nu al een paar keer aangekondigd dat ik ‘over tien jaar’ de politiek in wil, maar heus: het gaat gebeuren – als er tenminste een partij is die me wil ­hebben. Het wordt een lastige overgang omdat ik een onpartijdige journalist ben, maar de grondgedachte is toch dat ik niet al te lang meer aan de zijlijn moet blijven staan. Ik wil meedoen en verantwoordelijkheid dragen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Soms denk ik: misschien had ik ambitieuzer moeten zijn. In 2012 maakten Andries Knevel en ik samen met Pauw en Witteman het programma ‘1 voor de verkiezingen’ en ik herinner me nog goed hoe Jeroen op een middag naar me toe kwam en geïrriteerd was over het feit dat een bepaalde gast óók in een ­ander programma zou zitten. Ik dacht: waar hééft-ie het over? Later begreep ik pas dat die inzet, het knokken voor je gasten, uiteindelijk ook iets oplevert. En dat ik, als ik net zo fanatiek was ­geweest als sommige van mijn collega’s in de omroepwereld, misschien wel ­grotere programma’s had mogen ­maken. Ik zeg niet dat wat ik doe ­middelmatig is, maar toch... ik heb geen dagelijkse talkshow meer aan het einde van de dag. Toen we in 2014 moesten stoppen met ‘Knevel & Van den Brink’ ben ik daar een weekend lang heel ­chagrijnig van geweest, maar daarna ­besloot ik dat ik mijn leven er niet door zou laten verpesten.

“Ik heb een zekere geldingsdrang; niet om per se zélf in beeld te komen, ik wil graag informatie overbrengen, ­mensen ­vertegenwoordigen, mensen aan het denken zetten. Ik weet inmiddels hoe ik de juiste vragen kan stellen, maar ik denk dat ik nog steeds te snel praat om goed te kunnen speechen. Het is ­prachtig om te zien hoe je anderen met woorden kunt raken. Daar kon ik ­vroeger, in de kerk, al van genieten: hoe een dominee zo’n hele gemeente in vervoering bracht. Ik heb dezelfde ­bewondering voor cabaretiers. Wim Kan, Youp van ’t Hek: fenomenaal. Ik nam Youps oudejaarsconference van 1989 op en leerde hem helemaal uit m’n hoofd – zonder de vloeken, natuurlijk. Die had ik er tussenuit geknipt.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Lees meer verhalen uit de reeks in ons dossier.

Lees ook:

'Argumenten-boy' Peter Plasman: Ik neem nooit zomaar ergens genoegen mee

Peter Plasman (Roermond, 1952) is strafrechtadvocaat.Hij trad op voor meerdere bekende verdachten, onder wie de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed B. Ook vertegenwoordigt hij Gijs van Dam in de smaad-zaak tegen Jelle Brandt Corstius, die zijn cliënt ervan heeft beschuldigd dat hij hem zou hebben gedrogeerd en seksueel misbruikt.

Deel dit artikel

Maak een einde aan je ­leven, als je echt denkt dat het niet ­anders kan, maar houd mij erbuiten

Ik wil graag iets van Hem horen of zien, want de tekenen van Gods aanwezigheid liggen momenteel
niet voor het oprapen