Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Tegen het almachtige denken

Home

GER GROOT

In '68 was hij hip, daarna raakte de filosoof Adorno uit de mode. Zijn 'Negatieve dialectiek' is nu vertaald, en is nog steeds actueel. Waarom we niet ons brein moeten willen zijn.

Ger Groot (1954) is hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en columnist van deze krant.

Als filosofen gekenmerkt worden door hun beroemdste uitspraak, dan zou dat bij Theodor W. Adorno de verzuchting zijn dat je na Auschwitz onmogelijk nog een gedicht kunt schrijven.

Hij moet aan die woorden zijn gaan twijfelen na het lezen van de sublieme klaagzang 'Die Todesfuge' ('Fuga van de dood') van Paul Celan, vandaag de dag verplichte leesstof voor alle Duitse schoolkinderen. In zijn zojuist in het Nederlands verschenen filosofische hoofdwerk 'Negatieve dialectiek' komt Adorno daar, zonder Celan te noemen, nog even op terug. "Het is misschien fout geweest te zeggen dat na Auschwitz geen gedicht meer zou kunnen worden geschreven", schrijft hij. "Niet fout is echter de niet minder culturele vraag of na Auschwitz nog kan worden geleefd."

Voor de filosoof die Adorno was betekende dat ook twijfel aan de vraag of er na Auschwitz nog kan worden gedacht. Wat is er in de Europese filosofie misgelopen dat de daaruit voortspringende cultuur in de twintigste eeuw tot zulke grote tragedies heeft kunnen leiden? Daarbij denkt hij niet alleen aan het nazi-rijk en de Jodenvervolging waaraan hij zelf alleen kon ontkomen door naar Amerika te vluchten, maar ook aan de politieke en morele verloedering van de Sovjet-Unie. "De behoefte het lijden een stem te geven, is voorwaarde voor alle waarheid", schreef hij kort na de publicatie van Negatieve dialectiek in 1966 aan zijn filosofische geestverwant Max Horkheimer.

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog was Adorno met dat zelfonderzoek van het westerse denken begonnen. Kort daarna, in 1947, had hij samen met Max Horkheimer (zijn collega in het Institut für Sozialforschung: de Frankfurter Schule) de ophefmakende essaybundel 'Dialectiek van de Verlichting' gepubliceerd. Daarin betoogden zij dat het rationalisme van de moderne tijd niet alleen kennis, wetenschap en techniek had voortgebracht, maar ook de grondslag had gelegd voor een verkilde samenleving die haar eigen functioneren belangrijker vond dan haar menselijke waarden. Zo was 'Auschwitz' mogelijk geworden: een industriële massamoord volgens een soepel uitgevoerd plan, waarin de vraag of de treinen op tijd liepen belangrijker was dan die naar het doel van de transporten.

Een filosofische beroemdheid werd Adorno enkele jaren later met de publicatie van zijn boek 'Minima moralia' (1951), waarvan vorig jaar een nieuwe Nederlandse vertaling verscheen. In korte essays, bijna filosofische columns, lichtte Adorno er de naoorlogse samenleving in door. Dat maakte hem tot het kritische geweten van zijn vaderland, waarvan hij het verborgen autoriteitsgeloof en ressentiment blootlegde.

Daardoor werd Adorno aan het eind van de jaren zestig bijna vanzelfsprekend een boegbeeld van het studentenprotest dat de samenleving radicaal wilde hervormen.

Zelf moet hij zich daarbij enigszins dubbelhartig hebben gevoeld. Afkomstig uit een goedburgerlijk milieu waarin Bildung en culturele verfijning hoog stonden aangeschreven, kon hij de uitwassen daarvan alleen maar bekritiseren door de fundamentele waarden ervan opnieuw te benadrukken. Ook in zijn eigen gedrag en voorkomen kwam dat tot uitdrukking. Als geestelijk mentor van de gideonsbende van 1968 bleef hij zelf op en top een professor en grand seigneur.

Dat bracht hem uiteindelijk in botsing met de revolutie die hij had helpen ontketenen en die hem ten slotte verslond. Tijdens een roerig college in april 1969 werd hij in stalinistische stijl geprest tot publieke zelfkritiek. Nadat een drietal meisjes uitdagend hun borsten voor hem hadden ontbloot, vluchtte hij de collegezaal uit. Diep geschokt overleed hij enkele maanden later aan een hartinfarct, kort voor zijn zesenzestigste verjaardag.

Je zou dat de tragedie kunnen noemen van een man wiens radicalisme verderging dan een eenvoudige verwerping van het oude. Wie het nieuwe omarmt in de waan zich radicaal van de geschiedenis te hebben bevrijd, veroordeelt zichzelf ertoe haar te herhalen, zo maakt hij - met een gevleugeld woord van Karl Marx - duidelijk. Wie het heden wil begrijpen moet leren inzien hoe diep het is geworteld in het verleden en daarmee diepgaand in discussie treden.

In 'Negatieve dialectiek', zijn zwanezang, doet Adorno dat op ongemeen grondige wijze. Het is niet voldoende de Verlichting te confronteren met haar zwakke punten, zo stelt hij vast. Steeds moeten wij ons ervan bewust blijven hoeveel wij aan haar te danken hebben en hoezeer we van haar afhankelijk blijven. Niets moet hij hebben van de neoromantiek die meent dat alles goedkomt wanneer wij in plaats van ons verstand voortaan alleen ons hart laten spreken. Dat is pas werkelijk een terugkeer tot de barbarij, want, zo suggereert hij, was dat niet precies wat er gebeurde onder het naziregime? Te denken dat het hart per se onschuldig is, is zwichten voor een naïviteit die flirt met de catastrofe.

Onder zijn filosofisch-gründliche formuleringen voel je dan ook de passie waarmee Adorno zich keert tegen Heidegger, die zich volgens hem als weinig anderen schuldig had gemaakt aan een dergelijk antimodern obscurantisme. Een paar jaar eerder had hij diens wollige taal al striemend ontleed in zijn schotschrift 'Jargon der Eigentlichkeit'. In 'Negatieve dialectiek' pakt hij Heidegger nog steviger aan. Diens hele filosofische grondplan moet eraan geloven. "Heidegger is anti-intellectualistisch uit systeemdwang, antifilosofisch uit filosofie", zo schrijft hij. "Aan de donker geworden hemel van de existentieleer schittert geen enkele ster meer."

Welke ster had Adorno dan willen zien schitteren? Heidegger (en alle existentiefilosofen, tot aan Kierkegaard toe) verwijt hij dat ze het denken radicaal subjectief hadden gemaakt en daarmee de harde werkelijkheid waren kwijtgeraakt. Filosofie moet gaan over wat objectief waar en werkelijk is. "Het is de taak van de filosofie te denken wat anders is dan de gedachte en wat het alleen tot gedachte maakt", schrijft Adorno in de kenmerkende hermetische stijl van dit boek.

Adorno spaart zijn lezers niet. Hij eist van hen de hoogste concentratie, samen met een behoorlijke kennis van de geschiedenis van de filosofie. Iedere zin moet zorgvuldig worden ontcijferd, wil het fascinerende toneel zichtbaar worden waarop zijn worsteling met de geestelijke erfenis van Europa zich ontrolt. Adorno's voornaamste sparringpartners zijn Kant en vooral Hegel, van wie hij niet alleen de stijl maar ook veel van de terminologie (dialectiek!) overneemt. Want Hegel liet niet alleen de filosofie samenvallen met de geschiedenis van de mensheid. Hij liet in één moeite door ook het denken en de werkelijkheid naadloos in elkaar overvloeien.

En daar ging het volgens Adorno mis. Hegel liet zien hoe in de loop van de historie de menselijke kennis steeds meer greep kreeg op de natuur en deze zich als het ware toe-eigende. Het logische eindpunt van die ontwikkeling zou liggen in een totale versmelting van die twee. Niets zou meer aan het denken ontsnappen of daarvoor onbegrijpelijk blijven. Als tegenhanger daarvan zou het denken geheel en al in de werkelijkheid zijn doorgedrongen. Dat eindpunt van de geschiedenis noemde Hegel de Absolute Geest.

De tragedies van de twintigste eeuw laten volgens Adorno iets anders zien. Altijd schiet er in deze triomfantelijke voortgang van de geschiedenis een 'rest' over die achterblijft langs de kant van de weg. Het is datgene wat niet past in het schema van de zich ontplooiende rationaliteit. Het biedt er weerstand aan, en verdwijnt daarom in wat Lenin, via Marx een volbloed erfgenaam van Hegel, het 'vuilnisvat van de geschiedenis' noemde.

Auschwitz en de Goelag zijn daarvan de schrijnendste voorbeelden. Ze passen niet in de triomfantelijke vooruitgangsgeschiedenis van een denken dat zich almachtig waant en dus in staat acht de wereld tot een hemel te herscheppen.

Juist in dat misverstand omtrent zichzelf schept deze ideologie een hel. Ze moet datgene waarmee het geen weg weet of waarvoor het geen plaats heeft wel wegwerpen in absolute verdoemenis. Het mag niet bestaan, want anders zou het bewijzen dat dit denken de waarheid níet almachtig in pacht heeft.

En dan worden Auschwitz en de Goelag onvermijdelijk, aldus Adorno. Want hoe je het ook wendt of keert, werkelijkheid en denken zijn niet hetzelfde - zelfs niet in het toekomstbeeld van de Absolute Geest, de klassenloze maatschappij of de cultuur van de Arische stam. De werkelijkheid is altijd méér dan wat daarover kan worden gedacht. Ze schuift altijd een beetje onder ons denken door of schuurt ertegenin.

Wil ons denken niet gewelddadig en moorddadig worden, dan zal het die onmacht moeten erkennen, aldus Adorno. De rede is machtig, maar niet almachtig. Ze probeert de werkelijkheid zo veel mogelijk te grijpen en te begrijpen - en dat is goed, want daar hebben wij wetenschap en techniek aan te danken. Maar ze zal ook `tegen zichzelf in moeten denken", zo concludeert Adorno tegen het einde van 'Negatieve dialectiek', want als ze zich te machtig waant gaat het mis.

Daarom denkt Adorno in een soort filosofisch judo mét Hegel tegen Hegel in. Diens dialectiek moet datgene leren onderkennen en eerbiedigen waarvoor ze geen plaats heeft. Want vanuit zichzelf is ze geneigd dat te beschouwen als een 'niets': iets dat niet mag of kan bestaan, en dus al snel onbestaand gemaakt wordt. Dat is het 'negatieve' van de dialectische ontwikkeling waarin de geest zichzelf door de geschiedenis heen steeds verder ontplooit.

Maar zijn Hegel, Marx of zelfs Hitler vandaag de dag nog wel onze grootste filosofische uitdagingen? Zijn wij, een halve eeuw na de oorspronkelijke publicatie van 'Negatieve dialectiek', al niet diep genoeg doordrongen van de gevaren en valkuilen van hun denken? Waarom zou je Adorno's boek nu nog lezen?

De bijna ondoordringbare grondigheid waarmee hij te werk gaat geeft daar een antwoord op.

Niet alleen deze denkers en ideologen lieten zich leiden door het verlangen de werkelijkheid tot in haar laatste uithoeken te verklaren en in de greep te krijgen. Dat is een behoefte van het denken zelf, waaraan iedere generatie opnieuw weerstand moet weten te bieden.

Vandaag de dag schuilt het gevaar daarvan wellicht in de neiging van de wetenschap zelf alles tot meetbaarheid te reduceren. Wanneer er van 'ons' niets anders over blijft dan 'ons brein', is er onderweg iets van onze menselijkheid verloren gegaan - zo zou je met Adorno kunnen zeggen. Dan is die menselijkheid een 'niets' geworden dat achteloos kan worden weggedacht.

Juist in de erkenning van dat 'niets' of 'nietswaardige' leert de Verlichtingstraditie tegen zichzelf in denken, opdat de hele werkelijkheid behouden blijft. Pas daarmee wordt ze een 'consequente Verlichting', zoals Adorno haar noemt, en heeft ze zich leren verzoenen met haar macht én haar onmacht. Pas dan ook kan zij mededogen leren krijgen met het lijden, de nacht en nevel in de geschiedenis.

Michel van Nieuwstadt heeft met de Nederlandse vertaling van dit hondsmoeilijke boek een ware heldendaad verricht - net als de uitgever die het boek op de markt durft te brengen.

Adorno is een weerbarstige denker, die het uiterste van de lezer vergt. Dat deed hij ook van zichzelf. Elke zin is bij hem een filosofische topprestatie, die minstens tweemaal gelezen moet worden. Bij wijze van visitekaartje schrijft hij in het begin van 'Negatieve dialectiek': "Wat laks gezegd wordt, is slecht gedacht."

Theodor W. Adorno: Negatieve dialectiek.

(Negative Dialektik)

Uit het Duits vertaald door Michel van Nieuwstadt.

Klement/Pelckmans, Zoetermeer; 504 blz. euro 47,50

Deel dit artikel