Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Theorieën over taal ontkracht

Home

Sander Becker

Tussen dierengeluiden en de complexe menselijke taal gaapt een enorme kloof. Maar is het menselijk taalvermogen uniek? En waar komt het vandaan? Cruciaal lijkt dat taal zich ook aan de mens heeft aangepast.

De grijze roodstaartpapegaai Alex (1972 – 2007) kon tot zes tellen. Hij wist allerlei kleuren en vormen feilloos te benoemen en kende zo’n 150 woorden, van banaan tot pinda. Maar getuigde Alex daarmee van ’taalvermogen’, of vertoonde hij slechts een knap kunstje?

In Utrecht stroomden onlangs tientallen taalkundigen, cognitiewetenschappers en evolutiebiologen vanuit de hele wereld bijeen om over dit soort vragen te debatteren. Vier dagen lang bogen ze zich over de talige vermogens van apen, zangvogels en walvissen; over de zoektocht naar taalgenen; en uiteraard over de vraag wat de kwebbelende mens toch zo uniek maakt.

Dát we over een bijzondere gave beschikken is vrijwel zeker, aldus Jelle Zuidema, cognitiewetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Hij organiseerde het congres samen met collega’s van de universiteiten van Utrecht en Amsterdam. „Een chimpansee leert nooit communiceren via taal, zelfs niet als hij van jongs af aan opgroeit tussen mensen. Terwijl een mensenkind moeiteloos elke willekeurige taal overneemt, bijvoorbeeld na een adoptie in een vreemd land. Het verschil is enorm.”

Op zich kennen ook dieren rijke communicatiesystemen. Vooral mensapen. Met gebaren, gezichtsuitdrukkingen en kreten geven chimpansees elkaar heel wat te verstaan. En zoals te zien is op YouTube kan het bonobomannetje Kanzi zelfs overweg met simpele verbale commando’s die zijn begeleidster hem influistert, van het genre ’smeer zeep op de bal’ of ’draag de tv naar buiten’. Maar net als bij papegaai Alex is het de vraag of Kanzi het niveau van een kunstje overstijgt. En in de natuur vertonen bonobo’s al helemaal geen talige aanleg. Dat wil zeggen: het combineren van signalen om complexere boodschappen over te brengen is voor hen te hoog gegrepen, weet Zuidema.

En zangvogels? Dat zijn toch bij uitstek specialisten in vocale communicatie. Klopt, zegt Zuidema, die zelf lange riedels vogelzang op de computer heeft geanalyseerd. „Achter veel zang gaat een complexe grammatica schuil. Pas als je volgens vaste regels fluit, vinden soortgenoten je liedje mooi en zien de vrouwtjes je zitten. Maar al die tonen blijven losse, betekenisloze elementen; ook de combinatie leidt niet tot betekenis.”

Dan de mens. Die combineert klanken tot woorden en zinnen, in een eindeloze variatie. Dat doet geen dier ons na. Alleen voor zeezoogdieren houdt de deskundige een slag om de arm, want er is nog weinig bekend over de complexe zang waarmee de dolfijn en de bultrugwalvis boodschappen uitwisselen. Maar vooralsnog lijkt de pratende mens echt uniek.

Zal wel iets genetisch zijn, denk je dan. En inderdaad, in 2001 meldden Britse genetici in het vakblad Nature de vondst van een taalgen, genaamd FOXP2. Ze hadden het gen in verfrommelde vorm aangetroffen bij een Engelse familie waarvan opvallend veel leden, van verschillende generaties, moeite hadden met grammatica. Bingo!

Hoewel... Een exclusief taalgen is FOXP2 niet. Het blijkt ook betrokken bij het coördineren van lip- en tongbewegingen. Als je de Britse familieleden vraagt om hun tong uit te steken en daarna twee keer met hun lippen te smakken, slagen ze daar nauwelijks in. Misschien zijn de onderzoekers dus niet gestuit op een taalgen, maar op een praatgen, dat –als het niet goed werkt– indirect de taalontwikkeling belemmert.

De laatste jaren is het FOXP2-gen ontmaskerd als een oeroud gen dat in verschillende versies bij allerlei dieren voorkomt. Uit berekeningen bleek aanvankelijk dat de bijzondere menselijke versie de laatste honderdduizend jaar moest zijn ontstaan. Maar onlangs is de menselijke versie ook aangetroffen in botten van Neanderthalers, die in de evolutie al veel langer geleden van de menselijke lijn zijn afgesplitst. De theorie dat de nieuwe versie van FOXP2 de cruciale mutatie was waarmee de mens, Homo sapiens, het definitief van andere mensachtigen won, heeft daarom afgedaan.

„FOXP2 heeft aanvankelijk een groot enthousiasme teweeggebracht”, herinnert Zuidema zich. „En het ís ook een belangrijk gen, dat hoog in een hiërarchie van genen zit: het stuurt veel andere genen aan. Maar sommige wetenschappers dachten in het begin dat FOXP2 het eerste van een hele reeks nog te ontdekken taalgenen zou zijn. Daar is nog niets van uitgekomen.”

Zouden er überhaupt specifieke taalgenen bestaan? „Dat is de grote vraag”, zegt Zuidema. Het antwoord hangt af van de manier waarop taal evolutionair is gevormd. „Is er in de loop van de menselijke evolutie een selectie geweest op het ontstaan van specifieke vermogens om een taal te leren? Of is taalvaardigheid meer een bijkomstigheid van ons toegenomen hersenvolume, van het feit dat we gaandeweg hebben geleerd om patronen te herkennen, te redeneren, te plannen en te categoriseren?”

In het eerste geval moeten we specifieke taalgenen hebben ontwikkeld die ons steeds beter in staat stelden om ingewikkelde zinnen te maken. In het tweede geval lift ons taalvermogen simpelweg mee op genen die onze algemene cognitieve vaardigheden bepalen.

Het lijkt een onschuldig vraagstuk, maar in het wetenschappelijk debat roept het heftige emoties op. Met name tussen ’s werelds beroemdste taalkundige Noam Chomsky en zijn voormalige student, de psycholoog en schrijver Steven Pinker.

Chomsky opperde in de tweede helft van de vorige eeuw dat mensen al bij hun geboorte een Universele Grammatica in het brein hebben klaarliggen waarmee ze elke taal kunnen leren. Maar vreemd genoeg heeft Chomsky nooit de logische consequentie willen aanvaarden dat zo’n universeel vermogen in de loop van de evolutie genetisch moet zijn verankerd. Hij weigert dit misschien wel, schreef Pinker ooit beschuldigend, omdat de ultralinkse Chomsky het niet over zijn hart kan verkrijgen dat je verschillen in taalvermogen tussen mensen met zo’n DNA-concept biologisch zou kunnen verklaren. En zo ontaardde een evolutionair-linguïstisch debat in een heus politiek duel.

Vervelend, vindt Zuidema. „De sfeer in de evolutionaire taalkunde is lang toch al niet best geweest. In debatten over de biologie van taal ging het de laatste decennia steeds maar over grote tegenstellingen: nature versus nurture (aanleg versus opvoeding, red.), en adaptatie versus exaptatie (het ontwikkelen van een nieuwe genetische eigenschap versus het creatief gebruiken van een bestaande, red.). Grote ideeën, gebaseerd op weinig of geen harde data. Daar moeten we zo langzamerhand vanaf.”

In het interdisciplinaire tijdschrift Blind zette Zuidema in 2007 op een rijtje welke hoogdravende theorieën binnen de evolutionaire taalkunde zoal de revue hebben gepasseerd. Zo zou de mens talig zijn geworden dankzij het zakken van de adamsappel, wat spreken mogelijk maakte; of dankzij één radicale mutatie in het brein; of dankzij het plotseling verworven inzicht om woorden een abstracte lading te geven; of dankzij onze coöperatieve basishouding (zie kader); of omdat we ineens zogeheten ’recursieve’, zichzelf herhalende structuren konden bouwen, van het type ’Jan zegt dat Piet zegt dat Klaas zegt’, enzovoort.

Stuk voor stuk mooie ideeën, erkent Zuidema, maar waar is het bewijs? En wat schiet je met theorieën op als je ze niet hard kunt maken? Gelukkig, signaleert de cognitiewetenschapper, heeft een nieuwe generatie wetenschappers steeds minder boodschap aan dit soort ’Big Bang’-benaderingen. „De oude controverses doven langzaam uit. Veel van mijn jonge collega’s erkennen liever dat er nog ontzettend veel onbekend is. Ze willen de handen uit de mouwen steken en ontbrekende kennis vergaren. Eerst kennis, dan pas grote theorieën.”

Een van de wegen die jonge wetenschappers inslaan, is die van de computermodellen. Ze proberen te berekenen hoe waarschijnlijk concepten over de evolutie van taal zijn.

Wat in veel modellen hoge ogen gooit, is het idee van ’culturele overdracht’. Mensen geven taal van generatie op generatie door, en daarbij verandert die taal: al te moeizame constructies komen te vervallen en onze luie mondspieren verbasteren het zware ’Het mag geschieden’ tot het lekker bekkende ’misschien’. „Taal past zich aan de mens aan”, zegt Zuidema. „Dat zou wel eens een heel belangrijk stuk van de puzzel kunnen zijn.”

Zo komt er, volgens Zuidema dankzij de wiskundige modellen, een nieuwe consensus in zicht. Die stelt dat ons taalvermogen ergens in de afgelopen vijf of zes miljoen jaar weliswaar het licht zag dankzij een nog onbekende biologische treffer. Maar sindsdien zou het vooral de taal zelf zijn geweest die zich naar onze cerebrale en anatomische mogelijkheden heeft gevoegd. Al kunnen er tijdens dat proces nog best extra biologische veranderingen zijn opgetreden die het spreken vergemakkelijkten, zoals het dalen van de adamsappel en het verdwijnen van de keelzakken, waar de aap nog steeds dankbaar gebruik van maakt om imponerende geluiden te produceren.

De rekenmodellen ontkrachten ook veel oude theorieën. Vooral Chomsky’s idee van een uitgebreide aangeboren taalmodule moet het volgens Zuidema ontgelden. De invloedrijke taalkundige is zelf ook niet meer helemaal overtuigd; de laatste jaren schuift hij steeds verder op naar het idee dat we ons taalvermogen vooral danken aan algemene cognitieve vaardigheden. Maar voorlopig weet niemand het zeker. „Taalevolutie is een heel dynamisch vakgebied”, besluit Zuidema. „Maar voorlopig biedt het meer vragen dan antwoorden.”

Lees verder na de advertentie
Grijze roodstaartpapegaai. Sommige soortgenoten kunnen woorden zeggen. Toch lijkt communiceren via taal voorbehouden aan mensen. (Trouw)
(Trouw) © Vincent J Musi/Hollandse Hoogte

Deel dit artikel