Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Taha en de lachende koe

Home

Jan Jaap de Ruiter

Wie zijn de jongeren op het Tahrirplein en wat bezielt de Egyptische machthebbers? Arabist Jan Jaap de Ruiter vindt het antwoord in het werk van Alaa al Aswani. „Egypte beweegt, de president blijft staan.”

Met een vriendin ging ik naar de bioscoop in Caïro – het was 1981, ik studeerde er Arabisch. Die avond stond er géén vrouwenrij, wel een mannenrij voor het loket. Mijn hoogblonde Friese vriendin wist er wel raad mee: mannen maken immers ruimte voor vrouwen en laten hen voor, zo oreerde ze, en ze drong naar de kassa. Even later kwam ze huilend naar buiten. Ze had de kaartjes, zeker, maar ze was ook van alle kanten beknepen en betast. Een man kwam op ons af duwde mij een kartonnen briefje in de hand. Animals, stond erop. Hij vertelde dat hij zich schaamde voor zijn landgenoten. „Maar wat wil je, ze zijn ongetemde dieren.”

Dertig jaar later herinner ik me het typerende voorval. En natuurlijk de repressie, gevoegd bij een enorme controle. Onder ons, buitenlanders, deed de grap de ronde dat als je vandaag iets onoorbaars doet, het dezelfde dag nog bekend is in Alexandrië in het noorden en Assoean in het zuiden en dat je het verhaal de volgende dag terugkrijgt in Caïro waar je het hoort van een vriend die je zelf al twee dagen niet hebt gesproken. Egyptenaren, ze zijn zo vriendelijk, zo lief, zo overweldigend, zo onderdanig en tegelijkertijd zo mateloos irritant, soms zelfs bedreigend en verschrikkelijk arrogant. Ze vormen een grote massa – dieren? – die zich werkelijk alles laat gezeggen door een kleine groep die zich bedient van de gewelddadigste methodes om zijn zin te krijgen en die massa eronder te houden.

Egypte’s grootste schrijver, de Caïroot Alaa al Aswani, geeft aan die realiteit schitterend vorm. Aswani (1958) is in het dagelijks leven tandarts en krijgt zodoende vrijwel de hele Egyptische samenleving in zijn stoel. Daar hoorde hij de verhalen die zich buiten op straat afspelen. Die vond hij zo opwindend dat hij na het werk de straat opging.

Aswani schildert een veelkleurig palet: dramatisch, tragisch, humoristisch maar toch vooral uitzichtloos. De grote massa die schijnbaar willoos is en de elite die met een ongekende botheid en arrogantie zijn eigen welzijn nastreeft en daarin over lijken gaat, echte lijken.

In de roman ’Chicago’ (2006) doet de Egyptische president, wiens naam in dit boek nooit genoemd wordt, de Egyptische gemeenschap in Chicago aan. Tegenover het consulaat is een demonstratie tegen de president aan de gang. De dienstdoende kolonel Moenawie, behorend tot de presidentiële garde, vraagt de Amerikanen toestemming de demonstratie uiteen te jagen. Maar tot zijn ontsteltenis wordt hem toegevoegd: „De Amerikaanse wet verbiedt het uiteendrijven van demonstraties.” De kolonel zwijgt, want hij herinnert zich een uitspraak van de president: „De machthebber die het Amerikaanse gezag uitdaagt is als een gek die zijn hoofd in de bek van een leeuw legt.” Waarvan acte. Even later komt de president dan aan. Maar, aldus Aswani, hij is niet echt. „Zijn ravenzwart geverfde haar, dat geheel of gedeeltelijk uit een haarstuk bestond, de door cosmetische operaties opgerekte huid, de substantiële laag make-up op zijn gezicht.”

En dan wreekt zich ook nog eens het feit dat de man de zeventig ruim is gepasseerd. „Toen hij uit de auto stapte, wendde hij zich tot de betogers en begroette hen wuivend. Toen daarop hun kreten die tot zijn val opriepen opklonken, begreep hij hoe de zaken er voor stonden en draaide hij zich om.” Eenmaal binnen wordt een foto gemaakt van de lachende president, in Egypte vaak de Arabische equivalent van La Vache qui Rit genoemd – als je zijn foto ziet begrijp je waarom – en vraagt de dienstdoende fotograaf hem: „Excellentie, u staat buiten beeld. Beweegt u zich alstublieft een beetje naar rechts”, om vervolgens volkomen onverwachts tegen de grond geslagen te worden door de chef de protocol: „Jij vraagt de president zich te bewegen, ezel, hondenzoon. Egypte beweegt, maar de president blijft staan waar hij staat.”

Zo was de realiteit van het Egyptische regime: Moebarak is de stilstaande Poolster en het volk draait om hem heen.

Aswani’s eerdere roman ’Het Yacoubian’ (2002) gaat over de portierszoon Taha Shadhlie, een jongen die het in zijn hoofd krijgt om naar de politieacademie te gaan. Hij had de bureaucratische aanmeldprocedure doorlopen, maar wordt na het verschijnen voor de commissie afgewezen – alleen maar omdat hij gedwongen was die ene vraag te beantwoorden: „Wat voor beroep heeft jouw vader, Taha?” Hij antwoordde: ’Ambtenaar’. Hij had honderd pond smeergeld betaald aan de verbindingsofficier om dat zo in te vullen. De kolonel keek nog eens in de papieren en vroeg hem: ’Ambtenaar of portier?’.”

De portierszoon krijgt kort na zijn leugentje een schriftelijke afwijzing. Daarop schrijft de jonge Taha een hartverscheurende brief aan de president. „Ik verzoek u, Mijnheer de President, deze klacht te bekijken met het oog van een liefhebbende vader die niet zou willen dat wat voor vorm van onrecht dan ook ooit zijn kinderen zou worden aangedaan. Mijn toekomst hangt af van de beslissing die Uwe Excellentie zal nemen.”

Het antwoord volgt snel: „Na bestudering van het dossier is ons niets gebleken dat uw klacht ondersteunt. Namens het Bureau van de President van de Republiek, Directeur van de Dienst Klachten.”

Zo bewoog Taha om de president maar de president bewoog niet. En het zou nog erger worden. Taha voegt zich, gefrustreerd als hij is, bij de moslimfundamentalisten en doet mee met demonstraties tegen de Irak- en Israëlpolitiek van de president. Hij maakt affiches, maar wordt al snel van zijn bed gelicht. Zo maakt hij weer kennis met de entourage van de president. Het volgende scenario wordt hem voorgesteld in de gevangenis: „Weet je, de soldaten hebben er een plezier in je tot de avond te slaan. Daarna gaan ze naar huis, eten en slapen en dan komen er weer andere soldaten die je tot de ochtend slaan en in de ochtend komen dan weer die eerste soldaten. Mocht je doodgaan door de mishandelingen, dan begraven we je waar je nu staat. Voor ons ben je niets, Taha. Wij zijn de regering.’’

In de periode dat Taha zich nog niet tot de fundamentalistische islam had bekend, was Boethaina zijn vriendinnetje. Ze woonde net als hij in het Yacoubiangebouw – en had óók geen werk. Gelukkig zocht meneer Talaal, eigenaar van een keten modezaken, nog een verkoopster. Ze maken kennis. „Talaal schudde de hand van Boethaina, en terwijl hij met haar sprak, wendde hij zijn ogen niet van haar borst en lichaam af. Een aantal minuten later begon Boethaina aan haar nieuwe baan.” Al snel begonnen de avances van meneer Talaal. ’Het andere onderwerp’, zoals de door de wol geverfde verkoopster Fifi het noemde, stond nu op de agenda. Boethaina die naast haar karige loon slechts een half procent van elk verkocht artikel kreeg, was de woorden van haar moeder indachtig: „Je broer heeft elke piaster nodig die je verdient en een slim meisje weet heus wel hoe ze haar eerbaarheid en haar werk moet behouden.” Dan volgt een smakeloos tafereel in het magazijn van de winkel, dat nog geen twee minuten duurt. „Hij had haar rok bevuild en hij fluisterde haar nog nahijgend toe: ’Het toilet is aan het einde van de gang rechts.’ Twintig pond had ze met hem voor deze dienst afgesproken maar: ’Nee. Tien pond is genoeg. Kom achter me aan de winkel in zodra je rok droog is’.”

In de nog te verschijnen roman ’Vriendelijk Vuur’ zegt de volstrekt verbitterde Isam Abdelati, jonge klerk op een overheidsinstelling, tegen een Duitse toeriste: „Ik bevestigde haar het feit dat Egypte een dood land was. Dat beschavingen wezens zijn als alle andere wezens, die de fasen van het leven doormaken, kind zijn, jeugd, adolescentie om vervolgens oud en bejaard te worden en te sterven. En onze beschaving was al honderden jaren geleden overleden. Er was geen enkele hoop meer op herstel. Ik zei haar dat Egyptenaren de mentaliteit hebben van meesters en slaven en dat ze geen andere taal kennen dan de taal van de stok en ik vertelde haar het verhaal van de middeleeuwse dichter Al Moetanabbie, dat hij naar Egypte kwam en ik vertaalde haar het vers dat hij daar schreef:

Koop geen slaaf zonder stok.

Slaven! Smerig zijn ze en humeurig.”

Taha Shadlie, Boethaina en Isam Abdelati zijn de jongeren die we de afgelopen weken op de pleinen en straten van Caïro en elders hebben gezien – met een goede opleiding, een goede moraal en verlangens die niet hemelbestormend zijn: werk, trouwen, een bevredigend leven leiden. Maar het lukt ze niet. Gefrustreerd zoekt de een zijn heil in het extreme beleven van het geloof, de ander prostitueert zich en een derde trekt zich bitter en cynisch in zijn eigen schulp terug.

Even treffend als het portret van deze jongeren is Aswani’s schets van de corrupte, niets ontziende machthebbers. Zijn werk is een bevestiging van de indrukken die je krijgt als je de gebeurtenissen in Egypte gevolgd hebt, de tweets, blogs, facebookpagina’s van de Egyptische jongeren gezien hebt, en de reacties van de macht, soms toegeeflijk en dan onverwacht uiterst gewelddadig. De beelden zitten vol van kolonel Moenawi’s, Taha Shadhlies – en de lachende koe zelf.

Toch zal Aswani aan zijn toekomstige werk een nieuwe dimensie kunnen toevoegen: die van het doorbreken van die volkomen verroeste samenleving. Van een president die zich moet gaan voegen naar de nieuwe kaders van een foto – in dit geval een webpagina, die immer in beweging is en van karakter verandert. De nieuwe digitale werkelijkheid is zonder twijfel een van de katalysatoren van de revolutie geweest en een nieuw bewind kan het zich niet meer permitteren zo bot en grof met de noden van het volk om te gaan als Moebarak dat deed. De virtuele wereld kijkt over de hele wereld mee en die schakel je misschien wel een dagje uit maar niet voor altijd. De uitzichtloosheid lijkt doorbroken. Al zal er nog heel wat water door de Nijl moeten stromen eer alle 80 miljoen Egyptenaren het geluk vinden. En tot die tijd blijft Aswani mensen met verhalen in zijn tandartsstoel ontvangen.

Lees verder na de advertentie
(Trouw) © AFP

Deel dit artikel