Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Sterke leider heeft de wind mee

Home

SANDER BECKER

De rechts-populistische partijen die in Europa opkomen, drijven vrijwel allemaal op één sterke, charismatische leider. Waar dankt zo'n boegbeeld zijn succes aan? En als de leider wegvalt, stort de hele tent dan in? Deel 1 van een tweeluik over populisme in Europa.

Grijze colberts, stropdassen, mantelpakjes...Politici zijn zelden opwindende verschijningen, maar leiders van rechts-populistische partijen vormen een uitzondering. Zij springen eruit, niet eens zozeer vanwege hun soms ongebruikelijke haardracht of kleding, maar vooral vanwege hun persoonlijkheid en charisma, en vanwege hun lef om tegen de gevestigde orde in te roeien. Wat zijn dit voor helden, die in hun eentje een hele partij lijken te dragen, en die grote volksmassa's aan zich weten te binden?

Veel rechts-populistische partijen hebben inderdaad een 'sterke leider', bevestigt Sarah de Lange, universitair hoofddocent politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. "Zulke leiders hebben charisma en zijn op de één of andere manier aantrekkelijk. Hun volgers dichten hen vaak bijzondere, soms zelfs bovenmenselijke of messiaanse kwaliteiten toe. Dat zag je het duidelijkst bij Pim Fortuyn. Je zag het ook bij Jörg Haider, de vroegere leider van de rechts-populistische FPÖ in Oostenrijk."

Maar lang niet alle populistenleiders hebben de status van een halfgod. Vaak zijn het simpelweg aansprekende types die hun boodschap bondig en eenvoudig weten over te brengen. Zie Geert Wilders, die het fortuyniaanse aureool mist, maar al twitterend toch triomfen viert.

Kenmerkend is dat vrijwel alle populistische voormannen en -vrouwen hun boodschap handig verbinden met hun persoonlijkheid. Als schoolvoorbeeld geldt Pia Kjærsgaard, tot voor kort leidster van de Deense Volkspartij. Het is een vrouw van bescheiden komaf. Vroeger werkte ze als thuishulp in de ouderenzorg. In de politiek cultiveerde ze het imago van de 'gewone Deense vrouw die weet wat er leeft onder het volk' - en dat sloeg aan.

Het knappe is, zegt De Lange, dat andere rechts-populistische leiders dezelfde volkse kaart spelen, zelfs als ze steenrijk zijn. "Filip Dewinter van het Vlaams Belang woont in een kapitale villa. Jean-Marie Le Pen van het Franse Front National is miljonair. Jörg Haider was ook miljonair, net als Pim Fortuyn en Berlusconi. Toch slagen al die mensen erin te verkopen dat ze één zijn met het volk en dat ze weten wat er leeft." Voor Geert Wilders geldt iets vergelijkbaars: hij behoort tot de politici die in Den Haag het langst meedraaien, en toch weet hij zichzelf neer te zetten als rebelse nieuwkomer, een imago dat wonderwel aansluit bij zijn belofte om de gevestigde orde eens even op z'n kop te zetten.

Lees verder na de advertentie

Invechten

Sterke leiders zie je weinig bij de gevestigde partijen. Ze zitten vooral bij rechts-populistische fracties, en bij enkele links-populistische tegenhangers. Dat ligt aan de ontstaansgeschiedenis van die fracties, verklaart Chris Bickerton, universitair docent politicologie aan de Universiteit van Cambridge. "Traditionele partijen komen van oorsprong voort uit een bepaalde laag van de bevolking: linkse partijen vertegenwoordigden de arbeiders, liberale partijen de werkgevers of de elite. In zo'n setting is een sterke leider niet zo belangrijk, want het draait om de achterban. Voor populistische partijen ligt dat anders. Zij komen uit het niets. Ze moeten zich invechten. Een aansprekende figuur is dan van levensbelang, zeker in de moderne mediacratie."

De opkomst van de sterke leider is ook een tegenreactie op de professionalisering die traditionele partijen hebben doorgemaakt, vult De Lange aan. "Binnen de gevestigde partijen zie je steeds vaker dat politici via bestuurdersbaantjes worden klaargestoomd voor een hoge politieke positie. Zo krijg je beroepspolitici: 'apparatsjiks'. Populistenleiders zetten zich daar tegen af, door te benadrukken hoe apolitiek ze zijn." Daarom bleef Silvio Berlusconi tot zijn laatste politieke snik breed uitmeten dat hij ondernemer was. En Pim Fortuyn liet zich nog graag 'professor' noemen, ook al had hij de academische wereld allang verlaten.

Als boegbeeld lijkt de sterke leider in z'n eentje de koers van de partij te bepalen. Maar dat is schijn. De meeste rechts-populistische partijen kennen een duidelijke partijtop, een kleine kring van intimi rond de leider. Zo is het Vlaams Belang jarenlang aangestuurd door een driemanschap. Geert Wilders runt de PVV samen met Martin Bosma en Fleur Agema. Puur solisme is dus nauwelijks aan de orde.

Wel valt op dat de besluitvorming binnen rechts-populistische partijen sterker gecentraliseerd is dan bij traditionele partijen. Leden hebben minder invloed op het partijprogramma, op de kandidatenlijst en op het lijsttrekkerschap. Er zijn vaak wel congressen en stemrondes, maar de partijtop neemt de belangrijke beslissingen.

Dat geldt in extreme mate voor de PVV. Deze partij hééft niet eens leden, laat staan inspraak. Binnen de fractie lopen alle medewerkers strak aan de leiband van Wilders. Wie uit de school klapt, riskeert een boete van 25 duizend euro. De partij is in feite hol. Daarom heet Wilders ook wel een 'leider zonder partij'.

Maar met haar interne vacuüm vormt de PVV een uitzondering binnen Europa. "De meeste andere rechts-populistische partijen zijn qua structuur klassieke massapartijen met een ledenbasis, een jongerenorganisatie en een wetenschappelijk bureau", zegt De Lange. "Het Front National heeft in de loop der jaren van alles opgericht: een eigen vakbond voor gevangenis- en politiepersoneel, een vrouwenorganisatie, en allerlei verenigingen - voor boeren, Fransen in het buitenland, militairen, gepensioneerden, invaliden, werklozen, enzovoort. Het Vlaams Belang organiseert buurtfeesten, zangfestivals en barbecues... In feite hebben deze partijen de sociale functies van de klassieke linkse massapartijen overgenomen."

Hoge organisatiegraad of niet, voor de buitenwereld drijven rechts-populistische partijen vrijwel volledig op één figuur. En daardoor lijken ze kwetsbaar. De leider hoeft immers maar weg te vallen en het is gedaan met de partij. Het voorbeeld van de LPF, die na de moord op Pim Fortuyn instortte, onderstreept dit risico. Zweden beleefde in de jaren negentig iets soortgelijks met de rechts-populistische Nieuwe Democratie; de partij ging ten onder toen twee leiders na een interne ruzie opstapten.

Maar zo'n fiasco is geen wet van Meden en Perzen. Rechts-populistische partijen kunnen een wisseling van de macht best zonder kleerscheuren doorstaan, als ze tenminste aan een paar voorwaarden voldoen. "Om te beginnen moet de leider zijn opvolging goed regelen", zegt De Lange. "Hij moet andere mensen toestaan om binnen de partij op te komen. De opvolger moet ervaring kunnen opdoen en profiel krijgen. Als dat gebeurt, kan het heel soepel gaan." Kijk naar het Front National, waar dochter Le Pen het leiderschap met succes van haar vader heeft overgenomen. Ook de Noorse Vooruitgangspartij en de Deense Volkspartij hebben de wisseling van hun leider goed doorstaan.

Machtsstrijd

Een andere voorwaarde: de partij moet structuur hebben, anders is ze ten dode opgeschreven. De LPF had na de moord op Fortuyn geen schijn van kans omdat de partij nog niet ontwikkeld was. Er brak een interne machtsstrijd uit en fractieleden haakten massaal af. Dan stond de Oostenrijkse FPÖ een stuk steviger. Deze partij had wél een ferme structuur. Na het vertrek van de populaire leider Jörg Haider kende de FPÖ weliswaar een moeilijke periode, maar Heinz-Christian Strache bleek een bekwaam opvolger. Na een electorale dip is de partij nu terug op het niveau van het jaar 2000, de hoogtijdagen van Haider.

In de praktijk komen rechts-populistische leiderschapswisselingen weinig voor. Want sterke leiders gaan lang mee, veel langer dan leiders van traditionele partijen. Jean-Marie Le Pen richtte zijn Front National in 1972 op en bleef bijna veertig jaar voorzitter. Filip Dewinter sloot zich in 1983 als student aan bij het Vlaams Blok, de voorloper van het Vlaams Belang, en bleef na een bliksemcarrière twintig jaar fractieleider. Legendarisch is ook Carl Ivar Hagen, die zo'n 28 jaar de Noorse Vooruitgangspartij heeft aangevoerd.

Hoe doen die populisten dat? Danken zij hun houdbaarheid aan hun messiaanse aureool? Aan onkritische kiezers wellicht?

Politicologe De Lange zoekt de verklaring elders: in de partijdynamiek. "Bij gevestigde partijen weerspiegelt het leiderschap meestal de stroming die op dat moment intern de meeste aanhang heeft. Die stroming kan veranderen. Als een leider in de problemen komt, is het daarom heel vaak door een aanval van binnenuit. Rechts-populistische partijen kennen veel minder van dit soort factiestrijd, dankzij de centrale aansturing. Natuurlijk doet zich daar ook wel eens iets voor, maar dan zitten er niet de volgende avond bij Nieuwsuur drie oud-ministers en oud-partijleiders aan iemands stoelpoten te zagen. Een incident is daardoor snel voorbij."

Politiek gezien is de sterke leider dus een gouden formule, die bovendien de wind mee heeft. Uit een enquête van de Vrije Universtieit bleek vorig jaar dat het volk boos is en behoefte heeft aan een sterke leider. Het Sociaal en Cultureel Planbureau meet dezelfde trend: sinds 2002 zwelt de roep om een sterke leider aan.

Waarom? De huidige economische crisis begon pas in 2007, dus die kan geen oorzaak zijn. De verklaring is eerder, denkt De Lange, dat mensen ontevreden zijn over het gebrek aan daadkracht van politici. Mensen willen een leider die doorpakt, niet een eindeloze polderaar die slappe compromissen sluiten.

Het oude schrikbeeld

Maar die opkomende populistische krachtpatsers zijn levensgevaarlijk, waarschuwen gevestigde partijen. Alsof er een nieuwe golf Hitlers, Mussolini's en Franco's op Europa aanstormt. Politicoloog Bickerton, in Cambridge, vindt die waarschuwing overdreven. "We leven niet meer in de jaren dertig. De populistische partijen van nu zijn lang niet zo radicaal als die van toen; ze willen de democratie bijvoorbeeld niet meer afschaffen. Gevestigde partijen roepen het oude schrikbeeld vooral op om zelf aantrekkelijker te lijken."

De Lange onderschrijft dat. Ze verwacht bovendien dat de rechts-populisten ook na de Europese verkiezingen van deze maand te klein blijven om potten te breken. Toch maakt zij zich zorgen. "We zijn erg gefocust op al die rechts-populistische partijen, maar het werkelijke probleem is de voedingsbodem die maakt dat zoveel kiezers erop stemmen. Wat leeft er bij deze burgers? Uit onderzoek blijkt dat een groot deel van de PVV-stemmers de 'minder Marokkanen'-uitspraak van Wilders niet te ver vond gaan. Laten we daar wat meer naar kijken, en wat minder naar de partijen en hun leiders."

Later deze week deel 2 in dit populisme-tweeluik: Wie is de rechts-populistische kiezer?

www.trouw.nl/kieskompas

Populisten spelen soms maar weinig klaar

Krijgen al die 'sterke leiders' van rechts-populistische partijen werkelijk iets voor elkaar? Dat hangt van de partij af, antwoordt politicologe Sarah de Lange. De Oostenrijkse FPÖ heeft vanuit het kabinet belangrijke hervormingen doorgevoerd in het immigratie- en integratiebeleid. De Deense Volkspartij deed iets soortgelijks, maar dan als gedoogpartij. Ook de regerende Zwitserse Volkspartij (SVP) heeft veel invloed, vooral via referenda. Denk aan het recente minarettenverbod, en aan het quotum op EU-immigranten, waar de EU een week van in paniek was.

Andere partijen, zoals de LPF en de PVV, hebben bijna niets klaargespeeld, aldus De Lange. "Er zaten wel elementen van het PVV-programma in het vorige regeerakkoord, maar de meeste maatregelen waren nog niet doorgevoerd toen het kabinet viel."

Toch hebben rechts-populistische partijen vaak veel indirecte macht. Ze bepalen de agenda en ze beïnvloeden de standpunten van gevestigde partijen - en zo het beleid.

Soms schaden ze de liberale democratie. De Lange wijst op Hongarije, een nog zwakke democratie waar twee partijen met rechts-populistische trekjes (Fidesz en Jobbik) samenspannen om de rechtsstaat aan te tasten. In de meeste andere landen blijft het gevaar beperkt, alleen al omdat rechts-populistische partijen steevast stuiten op een electoraal plafond van zo'n 25 procent.

Deel dit artikel