Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Techniek zet ethici buitenspel

Home

MARLI HUIJER

Gebruikers en ontwerpers van techniek denken zelf wel na over de goede en kwade kanten ervan. Laat de ethici hun werk maar in stille studeerkamers doen.

In Engeland zijn er psychiatrische behandelcentra waar ICT'ers onderdeel zijn van het behandelteam. Samen met jongeren die aanleg hebben voor psychose ontwikkelen ze op de persoon afgestemde applicaties voor de smartphone, die de jongeren inzicht geven in hun functioneren.

De app, die MiniMe heet, werkt als een stoplicht: groen is oké, oranje is oppassen en rood is foute boel. Als het oranje wordt, gaat er een sms naar vrienden of naasten die door de jongeren zelf zijn aangewezen, en naar de behandelaars.

Het is een voorbeeld van een op de persoon toegesneden technologie die de verantwoordelijkheid voor het psychische welbevinden grotendeels bij de persoon laat, maar dan wel op zo'n manier dat hij er niet alleen voorstaat. De techniek helpt om de zelfdiscipline die nodig is te ondersteunen, of deze op sommige momenten zelfs geheel uit handen te geven.

Ethici zijn geen onderdeel van dit proces. Dat is ook niet nodig, in het gesprek tussen jongeren, hun vrienden, de behandelaars en techniekontwerpers wordt met elkaar besloten wat voor deze persoon de beste manier is om met het risico om te gaan.

Dat ethici en filosofen buitenspel staan in het gesprek over hoe technologie kan bijdragen aan een goed leven, is te danken aan het succes waarmee ze hun inzichten aan de man of vrouw hebben weten te brengen. Toen wetenschapsfilosoof Bruno Latour in de jaren tachtig aantoonde dat mens en techniek niet los van elkaar bestaan, sterker nog dat ze geheel verweven zijn, was dat een revolutionaire gedachte.

Maar intussen is die gedachte gemeengoed geworden, zowel onder politici, ICT'ers en bestuurders als onder brede lagen van de bevolking. We zien de smartphone als iets dat bij ons hoort, dat deel uitmaakt van wie we zijn. En als gebruikers weten we steeds vaker de weg te vinden naar applicaties waarmee we het leven naar eigen goeddunken kunnen inrichten.

De moraal - ik bedoel de bedachte, van techniek en andere invloeden onafhankelijke factor die ons handelen leidt - is ten dode opgeschreven door dit succes van de techniekfilosofen.

Dat is de stelling zoals verwoord in de bundel 'Moralicide'. Ik vind dus niet, zoals Hans Achterhuis mij verwijt, dat de techniek de moraal om zeep helpt. Nee, het zijn de techniekfilosofen zelf die het einde van de moraal zoals we die kenden inluiden. Juist zij laten overtuigend zien dat er geen moraal is buiten de techniek: er is geen morele vrijplaats, vanwaar we alles kunnen overzien en ons buiten de techniek om een oordeel kunnen vormen over techniek.

En juist techniekfilosofen zeggen dat ons denken over goed en kwaad verandert onder invloed van technische ontwikkelingen: twintig jaar geleden konden we ons niet voorstellen dat we aan de mobiele telefoon zouden gaan, nu kunnen we haast niet meer zonder.

Moraal en techniek zijn verweven. Wat is dan nog de taak van ethici? Wie zijn zij, dat ze daar beter over zouden kunnen oordelen dan gebruikers of ontwerpers? Ook ethici zijn een mengsel van mens en techniek, en ook zij kunnen niet los van techniek tot een oordeel komen. De autorijdende ethicus zal anders denken over een auto die zelf remt dan de treinende ethicus. De filosoof (of burgemeester) die actief is op sociale media zal de voordelen en risico's van Facebook anders inschatten dan de filosoof die de sociale media schuwt.

Is de rol van ethici niet uitgespeeld nu de verwevenheid van mens en techniek wijd en zijd erkenning krijgt? Achterhuis meent van niet. "De techniek heeft de ethiek gered en bevorderd", schrijft hij. Ik vermoed dat hij zich beroept op de Amerikaanse filosoof Stephen Toulmin. In een beroemd geworden artikel 'How medicine saved the life of ethics' (1982) beschrijft hij hoe de geneeskunde door haar focus op specifieke gevallen (morele dilemma's in de medische praktijk) de ethiek uit het slop trok. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd de ethiek beheerst door een interne strijd over de hoogste ethische principes. Dankzij de geneeskunde maakte die strijd plaats voor een toegepaste ethiek, waarin per situatie in gesprek met artsen en patiënten naar praktische oplossingen werd gezocht.

Achterhuis vat die redding ietsje anders op: de techniek zou tot zoveel dilemma's hebben geleid dat er weer volop werk voor ethici is. Dat lijkt me geen terechte conclusie, vooral niet omdat techniek aan gebruikers tegenwoordig een veelheid aan morele opties biedt waar ze zelf een keuze uit kunnen maken. En andersom, gebruikers leggen hun dilemma's aan technici voor om samen met hen naar slimme oplossingen te zoeken. Gebruikers hebben zoveel meer mogelijkheden gekregen om invloed uit te oefenen op het ontwerp en gebruik van techniek, dat ethici daar niet meer tussen hoeven te zitten. Het idee dat ethici het ontwerp van techniek zouden moeten begeleiden, zoals Steven Dorrestein in het door Achterhuis aangehaalde proefschrift bepleit, is achterhaald. Ethici hebben geen moreel monopolie op begrippen als 'het goede leven', 'privacy' of 'vrijheid'.

Nu voor iedereen duidelijk wordt dat mens en techniek door en door met elkaar verweven zijn, is de relatie tussen gebruiker en apparaat te vergelijken met die tussen vrienden of geliefden - een metafoor die van Tsjalling Swierstra komt. Mens en techniek veranderen elkaar voortdurend, ze zijn samen op zoek naar wat een goed of aangenaam leven is, en maken daarbij gebruik van morele, politieke en sociale noties die in de cultuur aanwezig zijn. Wetenschaps- en techniekfilosofen kunnen de relatie tussen mens en techniek kritisch bestuderen, ze kunnen laten zien welke morele vragen aan de orde zijn, hoe het morele denken en handelen veranderen onder invloed van techniek, en andersom hoe techniek verandert onder invloed van wat we goed of slecht vinden - maar dat alles liever zonder zich als ethicus te mengen in de relatie tussen gebruiker, ontwerper en product.

Achterhuis heeft gelijk dat 'moralisering van apparaten' ongelukkig gekozen is. 'Uitbesteden' van moraal is een term die beter past: we besteden de duurzaamheid van ons gedrag uit aan zuinige douchekoppen en wc's, we besteden de verkeersveiligheid uit aan veiligheidsgordels en verkeersdrempels, en we besteden ons psychisch of lichamelijk welzijn steeds vaker uit aan apps die we downloaden op de smartphone.

Die uitbesteding wordt een zaak van gebruikers en ontwerpers, die samen onderzoeken wat iemand nodig heeft om een goed leven te leiden en hoe dat kan worden vertaald in apps of apparaten. De ethicus kan tevreden terug naar de studeerkamer.

Deel dit artikel