Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Sponsors verdienen ook applaus

Home

Henny de Lange

Nog maar 36 jaar is hij: Benno Tempel, de nieuwe directeur van een van de grootste kunstmusea van Nederland, het Haags Gemeentemuseum. Tempel hoopt op een grotere rol voor het bedrijfsleven bij de sponsoring van kunst. Hij zou graag zien dat kunstjournalisten die sponsors, net als in de sport, gewoon bij hun naam gaan noemen.

Ook in een keurig kostuum met stropdas oogt Benno Tempel vooral als een heel erg jonge museumdirecteur.

Maar hij was er wel aan toe, zegt hij, om op z’n 36ste directeur te worden van het Haags Gemeentemuseum, één van de grootste kunstmusea van Nederland. Iets eerder kwam ook de directeurspost in het Rijksmuseum vrij, maar daar heeft hij niet op gesolliciteerd. „Dat kwam echt te vroeg voor mij.”

Ook de vacature die Wim Pijbes achterliet in de Kunsthal, na zijn benoeming tot directeur van het Rijksmuseum, was geen optie. „Daar heb ik tot 2006 gewerkt en je moet niet binnen vijf jaar terugkomen als directeur. Bovendien ben ik een echte museumman, die graag verantwoordelijk is voor een kunstcollectie. En die heeft de Kunsthal niet. Het Gemeentemuseum is voor mij ook nog eens het mooiste museum van Nederland.”

’Natuurlijk’ gaat Benno Tempel verhuizen naar Den Haag. „Voor een museumdirecteur is het belangrijk om actief deel te nemen aan het plaatselijke culturele leven. Ik heb overigens altijd gewoond in de stad waar ik werk.” Tempel woonde eerst in Rotterdam, waar hij zes jaar conservator was in de Kunsthal. Na zijn benoeming in 2006 tot conservator in het Van Gogh Museum verhuisde hij naar Amsterdam.

Zijn benoeming bij het Haags Gemeentemuseum verraste de kunstwereld. Zijn naam werd nooit genoemd. Zelf denkt de kunsthistoricus, die dit jaar zijn proefschrift wil voltooien over Nederlandse kunstkritiek van de negentiende eeuw, dat hij is uitgekozen omdat hij een ’helder verhaal’ had.

Zo wil hij veel meer met de bestaande collectie doen. De wereldberoemde Mondriaans die het museum in huis heeft, bieden tal van aanknopingspunten voor exposities die het museum ook internationaal op de kaart kunnen zetten. Ook wil hij vaker delen van de collectie naast elkaar laten zien: bijvoorbeeld glas of mode naast beeldende kunst, om een tijdsbeeld neer te zetten. Zelfbewust: „Mijn visie en ideeën kon ik niet alleen kunsthistorisch onderbouwen, maar ook economisch. Ik zie een museum ook als een onderneming. Nu de overheid er op aanstuurt dat de musea ook zelf geld genereren, wordt dat steeds belangrijker.”

De kersverse directeur heeft het economische tij niet mee. Ook ’zijn’ museum krijgt last van de kredietcrisis, verwacht hij. Als deze uitgroeit tot een echte economische crisis, en daar gaat het steeds meer op lijken, zullen naar zijn mening vooral de musea in Amsterdam dat gaan voelen. „De Amsterdamse economie drijft in belangrijke mate op het toerisme. De meeste toeristen bezoeken standaard het Rijksmuseum en het Van Goghmuseum, naast het Anne Frankhuis. Als er minder toeristen komen, merken de musea dat meteen. En de mensen die nog wel komen, zullen zich afvragen of ze wel 12 euro willen uitgeven voor een museum.” Ook de musea elders in het land zullen de crisis gaan voelen, voorziet Tempel, al is het maar in de vorm van minder bestedingen in het restaurant en de museumwinkel.

Om meer inkomsten te verwerven, zullen musea in zijn visie actiever op zoek moeten naar sponsors. Tempel denkt daarbij vooral aan het bedrijfsleven, omdat de bijdragen van de grote fondsen, die hun vermogen hebben zien slinken door de kredietcrisis, waarschijnlijk alleen maar minder worden. Zo liep het VSB-fonds – één van de grootste kunstsponsors van Nederland – zware klappen op.

Maar zijn bedrijven nog wel te porren om kunst te sponsoren in deze onzekere tijd? Tempel: „Voor het bedrijfsleven kan het juist nu vele malen interessanter zijn om musea te sponsoren in plaats van bijvoorbeeld sport, omdat het om relatief kleine bedragen gaat. De Rabobank stopt miljoenen in een wielerploeg en moet maar afwachten of ze winnen. Voor een ton kun je een expositie sponsoren of een mooie aankoop van een museum, waarmee je niet alleen bijdraagt aan het behoud van ons nationale erfgoed, maar ook nog eens veel mensen een plezier doet.”

Ja, hij denkt dat hij met dit verhaal bedrijven wel kan overtuigen van het belang van kunstsponsoring. Concreet is hij nu bijvoorbeeld op zoek naar sponsors voor de restauratie van de collectie Mondriaans van het Gemeentemuseum. Voor dit project, waarmee zeker vijf jaar en miljoenen euro’s zijn gemoeid, loopt ook een aanvraag bij de BankGiroloterij, maar dat zal niet voldoende zijn. Tempel: „Wat is er nou mooier voor bedrijven die zich willen profileren, om hun naam te verbinden aan dit wereldberoemde erfgoed van Nederland?”

Om bedrijven te verleiden om vaker exposities te sponsoren, kwam Tempel meteen na zijn aantreden al met het voorstel dat kunstjournalisten voortaan ook de naam van de sponsor in hun artikelen en recensies vermelden. Want sponsors die publiekelijk ’applaus’ krijgen, zullen geneigd zijn vaker geld te geven aan kunst. Tempel: „Het vermelden van de sponsors kan ook leiden tot een mentaliteitsverandering. Als het om kunst gaat, verwijst iedereen altijd naar de overheid. Die moet betalen. Als we regelmatig in de krant lezen welke bedrijven financieel bijdragen aan kunst, zal het besef doordringen dat sponsors onmisbaar zijn.”

Met dit pleidooi hoopte Tempel de pers mee te krijgen als ’bondgenoot’, maar de reacties waren overwegend negatief. Tempel: „De standaardreactie was dat bedrijven die zich willen profileren als kunstsponsor, maar een advertentie moeten plaatsen. Het idee alleen al dat sponsors geïnteresseerd zouden zijn in gratis reclame, is zó achterhaald. Dat is toch niet van deze tijd om zo te denken, dat is echt oude journalistiek. Natuurlijk kan Shell ook in advertenties uitdragen dat het zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt door dit najaar onze expositie over Picasso, Cézanne en Mondriaan te sponsoren. En dat zullen ze ongetwijfeld ook doen. Maar het is belangrijk dat dat ook gewoon wordt vermeld. Journalisten schrijven wel over de Rabo-wielerploeg. Waarom zouden ze dan niet kunnen vermelden dat Shell bijgedragen heeft aan een tentoonstelling? Het effect zal niet direct meetbaar zijn, maar op den duur kan het wel bijdragen tot meer burgerzin.”

Ook particulieren kunnen hun steentje bijdragen. Het hoeft niet om grote bedragen te gaan, zegt Tempel. „Als opa een mooie glasverzameling heeft en hij gaat dood, wil de familie die verzameling misschien liever houden. Maar het zou toch mooi zijn als ter nagedachtenis aan opa één mooi glasobject aan het museum wordt geschonken.”

Hoe je een museum moet runnen als een onderneming heeft Benno Tempel vooral geleerd in de Kunsthal. „Daar heerst een bepaalde manier van denken over hoe je het publiek moet bedienen. En dan gaat het niet alleen over de tentoonstellingen, maar ook over het restaurant, de garderobe en de tekstbordjes bij de schilderijen. Die specifieke Kunsthal-mentaliteit spreekt me aan. Respect voor het publiek staat daarin centraal. Het is me opgevallen dat de mensen die in de Kunsthal werken of daar hun carrière zijn begonnen, vaak kinderen zijn van zelfstandige ondernemers of middenstanders, opgegroeid in de sfeer van aanpakken, geen poeha en klantvriendelijkheid.”

Zelf komt hij ook uit zo’n gezin. Zijn vader heeft een eenmansbedrijf in elektronica. Zijn ouders brachten hem liefde voor geschiedenis bij. „Ze namen ons mee naar historische musea en de Heilige Landstichting. Ik kom uit een christelijk gezin en dan is er vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de bijbelse geschiedenis.”

Zijn studie kunstgeschiedenis vloeide voort uit de belangstelling voor geschiedenis die hij van huis uit meekreeg. „Maar wat ook van invloed is geweest, is dat ik ben opgegroeid in Harderwijk. In zo’n mooi oud stadje krijg je vanzelf gevoel en liefde voor de historie.”

Lees verder na de advertentie
(Trouw)
Benno Tempel: ¿Het Rijksmuseum kwam echt te vroeg voor mij.¿ (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

Deel dit artikel