Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Spotlight op de Nachtwacht

Home

Cees Straus

Wie is wie en wie doet wat, dat is eeuwenlang het mysterie van Rembrandts Nachtwacht geweest. Onderzoeker Bas Dudok van Heel ontrafelde het raadsel.

Het heeft Bas Dudok van Heel jaren van intensief snuffelwerk in archieven en boedelinventarissen gekost, maar deze week was het dan zo ver: de kunsthistoricus, verbonden aan het Rijksmuseum in Amsterdam, kan man en paard op de Nachtwacht noemen. Hij geeft ze stuk voor stuk hun militaire rang van kapitein tot vaandeldrager en tamboer.

En passant ontrafelt hij in zijn artikel dat in het zojuist verschenen ’Rijksmuseum Bulletin’ is verschenen ook nog hun onderlinge familiebetrekkingen. Bovendien reconstrueerde hij de plek waarvoor Rembrandts beroemdste schilderij ooit was bestemd. Voltooid in 1642 als een modern maar niet onomstreden schilderij kwam het te hangen in een majestueuze zaal die zich op de bovenverdieping van de Kloveniersdoelen in de Doelenstraat in Amsterdam bevond. Deze ruimte moet waarlijk vorstelijk zijn geweest, ze werd vergeleken met het niet minder imposante Banqueting House in Whitehall Palace in Londen.

Het schilderij, zo weet Dudok van Heel, hing daar als onderdeel van een lange rij van schutterstukken die door diverse andere schilders gemaakt zijn. In precies datzelfde jaar voltooiden schilders als Jacob Adriaensz. Backer een schutterstuk waarop kapitein Cornelis de Graeff de mannen van wijk V laat opdraven, terwijl Bartholomeus van der Helst zijn oog liet vallen op de compagnie van wijk VIII onder leiding van kapitein Roelof Bicker.

Ook Govert Flinck was in de zaal aanwezig met de schutterij van wijk XVIII onder leiding van Albert Bas, terwijl Joachim von Sandrart zich had beziggehouden met de compagnie van wijk XIX die onder leiding van kapitein Cornelis Bicker poseerde. Tenslotte hing er ook nog de compagnie van wijk IV met hun hoofdman Jan Claeszn. Vlooswijck die door Nicolaes Eliaszn. Pickenoy is vereeuwigd.

Andere schutterijen, uitgebeeld door schilders als Backer en Thomas de Keyser, hingen elders in het gebouw dat in 1642 nog redelijk nieuw was. Dat zijn namen van schilders die tegenwoordig wat minder bekend zijn, maar in Rembrandts tijd waren ze beslist geen prutsers. Backer bijvoorbeeld had in die tijd een grotere reputatie dan Rembrandt, vooral omdat hij het aandurfde om groepsportretten ongewoon groot aan te pakken.

Het kan zijn dat Rembrandt in deze tijd de concurrentiestrijd met Backer wilde aangaan. Dat was ook de ondertoon van de grote Backer-tentoonstelling die deze maand van het Rembrandthuis in Amsterdam naar Aken is verhuisd.

Rembrandt, die tot de eerste vier schilders van schutterstukken behoorde (Govert Flinck was hem voorgegaan met een groepsportret dat boven de schoorsteen kwam te hangen), kreeg als opdracht de compagnie van wijk II uit te beelden. Die stond onder leiding van Frans Banninck Cocq, wat er toe leidde dat het schilderij officieel de titel kreeg van ’Het korporaalschap van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch, bekend als De nachtwacht’.

De vermelding van de wijk (de tweede in dit geval) wijst er op dat Amsterdam verdeeld was in verschillende buurten die ieder hun eigen schutterij hadden. De schutterij, zeg maar de ME van de 17de eeuw, bestond uit vele tientallen personen die meestal uit de gegoede burgerij afkomstig waren. Ze konden in geval van ordeverstoring worden ingezet, maar hun taak was toch meer van representatieve aard.

Wijk II lag in het westelijk deel van het centrum van Amsterdam, ze bevond zich grof gezegd tussen Damrak en Singel, in het noorden begrensd door de Onze Lieve Vrouwesteeg, de Nieuwe Nieuwstraat en de Lijnbaansteeg en in het zuiden door de Zoutsteeg en de Gravenstraat.

Er zijn aanwijzingen dat Rembrandt ook zelf lid is geweest van een schutterij. Dat moet de compagnie van wijk XVI zijn geweest die onder bevel stond van kapitein Hendrick Dirkszn Spiegel. Als data wordt de periode mei 1635- mei 1637 aangegeven, toen Rembrandt in de Nieuwe Doelenstraat 20 woonde. Dat huis stond pal naast de Doelen waarvoor hij een paar jaar later de Nachtwacht zou schilderen.

Zekerheid over het feit dat Rembrandt bij een schutterij heeft gediend, is er overigens niet. De compagnie van wijk XVI is wel vereeuwigd, door niet minder dan Jacob Backer, maar dat doek dat ook in de Kloveniersdoelen moet hebben gehangen, is helaas verloren gegaan. Het zou wel een pikant feit zijn dat Backer zijn grote tegenstrever (weliswaar op een later tijdstip) in opdracht op een schuttersstuk heeft vastgelegd.

Rembrandtwatchers zal onmiddellijk opvallen dat de naam van de compagniescommandant licht gewijzigd is. Het is een subtiel verschil tussen Banning en Banninck, maar Dudok van Heel is er achter gekomen dat het hier om twee verschillende families ging die zich beiden op het militair vlak niet onbetuigd lieten. Dan is de juiste weergave van de naam natuurlijk niet onbelangrijk.

Gezien het feit dat de commandant vanuit het donker in een onwaarschijnlijk hel licht stapt (een van de noviteiten waarmee Rembrandt bezig was) en daardoor alle aandacht krijgt – een legerleider waardig – moet geacht worden dat hij voor de opname in dit schilderij waarschijnlijk ook de beste prijs betaalde.

Rembrandt was daar heel stellig in: wie op het schilderij afgebeeld wilde worden, die moest er fors voor betalen. Maar helemaal consequent was hij daar niet in. Zo beeldde hij uiterst rechts een tamboer af die zijn stokken opheft bij aanvang van de mars (de schutterij loopt op dit moment met een kleine veertig officieren en andere soldaten onder een poort de nacht in) zonder dat we weten wat de man daar voor heeft kunnen betalen.

Van 16 schutters weten we dat ze de man honderd toenmalige guldens aan de schilder betaalden. De tamboer, die bij Dudok van Heel de naam van de 52-jarige Jacob Jorisz. krijgt, verdiende op jaarbasis niet meer dan veertig gulden. Rembrandt geeft de tamboer dan ook geen centrale aandacht, al valt hij in zijn rol van menselijke stoffering ook niet weg.

Bas Dudok van Heel heeft zijn bevindingen verwoord in een artikel in het vandaag verschenen Rijksmuseum Bulletin. Dit kwartaalblad bevat artikelen over historisch en kunsthistorisch onderzoek naar de collectie van het Rijksmuseum.

Info www.rijksmuseum.nl

Lees verder na de advertentie
(Trouw)
Rembrandt (1606-1669): Het korporaalschap van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch, bekend als de ¿Nachtwacht¿. Olieverf op doek uit 1642. ( Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.)

Deel dit artikel