Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Stoelriemen vast! Reinhard Goebel legt uit waarom hij zijn Musica Antiqua Köln opdoekt.

Home

door Anthony Fiumara

Vanavond vindt in de grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw het allerlaatste Nederlandse optreden plaats van Musica Antiqua Köln (MAK). Artistiek leider Reinhard Goebel (1952), de Duitse violist en dirigent die het oude-muziekensemble in 1973 oprichtte, heeft een aantal goede redenen om te stoppen, zo vertelt hij. De belangrijkste is een weer opspelende handblessure, maar hij noemt daarbij nog een paar oorzaken voor zijn stap uit de oude muziek. In 1990 moest hij zijn carrière al eens onderbreken wegens een verlamming aan zijn linkerhand; toen leerde hij zijn instrument op wonderbaarlijke wijze opnieuw te bespelen met zijn rechterhand.

Toen Goebel MAK oprichtte, gold hij als een van de pioniers van de authentieke uitvoeringspraktijk. Het ensemble werd beroemd door zijn bijzondere barokmuziek-interpretaties op historische instrumenten. Musica Antiqua nam onder andere muziek van de Bach-familie op, van Biber, van Charpentier en van de Mannheimers.

Hoewel de aanleiding om te stoppen niet bepaald vrolijk zou moeten stemmen, klinkt Goebel opgelucht over zijn beslissing. In vloeiend Nederlands („Ik woonde in mijn jeugd dicht bij de grens, had al vroeg les in Nederland en heb altijd Nederlanders in mijn ensemble gehad”) steekt hij van wal. En blijft hij moeiteloos aan het woord. Goebel maakt van zijn hart geen moordkuil.

„Voor een deel moet ik stoppen door mijn handblessure, voor een deel ook omdat onze concertmeester afgelopen jaar een ernstig motorongeval heeft gehad. Andere redenen zijn de slordige platenmaatschappij Deutsche Grammophon, het gebrek aan goede jonge musici in de oude muziek – ze zijn uitzonderlijk slecht op dit moment – en natuurlijk de markt, die wereldmuziek in plaats van Zelenka en Biber wil. Ik heb 33 jaar in de oude muziek rondgelopen. Het is genoeg geweest. Ik heb de groep na grote wisselingen drie keer opnieuw opgebouwd; na mijn eerste handblessure heb ik geleerd om ’rechts’ viool te spelen. Maar nu wil ik het niet meer. Ik ben 54, ik wil mijn energie nu voor andere dingen gebruiken.”

Goebel vertelt in een adem door dat hij zich de komende tijd wil gaan richten op het dirigeren van gewone orkesten. Repertoire: de Mannheimer School, Les Concerts Spirituels, de Bach-familie, Biber, de vroege Beethoven. Daar is nog veel in te winnen, zegt hij. De kamer- en symfonieorkesten zijn zo langzamerhand weer toe aan het spelen van barokmuziek en willen die werken met de inzichten van de oude muziek interpreteren. Aanbiedingen heeft Goebel de komende jaren uit de hele wereld, zegt hij.

„De orkesten zijn veranderd. Twintig jaar geleden waren ze ontzettend saai en bewust antimuzikaal. Dat is veranderd. Ze willen tegenwoordig weer Bach en Hündel spelen. De erkenning voor wat ik heb gedaan op dat gebied, vind ik bij de orkesten meer dan in de oude muziek. En daarom stap ik eruit: Adé, dames en heren!”

Voor de oude muziek van tegenwoordig heeft de brisante Goebel geen goed woord over. Laat staan over Deutsche Grammophon (DG), die hem niet met de egards behandelde die hij verdiende. „Een barokensemble krijgt tegenwoordig drie jaar om zich te ontwikkelen, dan komt er weer een nieuwe groep bij. Herinner je je nog hoe de wereld gek was op Il Giardino Armonico? Ik heb dat nooit begrepen. Het fluitspel was heel wat slechter dan dat van Wilbert Hazelzet (uit MAK), het vioolspel niet zo goed als dat van Reinhard Goebel. Zelfs als we ziek waren, speelden we beter. En waar is dat ensemble nu gebleven? Niemand vraagt zich dat meer af. Ik heb altijd gedacht dat DG een serieuze maatschappij was, maar achter mijn rug om kwamen er stiekem groepen bij. Ik stond altijd op de zoveelste plaats. Eerst onder Gardiner, toen onder Pinnock, Minkowski en McCreesh. Al die ’Belangrijke Musici’! Nu is het Alan Curtis: nou ja! En dan zeggen mensen nu ’ohhhhh, wat jammer!’, maar toen we nog bestonden kregen we niet genoeg concerten om van rond te komen. Met mijn dirigeeractiviteiten heb ik MAK steeds financieel gesteund. Maar nu wil ik dat niet meer. Wat heet verbitterd? Ik ben beledigd! Ik verdien gewoon een andere behandeling. Zo!”

Of we het nu over de toekomst kunnen hebben, vervolgt Goebel. In november vindt het laatste concert met Musica Antiqua plaats. De instrumenten zijn al verkocht, de bladmuziek onder de ensembleleden verdeeld. „Ik heb me mijn hele leven lang ontwikkeld. Na 33 jaar werd het tijd voor wat nieuws. Volgend jaar zit mijn agenda al vol met concerten en opnames. Ook zonder mijn blessure was ik al van plan rond mijn 55ste de leiding langzamerhand aan een ander te geven. In de jaren tachtig speelden er veel jonge Amerikanen mee in MAK. Die tussengeneratie is nooit zo beroemd geworden dat ze nieuwe generaties studenten aantrokken. Er is dus geen goede jonge aanwas meer. Musici studeren tegenwoordig op achttienjarige leeftijd al barokviool. Zonder ooit een Brahms, Beethoven of Stravinsky te hebben gedaan. Het technische niveau is naar beneden gedonderd.”

De tijd van de gespecialiseerde oude-muziekinterpreten is volgens Goebel voorbij. Geen voortrekkers meer, geen idealisten, veel luiheid: „Ik mis het enthousiasme, de roeping die mijn generatie nog had. De laatste tien jaar kwamen er steeds minder mensen af op mijn cursussen. Daar ben ik dan ook mee gestopt.”

Nee, dan de gewone orkesten. Goebel praat enthousiast over de leergierigheid, over de verbeterde klank van de strijkers, de fluiten en de hobo’s. Veel eleganter dan vroeger, veel flexibeler en bovendien veel virtuozer dan wat er nu op oude-muziekgebied rondloopt. „Maar DG gelooft nog steeds in specialisatie”, zegt hij. Het zit diep: „Musici als Minkowski kunnen wel iets, maar ze zouden geen plaats krijgen in een normaal orkest. En ze zijn zeker geen ’specialisten’, zoals DG ze aanprijst. De nieuwe kleren van de keizer, dat is het! Van die wereld wil ik geen deel meer uitmaken.”

Deel dit artikel