Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

TERUG NAAR DE ANDES

Home

TIM DEKKERS

Het is nacht in de Andes, maar in het licht van de maan hebben de bergwanden een zilverachtige gloed. Beneden in de diepte glinstert de rivier. Een jeep baant zich, grote stenen ontwijkend, over de zandweg door de bergen. De weg gaat dan weer steil omhoog, dan weer de diepte in, door het water van de rivier. Dit is met recht 'in the middle of nowhere'. Uren geleden al had een oude, tandeloze man met een roestige sleutel een hek geopend, zodat de jeep dit kronkelpad kon inslaan.

Plotseling, op de top van een heuvel, zijn er beneden bij de rivier tal van lichtjes te zien. Een vuur brandt; flarden gesprekken en muziek komen boven het geluid van de rivier uit. Het lijkt een zinsbegoocheling in de nacht, maar beneden staan heus auto's geparkeerd. Als de inzittenden van de jeep zijn uitgestapt, worden zij enthousiast onthaald door mensen die rond een groot kampvuur zitten. “Hier, neem een lekker stuk vlees!”, zegt een man die een kippenpoot van de barbecue neemt en de bout in de handen van de bezoekers duwt. “Ik ben Roberto Canessa, welkom hier. Zal ik jullie even voorstellen aan mijn andere vrienden? En dan moeten jullie kennismaken met de burgemeester en de gouverneur. Kom, eet nou van het vlees!”

Dit is het Andes-gebergte in Chili, twaalf uur 's nachts. Hier hebben acht overlevenden van de vliegtuigramp hun kamp opgeslagen. Dit zijn de mannen die 25 jaar en een paar maanden geleden hun dode vrienden hebben opgegeten om niet van de honger om te komen. Op initiatief van de commerciële Chileense televisiezender Canal 13 hebben zij de afgelopen vijf dagen hun wonderbaarlijke redding nog eens beleefd. De acht zijn, begeleid door een legertje cameramensen, technici en producers, opnieuw de bergen in gegaan. Ze zijn per helikopter naar de plek op 3 500 meter hoogte gevlogen, waar in oktober 1972 de Fairchild F-227 van de Uruguayaanse luchtmacht neerstortte. Op een paard hebben ze dagenlang door de bergen gereden en in tentjes gekampeerd. En dat allemaal voor een negentig minuten durende televisiedocumentaire, die de Chileense tv driehonderdduizend gulden kost. Het Chileense leger is ingehuurd om dit tentenkamp op te bouwen.

De Fairchild F-227 was op 12 oktober 1972 op weg naar Santiago de Chili met aan boord 45 leden van de rugbyclub Old Christians uit Montevideo, die met vrienden en familieleden op weg zijn naar een toernooi in Chili. Omdat het weer te slecht was om over het hoge Andesgebergte te vliegen, maakte het toestel een tussenlanding in de Argentijnse stad Mendoza.

Op 13 oktober ging de reis verder. Maar door een fout van de piloten verongelukte het toestel op 3 500 meter hoogte in de Andes. De overlevenden van de crash hoorden na acht dagen op een transistorradiootje dat de autoriteiten hun zoekpogingen staakten; het wrak was vanuit de lucht niet te ontdekken. De situatie zag er hopeloos uit: 's nachts daalde de temperatuur tot dertig graden onder nul. Behalve wat crackers, noga en chocoladerepen was er geen eten aan boord. Om niet van de honger om te komen, besloten de overlevenden de lichamen van de doden op te eten. Het vlees (de overlevenden eten ook organen en hersenen) werd rauw gegeten om zoveel mogelijk eiwitten en mineralen binnen te krijgen. Na twee maanden van ellende en nieuwe tegenslagen - door een lawine kwamen nog eens acht mensen om het leven in het wrak - begonnen de twee sterkste jongens aan een reddingstocht. Tien dagen liepen zij door de bergen, om uiteindelijk de Zwavelvallei in Chili te bereiken. Een herder vond de twee uitgeputte jongens en waarschuwde de politie. Na 71 dagen in de bergen werden de andere overlevenden per helikopter gered.

Op deze laatste dag van de opnamen van de Chileense tv zijn de familieleden van de overlevenden uit Uruguay overgekomen. Per vrachtwagen zijn ze naar het kamp gebracht. Nu zitten zij allemaal rond het kampvuur met barbecuevlees op hun plastic bordjes. Ergens in de kring tokkelt een soldaat op zijn gitaar. Naast hem zit Roberto Canessa, zoals altijd druk pratend: hij was het die 25 jaar geleden het initiatief nam om de lichamen van de doden op te eten. “Dit is de enige manier om te overleven”, had hij gezegd. Hij was het ook die samen met Fernando Parrado de eindeloos hoge toppen bedwong en hulp haalde.

Even verderop in de kring kijkt Armando Serda stilletjes toe. De overlevenden zien hem als hun grote redder. De herder vond Canessa en Parrado 25 jaar geleden meer dood dan levend in de Zwavelvallei en bracht hen naar zijn huis. De groep wil Serda deze avond opnieuw eren. Gustavo Zerbino, een van de overlevenden, pakt een megafoon en spreekt de herder in vurige bewoordingen toe. Als cadeau krijgt hij een groepsfoto van de zestien overlevenden. Er volgen veel en langdurige omhelzingen. De herder lacht verlegen. “Ik heb niets bijzonders gedaan”, mompelt hij keer op keer.

'Al een paar dagen lang hadden enkele jongens zich gerealiseerd dat ze, als ze in leven wilden blijven, de lichamen zouden moeten opeten die bij het ongeluk waren gedood. Het was een gruwelijke gedachte. De lijken lagen rondom het vliegtuig in de sneeuw, door de intense kou geconserveerd in de toestand waarin ze waren gestorven'. (Uit het boek 'Overleven' van Piers Paul Read.)

Javier Methol, overlevende die bij de ramp zijn vrouw verloor: “Ik heb bewondering voor de jongens die destijds de beslissing namen om mensenvlees te eten. Ik vond het vreselijk, ik wilde het eerst niet. Maar de aanvoerder van het rugbyteam, echt een heel aardige jongen, kwam op een dag naar mij toe en zei: 'Christus heeft ook zijn lichaam gegeven. Zo zie ik dit ook. Ik geloof in God en ik ben ervan overtuigd dat Hij dit goed vindt. Je moet het zien als de heilige communie. Het is de enige manier om te overleven en je hebt de morele plicht om te overleven'. Toen ben ik mensenvlees gaan eten.”

Het is nog koud als de volgende ochtend de eersten uit hun tenten kruipen. Het is in de stapelbedden een onrustige nacht geweest; door al het gesnurk, het gehuil van kinderen en het in- en uitlopen van mensen, is er van een ongestoorde slaap weinig terecht gekomen. In een hoekje van het kamp hebben soldaten een geïmproviseerd ontbijtbuffet georganiseerd: hier is kokend water voor thee of poederkoffie en hier ook zijn broodjes.

De vrouw van José Luis Incarte, een van de overlevenden, houdt haar plastic kopje thee met twee handen vast. Ze rilt. “Het is zo prachtig hier”, zegt ze, kijkend naar de massieve rotswanden die de zon aan het oog onttrekken. “Mijn man is een keer eerder teruggeweest naar de plek. Maar toen was het hartje zomer; alles was groen, het was warm, het was niet, zoals hij zich de ramp herinnerde. Nu in de lente is het heel anders. Alles komt haarscherp terug en dat is zwaar. Emotioneel zwaar.”

Bij de enige waterslang buiten poetsen mensen inmiddels hun tanden. Op de plaats waar afgelopen nacht het kampvuur brandde, worden voorbereidingen getroffen voor een mis in de open lucht.

De Chileense tv heeft de priester laten overkomen, die 25 jaar geleden de eerste heilige mis hield voor de overlevenden. Na hun wonderbaarlijke redding voelden de jongens zich dichter bij God staan dan ooit. De zestien, allen van huis uit streng katholiek, waren die eerste dagen vol aarzeling en schuldbesef: was het eten van mensenvlees in overeenstemming met het katholieke geloof? Hadden ze niet een van de ergste zonden begaan? De katholieke kerk was barmhartig. Maar het ging de kerkautoriteiten te ver om het eten van mensenvlees te vergelijken met de heilige communie, zoals sommigen in de bergen hadden gedaan.

Het altaar van de priester bestaat uit een plank die op twee kisten steunt. Soldaten hebben een wit kleed over het provisorische altaar gelegd. Daarachter wapperen de vlaggen van Uruguay en Chili. Een man speelt gitaar en zingt de Spaanse versie van Bob Dylans 'Blowing in the wind'. De meeste overlevenden volgen de mis staand. Hun haast bovenmenselijke geloof in God van destijds (“We waren tijdens ons verblijf in de bergen heiligen; alles was puur en rein, we voelden ons een met God”, had iemand gezegd) is zoveel jaar later veranderd in een doorsnee geloof-op-afstand. Elke week naar de kerk gaan, doen velen al lang niet meer.

De zon is inmiddels achter de bergtoppen tevoorschijn gekomen. De priester is toe aan de heilige communie. Hij houdt de hostie boven zijn hoofd en zegt: “Dit is het lichaam van Christus. Neemt en eet hier allen van.”

'Hij voelde een zwakke trilling en even later het geluid van op grond vallend metaal. Dit geluid joeg hem overeind, maar daarbij werd hij door sneeuw belemmerd. Hij merkte dat hij tot aan zijn heupen in de sneeuw stond en toen hij het hemd van zijn ogen wegtrok was hij ontzet door wat hij zag. Het vliegtuig was bijna geheel met sneeuw gevuld. De bij de ingang opgeworpen barricade was ingestort en bedolven, en alle dekens, kussens en slapende lichamen op de vloer onder een dik pak sneeuw verdwenen'. (Uit 'Overleven' van Piers Paul Read.)

Fido Strauch, overlevende: “We moesten elke avond vroeg het vliegtuigwrak in, omdat het buiten snel donker en koud werd. De meesten sliepen al, toen de lawine kwam. Ik hoorde een enorm lawaai. Ik verstarde. Het geluid van de sneeuw was indrukwekkend. De sneeuw sleepte als een golf alles mee naar voren in het wrak. Ik was bedolven en ik dacht: dit is het einde; mijn geest was de dood al aan het accepteren. Hoe lang ik onder de sneeuw heb gelegen, weet ik niet. Een minuut, twee minuten? Maar ik werd gered. Acht anderen stierven. Ik denk dat zij ook hebben gevoeld wat ik voelde, voordat ik werd uitgegraven: dit is te veel. Na alles wat wij al hadden meegemaakt, een lawine... Dat moest wel het einde zijn. Psychisch neem je dan afstand van het leven; je neemt de beslissing om te sterven.”

Gebroken zitten ze in de bus. Bezweet. Uitgeput. De groep overlevenden en familieleden heeft er een hectisch dagje opzitten. Na de heilige mis is iedereen per auto naar de Zwavelvallei gegaan: de plek waar Canessa en Parrado na hun tocht door de bergen de herder ontmoetten die hulp haalde. Het was vooral voor de kinderen en kleinkinderen een weerzien met de vertelde verhalen: de rivier waar de herder opdook, het houten hutje, waar de twee na hun redding sliepen, het groene weiland, waar de helikopters met de rest van de geredden landden en waar de overlevenden dronken van geluk het gras en de bloemen kusten. Het was mooi geweest, maar slopend. Urenlang hebben ze in de auto gezeten, hobbelend over een muilezelpad.

En nu staat San Fernando op het programma, de plaats waar 25 jaar geleden de overlevenden werden opgevangen en verpleegd. In het plaatselijke museum heeft het stadje een ontvangst georganiseerd. In de bus zit ook Marcelo Nicola: korte broek, zonnebril op de neus. Hij was zes jaar toen hij zijn beide ouders verloor bij de ramp. “Zij zaten voorin het vliegtuig en waren op slag dood”, zegt hij. “Als je klein bent, begrijp je amper wat er gebeurt. Stukje bij beetje heb ik het verhaal gehoord van de overlevenden. Met hen heb ik sindsdien intensief contact onderhouden.”

Uiterlijk onbewogen vertelt hij dat de zestien mede dankzij zijn ouders hebben kunnen overleven. Hij weet dat zijn vader en moeder zijn opgegeten. “Als je dat sec analyseert, is dat een vreselijke gedachte. Maar als je je verplaatst in de situatie van de overlevenden, dan kom je tot de conclusie dat het de enige mogelijkheid was om te overleven. Ze hadden samen een pact gesloten: als ik doodga, mogen jullie mijn lichaam opeten. Dat mijn ouders zijn opgegeten, is hard. Heel hard. Dat is iets wat je later langzaam verwerkt, maar het is de werkelijkheid. Je moet die aanvaarden en daaruit kracht putten.” Marcelo Nicola denkt dat er overlevenden en nabestaanden zijn die nog steeds moeite hebben met het gedwongen kannibalisme. “Die mensen komen niet op dit soort bijeenkomsten en willen ook niet geïnterviewd worden. De overlevenden die deze trip meemaken, hebben alles voor zichzelf op een rijtje gezet en verwerkt. Daardoor hebben zij de kracht gevonden om zonder grote problemen verder te leven.”

De bus is inmiddels in San Fernando aangekomen. Eerst wil de groep zich opfrissen. Roberto Canessa heeft in een hotel een paar kamers gehuurd, zodat iedereen zich snel kan douchen. “Okee, een half uurtje. Ik stel een schema op wie in welke kamer kan douchen”, zegt hij bij de receptie.

'Evenals de meeste andere moeders die nog altijd in de overleving van hun zoons hadden geloofd, had zij er niet, in detail, aan gedacht hoe dit wonder zou kunnen worden verwezenlijkt; ze had aangenomen dat er bossen zouden zijn om hen te beschutten, met over dennennaalden rennende konijntjes en in beken zwemmende vissen. Zij noch iemand van de andere ouders en verwanten van de jongens hadden zich voorgesteld dat ze de lichamen van de doden zouden opeten'. (Uit 'Overleven' van Piers Paul Read.)

Ramon Sabella, overlevende: “Ik heb mijn ouders gewoon de waarheid verteld. Ze snapten het perfect, evenals Uruguay en de rest van de wereld. Men had ons aan ons lot overgelaten, midden in het hooggebergte, met temperaturen van 25 graden onder nul. We hadden maar twee opties: mensenvlees eten of collectief zelfmoord plegen door te verhongeren.”

“Of mijn leven erg veranderd is? Dat geloof ik niet. Je wordt geboren en sterft zoals je bent. Iemand die introvert is, is na twintig jaar ook nog introvert. Het wezen van de mens verandert niet. Maar het spreekt voor zich dat het leven na zo'n ervaring een andere waarde krijgt. Ik maak me slechts druk om echt belangrijke dingen, niet meer om futiliteiten. Verder heb ik nooit een nachtmerrie gehad. Wel had ik in het begin een enorme vliegangst. Maar ik heb me daar overheen gezet. Ik heb inmiddels een vliegbrevet gehaald.”

Alle notabelen van San Fernando zijn op deze zwoele avond naar het plaatselijke museum gekomen om de overlevenden van de Andes in hun armen te sluiten. Want de zestien mannen die de 71 dagen in het hooggebergte hebben overleefd, zijn helden geworden in Chili. Het museum heeft niet voor niets een speciale expositie aan de overlevenden gewijd, vol foto's en krantenknipsels.

Iedereen barst in applaus uit wanneer de overlevenden en familieleden bij het museum arriveren. Door een haag van klappende mensen baant de groep zich naar voren, onderwijl handen schuddend en handtekeningen uitdelend. Maar het programma voor deze avond is allesbehalve dynamisch. Iedereen die iets met de overlevenden te maken heeft gehad, wil het woord voeren. De burgemeester, de gouverneur, de directeur van het ziekenhuis, de arts van het ziekenhuis, de directeur van het museum; de speeches rijgen zich aaneen tot een slaapverwekkende woordenbrij.

Roberto Canessa spreekt namens de overlevenden als laatste de hoogwaardigheidsbekleders toe. Hij is zichtbaar vermoeid. “Ik voel dat we van jullie hielden, voordat we jullie kenden”, sluit hij zijn toespraak af. “We gingen de bergen in met een leeg hart, maar we zijn teruggekeerd met een hart gevuld met liefde en geluk. Heel hartelijk dank daarvoor.”

Nieuwe omhelzingen volgen en dan wordt de band gestart met het volkslied van San Fernando. De roep 'Leve Uruguay, leve Chili!' sluit de bijeenkomst af. Maar voor de groep overlevenden begint de drukte dan pas echt. Iedereen stort zich op de acht mannen. Voor een interview, alweer een handtekening, een schouderklopje, een foto. Overlevende Gustavo Zerbino nipt aan zijn drankje, een alcoholische specialiteit uit de regio. “Ik ben trots op wat ik heb gedaan”, blikt hij terug. “Ik heb vier kinderen en zij kennen alle verhalen. Soms laten zij de speelfilm 'Alive', die later over de ramp is gemaakt, aan hun vriendjes zien en dan zeggen zij vol trots dat hun vader de spieren van zijn vrienden heeft opgegeten. Ik heb er nooit wroeging over gehad, nooit nachtmerries. Ik hoop dat het niet gebeurt, maar stel dat ik opnieuw met een vliegtuig in de bergen zou neerstorten, dan zou ik vanaf de allereerste dag beginnen met het eten van mensenvlees. Daar heb ik geen enkel probleem mee. Geen enkel probleem.”

Deel dit artikel