Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Speurtocht naar de schedel van René Descartes

Home

Marinus de Baar

Over de vermeende schedel van Descartes weet Russell Shorto onderhoudend te vertellen. Maar als hij ingaat op de betekenis van de filosoof voor onze cultuur, gaat de auteur wel heel kort door de bocht, vindt Marinus de Baar.

Hebben grote denkers meer hersenen en dus een grotere schedel? Dat was, met verwijzing naar de schedel van Descartes, in de negentiende eeuw een punt van discussie. Als de geest kan worden gelijkgesteld met zijn materiële basis, de hersenen, dan zou de omvang ervan een belangrijke rol spelen: hoe meer hoe knapper.

Een Duitse geleerde, Rudolf Wagner, wilde rond 1850 geest en geloof redden van deze afdaling naar hersenkwab en hypofyse door de hersenen en schedels van grote geleerden en gewone mensen te vergelijken en aan te tonen dat die onderling niet erg verschillen. Hij stelde een lijst op van 964 hersenen die werd aangevoerd door een gewone werkman en een ’imbeciel’, terwijl de eminente wiskundige Carl Friedrich Gauss pas op plaats 125 kwam.

In Parijs werd dit onderzoek ernstig betwijfeld door een zekere Pierre-Paul Broca omdat Wagner zeer uiteenlopende mannen en vrouwen had gebruikt voor het samenstellen van zijn lijst. Broca versoberde de lijst tot 347 schedels van gezonde volwassen mannen en constateerde tot zijn genoegen dat een groot geleerde als Cuvier – die overigens naam had gemaakt met de studie van gefossileerde botten en schedels – ook over uitzonderlijk veel hersenen had beschikt.

Een tegenstander van Broca, Louis-Pierre Gratiolet, wees er echter op dat de schedel van Descartes nogal klein was, zoals iedereen kon zien. Dat was een streep door de rekening van Broca, die zich evenwel verdedigde door de authenticiteit van die aan Descartes toegeschreven schedel in twijfel te trekken. Ironisch genoeg was het Georges Cuvier geweest die eerder, in 1821, namens de Academie van Wetenschappen de schedel van Descartes in ontvangst had mogen nemen uit handen van de Zweedse ambassadeur in Frankrijk. Maar was het wel Descartes’ schedel?

René Descartes (1596-1650), die tussen 1629 en 1649 op verschillende plaatsen in Nederland heeft gewoond, vertrok in 1649 om koningin Christina van Zweden onderricht in de wijsbegeerte te geven. Een jaar later was hij dood, overleden aan longontsteking. En toen zijn de botten en schedel van Descartes gaan zwerven. Eerst begraven nabij Stockholm. Zestien jaar later opgegraven en gerepatrieerd naar Frankrijk. Voorafgaand daaraan lag de kist met Descartes’ stoffelijke resten in de ambtswoning van de Franse ambassadeur, bewaakt door enkele Zweedse soldaten onder leiding van kapitein Planström. Het schijnt dat die kapitein de schedel heeft weggenomen en vervangen door een andere, omdat er toch iets van de beroemde Descartes in Zweden moest blijven.

De schedel is daarna onder andere door vererving in verschillende Zweedse handen geweest, waarbij deze en gene er verzen, namen en jaartallen inkerfde. In 1821 werd de schedel gekocht door een casino-eigenaar met aanleg voor verzamelzucht, die echter bereid was hem af te staan aan de Zweedse geleerde Berzelius die de schedel daarop, via de Zweedse ambassadeur in Frankrijk, overdroeg aan Cuvier. En nu bevindt de schedel zich in het Parijse Musée de l’Homme.

Maar nogmaals: is het wel Descartes’ schedel? In 1912 werd de briefwisseling van Berzelius aan de Franse Academie van Wetenschappen gepresenteerd en daarin trof men diens brief uit 1821 aan Cuvier aan waarin hij Descartes’ schedel overdroeg. Naar aanleiding daarvan werd de schedel opgediept en sloeg de twijfel over de authenticiteit weer toe.

Een zekere Paul Richer werd aangezocht om zekerheid te verschaffen. Gelukkig beschikte men over een schilderij van Descartes, abusievelijk toegeschreven aan Frans Hals, dat in het Louvre hangt. Richter liet een tekening maken van de schedel zoals Descartes die op dat schilderij moest hebben, met de precieze breedte van het voorhoofd, de afstand tussen neus en tandkassen, de plaats en omvang van de oogkasbogen, enz. Richer maakte zelf een tekening van de schedel van Descartes die uit het museum was opgediept. En toen bleek dat die tekeningen elkaar exact overlapten. Het was wereldnieuws, met koppen in The New York Times en Le Figaro.

Het zal inmiddels wel duidelijk zijn dat Russell Shorto, die overigens in Amsterdam woont, van filosofie een uitermate onderhoudend verhaal heeft gemaakt. Hij is een rasverteller die weet hoe hij de spanning moet opvoeren en op het moment dat je denkt te weten hoe het afloopt volgt er weer een onverwachte wending.

Maar het boek gaat blijkens de ondertitel niet alleen over wat er lichamelijk nog resteert van Descartes maar ook over zijn geestelijke erfenis en het belang daarvan voor de scheiding van geloof en rede. Descartes beschreef het model voor een kritisch-analytische wetenschappelijke methode, legde de basis voor de autoriteit van de rede, en ging uit van het denkende ik. Shorto citeert met instemming een Amerikaanse biograaf van Descartes waar deze zegt dat we zonder cartesiaans individualisme geen democratie zouden hebben, zonder diens methode geen moderne wetenschap en techniek, en zonder diens desacralisering van de natuur geen bevrijding van de dictatuur der religie.

Dat soort lijstjes wordt ook wel aan Spinoza toegeschreven dus het belang van Descartes in deze moet enigszins worden gerelativeerd. Shorto’s opvatting dat Spinoza zichzelf zeker niet als atheïst zag en geloofde dat God wel moest bestaan, is zonder nadere kwalificatie niet houdbaar. Shorto’s interpretatie van Descartes als erflater van de Verlichting is stellig verdedigbaar maar niettemin discutabel omdat er toen ook veel kritiek op Descartes loskwam. Dat Cuvier door Shorto wordt voorgesteld als een vroom christen is bepaald niet boven discussie verheven; sommigen schrijven Cuvier hooguit een lauw deïsme toe.

Af en toe krijg je dus kromme tenen als je leest waar Shorto de grenslijn tussen rede en geloof bij sommige denkers trekt en waar hij Descartes bij betrekt. In grote trekken schrijft hij ’de moderniteit’ – grofweg het vertrouwen op menselijk kunnen en kennis in het bereiken van menselijk geluk aan deze kant van de dood – toe aan Descartes. Maar onze moderniteit en de scheiding tussen rede en geloof heeft meer vaders dan Descartes alleen.

Shorto heeft zijn zoektocht naar de botten van Descartes diepgang én actualiteit willen geven door in te gaan op de betekenis en ontplooiing van Descartes’ filosofie in onze cultuur. Dat resulteert niet alleen in een spectaculair verhaal maar ook in een nogal spannende interpretatie. Descartes is dood en begraven – al is niet helemaal duidelijk wat en waar – maar zijn filosofie is dat dus allerminst.

Deel dit artikel