Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Straatjochies op kookcursus

Home

Rob Pietersen

De maatschappij kotst hun zonen uit, de politiek wil zich steeds nadrukkelijker achter de voordeur met de opvoeding gaan bemoeien. Veel Marokkaanse moeders voelen zich gevangenen tussen twee culturen.

  • Het probleem is juist dat ze te weinig Marokkaans zijn
  • En waarom wordt alles nog lastiger als ze met die derde - de straatcultuur - te maken krijgen?

    Ze verontschuldigt zich voor het kabaal van de jongens. Grote mond, klein hartje. Het lijkt misschien op adhd, maar het is onzekerheid, stoerdoenerij, mannetjesgedrag. Vroegrijpe hormonen die door de kelen naar buiten gieren.

    „Het lukt ons met tien man door elkaar te praten en elkaar toch te begrijpen. Zo zijn wij”, zegt Fatouch Chanaat van de Utrechtse vrouwenorganisatie Al-Amal. „Dit is onze natuur”, zegt ze nog eens, wijzend naar die drukke baasjes.

    Al-Amal is Arabisch voor ’hoop’. De hoop dat de positie van de Marokkaanse vrouw in de Nederlandse samenleving verbetert. Doorgaans richt de in 2000 opgerichte stichting zich dus alleen op vrouwen, ’de motoren van de gezinnen’. Goedwillende motoren van minder goed geoliede gezinnen.

    Maar de achterstandswijken Overvecht en Kanaleneiland verzuipen onder de overlast van steeds jonger, steeds vervelender wordende jochies. Daarom ontwikkelde Al-Amal een project waar met moeders en hun zoontjes parallel aan elkaar wordt gewerkt. Waar heel af en toe iets samen wordt gedaan om de band te herstellen of te verstevigen, om elkaar weer wat beter te begrijpen.

    Het project van moeders heet Opvoeden tussen twee Culturen. Ze krijgen tips over opvoeden en onderwijs, over straffen en belonen, over criminaliteit, over normen en waarden. Dat alles wordt steeds afgewisseld met ontspanningsbijeenkomsten: „Zodat de moeders bij kunnen tanken en weer fris de kinderen op kunnen voeden. Moeders in een probleemgezin hebben erg veel zorgen aan hun hoofd en het is goed soms te ontspannen.”

    Bij de jongens (8 tot 12 jaar) wordt sport en spel gebruikt om normen en waarden bij te brengen. Hoe ga je om met teleurstelling? Hoe zeg je ’nee’ als vriendjes een fiets willen stelen?

    Binnenkort staan ze samen met hun moeders in de keuken om gezamenlijk te koken. Vandaag doen ze in het honk van speeltuin De Gagel in het Utrechtse Overvecht vast wat vingeroefeningen. Ze gaan Marokkaanse pannenkoeken maken voor buurtbewoners in het bejaardenhuis. „Om de kloof tussen klierige Marokkaanse jongens en Nederlandse ouderen te verkleinen.”

    De huisregels van de speeltuin liggen op tafel: 1. niet vechten, 2. respect voor de juf, 3. netjes omgaan met spullen, 4. stil zijn als de ander praat, 5. aardig zijn voor de ander, 6. gewoon doen, dan ben je cool.

    Het abc van deze cursus is abracadabra voor deze jongens. En wie heeft er tijd om de huisregels te lezen als je kunt rennen en ravotten, kunt gooien en smijten?

    In al dat rumoer blijft Chanaat de rust zelve. Een kwestie van gewenning. Het is een deel van het probleem, zegt ze. Autochtone Nederlanders zijn bijna Brits in hun ogen. Stijfjes, stil. Madame Tussauds op straat. „Dat mediterrane van ons, daar ergeren mensen zich aan. Op straat, bij het winkelcentrum. Het maakt dat we nadrukkelijk aanwezig zijn.”

    „Volwassenen begrijpen dat het opvalt dat we veel luidruchtiger, levendiger en energieker zijn. Die passen zich aan. Maar kinderen houden dat springerige.”

    Het leidt tot onbegrip, afkeer, angst. Tot ouderen die niet meer over straat durven, tot winkelcentra die worden gemeden. Zo worden jongens die op straat rondhangen hangjongeren. En zo werden hangjongeren synoniem voor boefjes, of nog erger.

    „Binnenshuis kunnen de ouders corrigeren”, vervolgt Chanaat. „In tachtig procent van de gevallen luisteren Marokkaanse kinderen naar hun ouders. Thuis zoeken ze de grenzen niet op. Anders wordt daar de sfeer niet leuker en daar hebben ze dan zichzelf mee. Maar buitenshuis hebben ze het idee dat de samenleving grenzenloos is. Ze kijken hoever ze kunnen gaan bij de buurman of de meester. Ze kicken op de afkeurende reacties.”

    Zelfs die jochies van de kookcursus. Ze halen hun schouders op als ze bestraffend worden toegesproken. Toch krijgt Chanaat ze, als ze genoeg hebben gedold, in de keuken. Boven de pan. En dan ontdooien ze als ze complimentjes krijgen. „Als je altijd met de nek wordt aangekeken, ga je je vanzelf anders gedragen”, verklaart Chanaat.

    Ze zijn nog erger dan hun oudere broertjes, verzuchtten jongerenwerkers en wijkagenten. Er valt geen land met ze te bezeilen, ze zijn niet aanspreekbaar.

    „De sociale controle is weg”, zegt Chanaat. „Al twintig jaar. We willen nu ineens allemaal terug naar die goeie ouwe tijd, maar die komt niet zomaar ineens terug. Ik zou het ook niet accepteren als de buurman ineens weer denkt mijn dochter te moeten corrigeren. Maar begrijp me niet verkeerd: ik vind het prima als we elkaar weer een beetje in de gaten gaan houden en elkaar aanspreken als er ergernisjes zijn. Ik wil mijn vijfjarige dochter daar nu best aan laten wennen. Als ze dan tien jaar is, is het weer heel gewoon.”

    Ook Marokkaanse moeders willen het beste voor hun kinderen, zegt ze. „De moeders die hier komen, willen iets leren. Die zien ook dat het niet altijd even goed gaat met hun kinderen. Die horen ook dat iedereen zich zorgen maakt over overlast gevende kinderen.”

    Maar de moeders weten niet wat ze fout doen. Ze twijfelen verschrikkelijk en zien soms geen uitweg. Ze wijten het aan het feit dat de Nederlandse cultuur zo ver van hun cultuur en religie staat. Chanaat: „Maar dát is het grootste misverstand. De islamitische opvoeding staat namelijk heel dichtbij de normen en waarden hier in het westen.”

    „Families worden heen en weer geslingerd tussen islamitische opvoeding en hun Marokkaanse cultuur die niet zo goed aansluit op de Nederlandse samenleving. Ouders hebben het idee dat iedereen over hun schouders meekijkt, ze hebben last van de groepsdruk en de controle. Er heerst dat idee dat je de eer moet hooghouden, dat je de rest van de familie niet te schande moet maken.”

    „Volgens de islamitische cultuur moet je je eigen lasten dragen, is Allah de enige die controleert. Volgens de islam moet je goed voor je buurman zijn: ook als hij Nederlands of joods is. Het individu staat centraal: je moet kennis opzoeken, je ontwikkelen, zelfstandig worden. In Marokkaanse huishoudens worden religie en cultuur vermengd. En dat leidt tot één en al verwarring.”

    „Bij ons is de islam soms een invalshoek. Als je van ouders hoort dat hun dochter niet mag studeren, kun je aangeven dat volgens onze godsdienst alle mensen, ook vrouwen dus, verplicht zijn kennis te zoeken. Het is jammer dat de meeste imams, met hun kennis en status, dit soort opvoedadviezen niet geven.”

    De pannenkoeken zijn gebakken. Vijf van de tien jongens mogen op deze woensdagmiddag mee naar de oude overburen. De anderen zijn volgende week aan de beurt, als er pizza wordt gemaakt. „Maken we ze dan voor de politie?”, vraagt Bilen. „Dan ga ik er in tuffen.”

    Het bezoek aan de oude Utrechters is gezellig, ze vinden de pannenkoeken lekker. Straatschoffies gedragen zich als schoothondjes. Ze maken reclame voor Chanaat, voor Al-Amal, voor zich zelf. „We hebben nog geen reclame gemaakt, maar wel al een flinke wachtlijst.”

    Jeugdarts Ben Rensen is al bijna dertig jaar werkzaam in Utrechtse probleemwijken en heeft al heel wat projecten voorbij zien komen. „Het goede van Al-Amal is, dat het vanuit de doelgroep zelf komt, dat het geworteld is in de wijk, dat ouders erbij betrokken worden en dat het past binnen het netwerk en de cultuur. Samen dingen doen, in plaats van alleen maar praten.” Rensen zegt dat voor een succesvol project wederzijds vertrouwen nodig is. „Te veel projecten bestaan te kort,” aldus de jeugdarts.

    „Soms verwijzen we vrouwen door naar de GGD, de kinderarts of de wijkagent, soms hebben we zelf genoeg kennis in huis. Maar soms sturen we ze ook naar de imam”, zegt Chanaat. „Dat is onze meerwaarde. Wij bereiken het gezin, maar niet met de arrogantie dat we met kant-en-klare oplossingen komen.”

    „Bij instanties als de GGD denken ze dat ze problemen achter de voordeur wel kennen. Maar er is een groep die niet naar de opvoedingscursus van de GGD gaat: veel te hoogdrempelig. Bij ons stappen ze veel makkelijker binnen. Als één vrouw de weg naar ons heeft gevonden, komt de hele flat. Wij leren die moeders dat ze vóór hun kind moeten gaan staan. Niet er achteraan lopen.”

    „De moeders die hier komen zijn zo leergierig. Ze smeken om informatie. Zestig tot tachtig procent is echt bezig het beter te doen. Natuurlijk zijn er problemen op school door moeizame communicatie. Het draait allemaal om verwachtingen. Verwachtingen van leraren én verwachtingen van ouders. In Marokko kun je de meester vragen strenger tegen je kind op te treden.”

    „De omgeving van het Marokkaanse gezin werkt soms demotiverend. Als je het gevoel hebt dat je er alles aan hebt gedaan, maar ziet dat je kind geen stageplek krijgt bijvoorbeeld. Wij proberen ze altijd op de positieve voorbeelden te wijzen.”

    Wanneer wordt een Marokkaan een succesverhaal? Chanaat heeft het over vier componenten die moeten kloppen: de wijk waarin je woont, je school, de beheersing van de taal en de sociale klasse. Als één van de vier niet klopt, wordt het volgens haar moeilijk. „Als ik morgen mijn baan kwijtraak en daardoor mijn inkomen, valt ik ook twee-drie treetjes naar beneden. Het is dus allesbehalve alleen een opvoedprobleem.”

    Deel dit artikel