Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Systematisch vóór Linneaus

Home

SYBE I. RISPENS

Nog voordat de grote systematische indelingen van de natuur zoals die van de Zweedse bioloog Carl Linneaus in de achttiende eeuw werden ontworpen, legde een vrouw vrijwel in haar eentje een fundament voor de moderne entomologie, de insectenkunde. Maria Sybilla Merian bestudeerde vlinders in Friesland en bracht de exotische insectenwereld van Suriname in kaart. Vandaag is het 350 jaar geleden dat zij werd geboren. Schilderingen uit het 'Nieuwe Bloemenboek' en 'Metamorphosis insectorum Surinamensium' maken deel uit van de tentoonstelling over tsaar Peter de Grote in het Amsterdams Historisch Museum, Nieuwezijds Voorburgwal 359. Ze zijn daar nog tot en met 13 april te zien.

Driehonderd jaar geleden valt het niet mee om systematisch insecten te observeren. Dwars tegen de eeuwenlange tradities van bijgeloof in ontpopt Maria Sybilla Merian zich als een van de eerste modern-wetenschappelijke insectendeskundigen. Ze loopt daarbij steeds kans haar leven op de brandstapel te eindigen. Per slot van rekening wordt de laatste Europese heks pas een eeuw later gelyncht.

Kasten vol rupsen, poppen en vlinders heeft Maria Sybilla (1647-1717) verzameld, voordat in 1679 haar boek Over de wonderbare verandering van rupsen en hun merkwaardig plantaardig voedsel verschijnt. Anders dan de entomologische leerboeken van haar tijd, waarin insecten geïsoleerd staan afgebeeld, concentreert ze zich op de levenscycli van het kruipend gedierte; de veranderingen van ei naar rups en zo via pop naar vlinder. Zijn dit mysterieuze metamorfosen, sprongsgewijze gedaanteveranderingen van het ene in het andere dier? Of zit in een rups al meteen de hele volwassen vlinder als een soort veerwerkje opgevouwen?

Met de pas uitgevonden microscoop in de hand houden de Nederlandse natuurwetenschappers Jan Swammerdam en Antonie van Leeuwenhoek het erop dat het laatste het geval is. Maria Sybilla gelooft daar niets van. Haar waarneming van de gedaanteverwisselingen, neergelegd in natuurgetrouwe afbeeldingen van rupsen en vlinders en de planten waarop ze leven, laat iets anders zien. De mysterieuze metamorfosen in het leven van insecten zijn met deze verbinding tussen voedsel en verandering, voor het eerst als biologisch groeiproces vastgelegd.

Bij het tekenen van insecten maakt Maria Sybilla Merian volop gebruik van haar uitzonderlijk talent. Opgegroeid in een beroemde Duitse schildersfamilie krijgt ze het handwerk van de kunstenaar met de paplepel ingegoten. In de door haarzelf opgerichte schilderschool in Neurenberg, de geboortestad van haar man, houdt ze zich voornamelijk bezig met het schilderen van bloemen.

De tulpenkoorts, de grote voorliefde voor het tekenen van bloemen en planten, was uit Nederland komen overwaaien. Maria Sybilla's bloemschilderingen verschijnen in de drukkerij van haar man als Nieuw Bloemenboek, in drie delen. Ook begint ze een eigen handeltje met zelfgemaakte plantaardige en dierlijke verven en ontwikkelt ze een nieuwe methode voor het kleuren van stoffen. Met het zo verdiende geld financiert ze haar steeds groter wordende passie voor het onderzoeken van insecten. De liefde voor de kleine diertjes is groter dan die voor haar man, en na twintig jaar huwelijk verlaat ze hem.

Samen met haar moeder en twee dochters reist ze in 1685 van Zuid-Duitsland naar Noord-Nederland. Daar treedt ze toe tot de orde van de Labadisten, een streng calvinistische geloofsgemeenschap die vlak bij het dorpje Wieuwerd - in de buurt van Sneek - is neergestreken. In de rust en ruimte van het Friese platteland wijdt Maria Sybilla zich gedisciplineerd aan haar onderzoek. Ze gaat verder met het verzamelen van rupsen en vlinders en raakt ook gefascineerd door het raadselachtige ontstaan van kikkers.

Al vrij snel na aankomst in Wieuwerd ontwikkelt ze een systeem waarmee ze haar onderzoeksgegevens beter kan vastleggen: op stukjes perkament schildert ze aquarellen die het midden houden tussen een vluchtige schets en een duurzame kopergravure. Bij elke afbeelding maakt ze notities over gedane waarnemingen. Zo ontstaat al snel een omvangrijk entomologisch archief.

Na vijf jaar ascese en onderzoek in Friesland verhuist Maria Sybilla naar Amsterdam, het bloeiende handelscentrum van Europa. Daar wordt ze met open armen ontvangen door natuurwetenschappers en verzamelaars. Weliswaar is haar als vrouw de toegang tot de anatomische lessen van hoogleraar Fredericus Ruysch en andere doktoren in de medicijnen verboden, maar ze mag wel in de pas opgerichte botanische tuin, de Hortus Botanicus.

Ook kan ze ongestoord de privé-verzameling anatomische preparaten en andere in sterk water geconserveerde rariteiten van Ruysch bezichtigen. Helemaal enthousiast raakt ze van de verzameling van de Amsterdamse burgemeester Nicolas Witsen. Witsen, voorzitter van de Oost-Indische Compagnie, heeft zich planten en insecten vanuit de hele wereld laten toesturen. Over de verzameling exotische insecten schrijft Merian: “Ik zag met grote verwondering wat voor mooie dieren men uit Oost- en West-Indië laat aanvoeren.”

Tegelijkertijd mist ze iets in de verzamelingen insecten: hun oorsprong, voortplanting en gedaanteverwisselingen. De exemplaren zijn aparte stadia, op een naald geprikt. Ze zijn uit hun natuurlijke omgeving losgerukt en worden niet in de verschillende fasen van hun leven getoond. Het zet Maria Sybilla ertoe aan om zelf een “grote en dure reis” te ondernemen, om zelf naar Suriname te gaan. Witsen kan hoog en laag springen, de entomologe is vastbesloten om met haar expeditie te beginnen.

In de zomer van 1699 scheept ze zich samen met een van haar dochters in voor de reis, iets wat niet alleen bij Witsen op groot onbegrip stuit. Per slot van rekening reizen eerbare vrouwen alleen naar de Nederlandse koloniën als echtgenoot of als dienstbode. Met haar 52 jaar is Maria Sybilla, gerekend naar de levensverwachting van die tijd, al een oude vrouw. Ze overleeft de lange en uitputtende reis, en maakt daarna - honderd jaar voordat de Duitse geleerde Alexander von Humboldt zijn expedities naar Zuid-Amerika aanvangt - een begin met het systematisch vastleggen van de exotische insectenwereld van de Nieuwe Wereld.

De Nederlandse autoriteiten in Suriname benaderen moeder en dochter Merian argwanend. Maria Sybilla is in van alles geïnteresseerd, behalve in suiker. En suiker is in de zeventiende eeuw het enige exportproduct, zelfs de rekeneenheid, van Suriname. De bijna sprookjesachtige insectenwereld die ze in de kolonie ontdekt, kan het echter met gemak opnemen tegen wat voor moderne suikerplantage dan ook. Geplaagd door hitte, wilde bijen en steekmuggen, gaat ze meteen aan het werk. Vanuit een noordelijk van Paramaribo gelegen plantage verkent ze de binnenlanden. De excursies leveren een veelvoud aan aantekeningen, aquarellen, geprepareerde vlinders, gedroogde planten, en in de brandewijn gelegde insecten op.

Haar aantekeningen getuigen van een onvermoeibare onderzoeksgeest. Bij de op deze pagina getoonde afbeelding schrijft ze: Deze groote en heerlyke vrucht, word Pompelmoes in Surinaame genaamt. De boomen wassen zo hoog als appelboomen. Hier op onthouden sich groene Rupse, met blauwe hoofden welkers lichaam vol lange hairen zit, die zo hard als eyserdraat zyn, deze eeten de groene bladen tot hare spyse, den derden Augusti hebben sy sig beginnen vast te maken, zyn tot bruine gevlakte Poppetjes geworden, uit de welke den 19. zulke schoone Capellen (vlinders) voort kwamen, swart, groen, blauw en wit van verve, blinkende als gout en zilver, sy vliegen zeer ras en hoog, alzo dat sy niet wel anders als uit Rupsen onbeschadigt te krygen zyn.

De uitvoerige aantekeningen die Maria Sybilla maakt, beperken zich niet alleen tot de insectenwereld. Ze heeft ook een scherp oog voor de sociale misstanden van de slavernij. In een van haar notities maakt ze er melding van met welk kruidenmengsel de als slaven gehouden vrouwen hun kinderen aborteren, zodat die niet de brutaliteiten van de Nederlanders hoeven te doorstaan.

In 1701, na twee jaar door de Surinaamse oerwouden te hebben getrokken, wordt Merian getroffen door malaria. Ze moet voortijdig terugkeren naar Amsterdam. Kort na haar terugkomst verschijnt haar levenswerk: Metamorphosis insectorum Surinamensium: Ofte Verandering der Surinaamsche Insecten. Het is het eerste natuurwetenschappelijke boek over de insectenwereld van de tropische regenwouden. Zowel kunstliefhebbers als natuurwetenschappers schatten het werk hoog in, en de maakster ervan raakt tot ver over de Nederlandse grenzen bekend.

De Russische tsaar Peter de Grote koopt tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in 1717, kort voor de dood van Maria Sybilla, een groot deel van haar boeken en schilderijen. De werken zijn ook nu nog het belangrijkste bestanddeel van de Merian-verzameling in Sint Petersburg. Een boek over de zoölogie van Suriname, met daarin natuurgetrouwe afbeeldingen van apen en andere regenwoudbewoners, heeft Maria Sybilla nooit meer afgekregen.

Vanavond zijn er in de Koningszaal van Artis, Plantage Middenlaan 41A, Amsterdam, voordrachten over Maria Sibylla Merian. Aanvang: 20.00 uur. Na afloop is er gelegenheid om haar werk in de Artis Bibliotheek te bezichtigen.

Deel dit artikel