Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Soms even zwijgen

Home

Henri Beunders

Dankzij internet, hyves en twitter bloeit het gerucht als krachtig communicatiemiddel, zo bleek in de dagen voor en na Koninginnedag. Zou Beatrix haar abdicatie aankondigen, was er een zwarte man uit de auto van de dader gesprongen? Volgens hoogleraar mediageschiedenis Henri Beunders is het belangrijk dat in onzekere, angstige tijden politieke leiders „klare wijn schenken”.

De koningin, kroonprins en prinses stonden er, op 4 mei, een half uur lang. Hun fysieke aanwezigheid maakte indruk, er klonk applaus. Het was luctor et emergo, ik worstel en kom boven.

Natuurlijk was het de ontworsteling aan de angst en aan de ontreddering over een aanslag op je leven. Maar was het niet ook de ontworsteling aan de verwarrende wereld? Aan de wereld van de geruchten, van de valse glorie van al diegenen die menen door mediapresentie, en door permanent on line te zijn, het eigen ik te kunnen verheffen boven dat van alle anderen?

Zo bezien was deze Dodenherdenking een dubbel contrast met de mediawereld van vandaag. Het eerste contrast betrof de fysieke moed. „Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht”, zo luidt de uitspraak van verzetsman H.M. van Randwijk, een paar pleinen verderop te lezen.

Het tweede contrast was wat elke dodenherdenking in zich draagt. Tijdens de twee minuten stilte voel je meer eenheid met anderen, met het nu en met het verleden, dan met al dat gepraat, al dat geklets dat je gewoonlijk hoort.

Het drama op deze Koninginnedag, en alle communicatie eromheen, maakte op z’n minst twee hedendaagse ontwikkelingen op zeer hardhandige wijze duidelijk: de kracht van de traditionele televisie en het nieuwerwetse internet, en de aloude kracht van het gerucht.

De kracht van televisie is bekend. De kern ervan is dat je hier ziet, wat daar gelijktijdig gebeurt. Maar deze fenomenale kracht roept ook fenomenale krachten op in de kijker. Zie de totale spanning en euforie tijdens een voetbalwedstrijd die goed verloopt, of tijdens nationale plechtigheden.

Het succes van dit soort geplande media events hangt af van de reactie van het publiek. Als niemand kijkt, is het mislukt. Als mensen wel kijken, zijn de burgers – van miljonair tot bijstandsmoeder – gelijkelijk verbonden met een evenement dat vroeger alleen de elite van dichtbij kon bijwonen. Sterker, de kijkers thuis zien het evenement beter dan de aanwezigen ter plekke.

Dit werd, als het om koninklijke gebeurtenissen gaat, zeer duidelijk bij de inhuldiging van koningin Beatrix in de Nieuwe Kerk in 1980. De elite binnen zag tussen de hoofden van anderen de nieuwe majesteit de gelofte afleggen. Het rumoer buiten, van de stenengooiende Geen Woning, Geen Kroning-demonstranten, konden ze alleen horen. De kijkers thuis zagen alles. En ze zagen ook de inhuldiging binnen beter dan de aanwezige elite, dankzij de camera’s die boven in de kerk waren gemonteerd. Tijdens de balkonscène op de Dam (’Leve de koningin!’) lazen de kijkers thuis de ontsteltenis en het afgrijzen op het gezicht van de kersverse koningin, die in verte de stenengooiers zag.

Live televisie maakt de gevoelens extreem. Euforie als het goed gaat, paniek als het verkeerd gaat. In 1986 ontplofte het ruimteveer Challenger live in de lucht. Op 11 september 2001 konden de kijkers op CNN live zien hoe het tweede vliegtuig zich boorde in een van de Twin Towers.

Op zo’n moment kijken we in de hemel van de totale aanwezigheid, en ook van de totale emancipatie van ’de gewone man’ ten opzichte van de hoogsten in de maatschappelijke piramide. Of we kijken rechtstreeks in de hel van de bijna fysieke aanslag op de eigen zenuwen, het eigen bestaan. De emoties bij het zien van die hemelse of helse beelden wordt versterkt door het feit dat er een televisiescherm tussen zit. Bij de val van de Muur huilden de mensen voor de televisie, vorige week donderdag gebeurde hetzelfde. Televisie kijken mist de mogelijkheid van de persoonlijke reactie. Dat maakt machteloos, en dat leidt weer tot tranen, het enige wat het lichaam kan doen. Directe aanwezigheid leidt tot het verlenen van hulp, het schenken van troost, het omarmen – in euforie of in ontreddering.

President Reagan richtte op die dramatische dag dat de Challenger neerstortte het woord tot zijn volk. Heel terecht riep hij op om niet permanent naar de herhaling van die beelden te kijken, maar aan het werk te gaan, of iets anders te doen buitenshuis. Hetzelfde zeiden politici na 11 september in New York, en na 7 juli in Londen: neem het leven weer op, doe iets, laat je niet verlammen door die eindeloze beelden van hetzelfde.

Televisie biologeert, is geworden tot het belangrijkste wereldje waarin mensen denken zich te kunnen ontplooien, zich erkend kunnen voelen. De wens tot live aanwezigheid is in de afgelopen decennia veranderd in de drang zélf het middelpunt te zijn op dat televisiescherm, bekeken en bejubeld door de kijkers. Waar vroeger de erkenning in kleine kring – het gezin, het werk, in het verenigingsleven – voor het geluk zorgde, is nu de televisie de maatstaf voor succes. En dat geluk lijkt voor steeds meer mensen weggelegd. In al die quizzen, al die x-factor- en adventure-programma’s, al die Rondom Tien’s. Maar niet voor iedereen.

Zo is televisie verworden tot zo niet de God dan toch tot de Machthebber van deze tijd. In 1964 hekelde het satirische programma ’Zo is het toevallig ook nog ’s een keer’ de aanbidding van het kijkkastje, waarbij de antenne het kruis had vervangen. Nu is die aanbidding ontaard in de drang de macht te veroveren.

Bij het falen in die poging kan de televisie leiden tot een gevoel van uitsluiting en mislukking. De aanslagen in deze eeuw – Pim Fortuyn, Theo van Gogh (en ook de pogingen tot aanslag op Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders, en nu op de koninklijke familie) – lijken mede voort te komen uit de drang zowel de persoon te raken, als hun mediaroem. De pleger van de aanslag wil zich in één klap verheffen boven de mediaster, boven de positie van de belaagde als politieke factor, én boven diens macht als mediafenomeen.

Timothy McVeigh – de pleger van de aanslag in 1995 met die gehuurde ’mestkar’ op het Oklahoma Building (168 doden) – verklaarde naderhand dat hij een gebouw had uitgezocht met genoeg ruimte eromheen, zodat zoveel mogelijk mensen de aanslag konden zien, en de camera’s het uit alle hoeken konden filmen. Hij slaagde in die mediaroem: zijn portret, in glamourkleuren als een mooie filmster gefotografeerd, verscheen op de cover van Newsweek. Zijn laatste wens was dat zijn executie in 2001 live zou worden uitgezonden – een wens die overigens, behalve een registratie voor slachtoffers en nabestaanden via een gesloten tv-circuit, niet is vervuld.

Het drama in Apeldoorn confronteert ons opnieuw met een algemeen drama van deze tijd: het heilige geloof in communicatie als oplossing voor alle eenzaamheid, als middel om de verschillen tussen mensen te overbruggen, en om de sociale vrede te bewaren.

Zo wekten de media direct de suggestie dat Karst T. een loner was, vervuld van wraakzucht om de onverdraaglijke krenking van het ontslag, de afwijzing, en het daarop volgende gevoel van verlatenheid. Stilzwijgende conclusie: had die T. maar meer gecommuniceerd met de buren, een vriend, een relatie, ’de anderen’, dan was het drama niet gebeurd.

Dit is in het algemeen waar. De vanzelfsprekende vertrouwdheid met naasten leidt tot je gekoesterd en erkend voelen, tot tevredenheid met het bestaan. Helaas is die andere obsessie, die met de technische media als panacee voor al onze communicatieproblemen, groter. Dat is een fatale vergissing. En de voorgeschiedenis van die vergissing is al heel oud.

Als ik een tijdstip moest kiezen, zou het de dag zijn waarop de telefoon is uitgevonden, in 1876. Het jaar ervoor schreef Nietzsche zijn roemruchte woorden: ’God is dood, en wij hebben hem vermoord’. Daarna ontstond, bijna noodzakelijkerwijs, de droom van de totale communicatie tussen de mensen op aarde, er was niets anders meer. De muren rond de eigen geest werden een probleem. In 1874 muntte de psycholoog William James de term solipsisme, om het gevoel weer te geven dat de muren rond de geest ondoordringbaar zijn. Zijn collega Frederic Myers had twee jaar eerder het woord telepathie geïntroduceerd: alle muren zijn afwezig, je kunt direct en zonder tussenkomst van de ene geest in de andere komen.

Sinds die tijd is communicatie allengs een heilig begrip geworden. Het is het wondermiddel dat alle problemen tussen mensen, in een gezin, in een fabriek, in een samenleving kan verminderen of oplossen. De psycholoog Carl Rogers zag in de jaren vijftig de verbale communicatie als enige remedie voor interpersoonlijke problemen. Die opvatting miskent de waarde van het zwijgen, de aanraking – de non-verbale communicatie, kortom. Niettemin is de heilsverwachting van de technische media alleen maar intenser geworden.

Net zoals live televisie hemel of hel kan zijn, zo geldt dit ook voor al die middelen die ons tegenwoordig ter beschikking staan om online te zijn met anderen: gsm, msn, hyves, facebook, en het nieuwste van het nieuwste, twitteren. Dat twitteren stelt in staat om op elk moment aan anderen te laten weten hoe je je op dat moment voelt, wat je ziet en wat je overal van vindt. Zelfs politici als Hillary Clinton en Maxime Verhagen doen eraan mee.

Al dat hyven, internetten en twitteren heeft onmiskenbaar voordelen. Maar het is duidelijk dat de geruchtenvorming er enorm door wordt versterkt. Ook dat bleek deze Koninginnedag. Voorafgaand gonsde het in Nederland van de geruchten over een mogelijk abdicatie van de koningin op die unieke dag waarop voor het eerst in 29 jaar een defilé zou worden gehouden, een bordesscène op paleis Het Loo. En direct na de aanslag gonsde het eveneens van de geruchten over het aantal doden en gewonden, en natuurlijk over die dader. Het gerucht leeft van de onzekerheid. In onzekere tijden bloeit het gerucht.

Het is een bizar en treurig feit dat in Nederland nauwelijks of geen studies zijn verschenen naar ’het gerucht’. Het enige boek dat hier wel aandacht aan besteedde stamt uit 1938, ’Denkend mensch en menigte’, van de Duitse geleerde Kurt Baschwitz, na de oorlog tot 1957 hoogleraar massapsychologie. Hij beschrijft hoe mensen ten prooi kunnen vallen aan een ’verlammend idee’ en zich dan door een kleine groep laten meeslepen. En ook al luidt een van zijn bekende uitspraken: ’Tot de massa die u zo veracht, behoort altijd één meer dan u dacht’, zijn denken sloot nog aan bij de studie naar massagedrag, vooral bekend geworden door de 19de-eeuwse socioloog Gustav le Bon. De angst voor ’de massa’ lag hieraan ten grondslag.

Maar de belangrijkste studies over het gerucht komen al bijna een eeuw vooral uit Amerika. Vooral de Tweede Wereldoorlog stimuleerde het onderzoek. Geen wonder: hoe meer er op het spel staat, hoe meer geruchten. ’Feind hört mit!’, ’Think before you talk!’, ’Enemy ears are listening!’ en ’Don’t kill her Daddy with careless talk’, stond er op affiches met een rouwend kind, een vertrekkende soldaat (’If you tell where he’s going He may never get there!’), soms met het portret van Churchill of Hitler erbij.

Ook al is er geen consensus over de definitie van het gerucht, duidelijk is wel dat het een soort verklaring betreft waarvan de waarachtigheid niet snel of nooit wordt (of kan worden) geverifieerd. Aanvankelijk gingen wetenschappers ervan uit dat geruchten zich op lineaire wijze verspreiden. De psycholoog Louis William Stern zette in 1902 een stel mensen op een rij, fluisterde een boodschap in het oor van de eerste, die het weer moest doorvertellen aan de volgende. Bij de laatste bleek dat de boodschap veranderd, verkort en versimpeld was, en soms in het geheel niet meer leek op de oorspronkelijke boodschap.

Later werd ontdekt dat geruchten een bijzondere vorm van informele sociale communicatie zijn, net als mythen, legenden en humor. Maar waar humor een lach moet opleveren, smeekt het gerucht erom te worden geloofd. Er is dus altijd sprake van iemand die een gerucht vertelt – wie kan zelden worden getraceerd – en anderen die het geloven. Daarbij zijn er drie soorten geruchten. De eerste komt tegemoet aan verlangens bij het publiek (wishful thinking). De tweede bevestigt bestaande angsten (soms uitmondend in – morele – paniek), en de derde moet een wig drijven tussen mensen of groepen. De laatste soort was direct na de aanslag in Apeldoorn te horen: „Ik zag een zwarte man vlak voor de botsing uit de auto springen.”

Een mooie formule voor de intensiteit van het gerucht vind ik die van Gordon Allport en Leo Postman. Op basis van vele genoteerde geruchten tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven zij in hun boek ’The Psychology of Rumor’ uit 1947 de volgende formule: R = I x A. Ofwel: Rumor is Importance times Ambiguity. De kracht van het gerucht is het belang van de boodschap maal de dubbelzinnigheid. Als het belang of de dubbelzinnigheid nul is, is er geen gerucht.

Als je hoort dat je vrouw is overreden, maar ze zit naast je op de bank, dan hecht je nul waarde aan het gerucht. Als het gerucht gaat dat een kano in Oost-Congo 100.000 euro kost, kun je dat wel geloven, maar het belang voor jou is nul, en dus zal je het gerucht niet verspreiden.

Het zal duidelijk zijn dat de geruchtenvorming groter en intenser wordt naarmate het belang van het beweerde voor ons eigen leven groeit. Dat geldt in tijden van oorlog, en ook ten tijde van een economisch-financiële crisis.

In januari dineerde ik op vrijdagavond met een gezelschap. Iemand vertelde dat hij de volgende dag zou gaan skiën. Iemand anders vertelde dat de redactie waar zij werkte dat weekeinde paraat was voor het geval de ING ’om zou vallen’. De skiër werd wat bleekjes, en stond bijna op om te proberen nog die avond zijn spaargeld op andere rekeningen te krijgen.

Misschien heeft de huidige financiële crisis, te midden van de al langer heersende woelige politieke tijden, de geruchtenvorming versterkt over dat ene symbool van zekerheid en eenheid, het Koninklijk Huis.

Al gaan geruchten, net als in de tijd van Methusalem, ook nog van mond-tot-mond, de huidige wereld van talkshow, gsm, internet en twitter kan de geruchtenvorming steeds gemakkelijker op gang brengen en bijna à la minute het hele land door sturen. Waar er vroeger nog onderscheid werd gemaakt tussen geruchten en roddelen – het eerste over een publieke zaak, het tweede over private aangelegenheden – is dit verschil er nauwelijks meer. Zie Silvio Berlusconi en de perikelen met zijn vrouw Veronica Lario.

Als we even afzien van de propaganda en ’spin’ die eigen zijn geworden aan het politieke leven, kunnen we vaststellen dat in de mediawereld van RTL-Boulevard, De Wereld Draait Door, GeenStijl, meningen en niet feiten domineren. Nu alle communicatiemiddelen samensmelten kan een ’geruchtenbom’ explosieve werking hebben.

Hoe kun je geruchtenvorming tegengaan dan wel stoppen? Je kunt niets doen. Je kunt alleen iets lokaals doen (daar waar de geruchten bestaan). Je kunt discreet ingrijpen. Je kunt proberen de geruchten te ontzenuwen via alle media die je ter beschikking staan.

In het geval van ’de abdicatie’ van Beatrix gonsden de geruchten al vele maanden op internet, en niet alleen op GeenStijl. Een bekende columnist vroeg via zijn twittersite: „Geef me nieuwe geruchten over de troonsafstand!” Minstens één landelijke krant was in de week voor Koninginnedag al bezig de abdicatiepagina’s op te maken. En toen ikzelf te midden van al deze geruchten in een radioprogramma hier een losse opmerking over maakte, versterkte dat de geruchtenstroom waarschijnlijk ook weer.

Waarschijnlijk kozen het Koninklijk Huis en het kabinet voor de eerste optie: doe niets. Op de site van de Rijksvoorlichtingsdienst is niets te vinden over het besluit om dit jaar te kiezen voor een defilé. Elders is een bericht uit begin dit jaar terug te vinden van de Oranjevereniging Apeldoorn: het defilé was ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van prinses Juliana. Pas op 29 april antwoordde vicepremier André Rouvoet op vragen hierover in soortgelijke zin. Of zijn woorden op veel zenders zijn uitgezonden, is mij niet bekend.

Pas ná het drama in Apeldoorn lijkt de koningin voor de derde optie gekozen te hebben. Bekend is in elk geval dat oud-premier Lubbers op vrijdag én zaterdag contact heeft gehad met Hare Majesteit. Zondag zei hij in ’Buitenhof’ dat „Nederland in het hart is geraakt”, dat Beatrix het hart van de natie is, dat we in „een haastige wereld leven”, maar dat we nog de tijd hebben tot een troonswisseling, dat zij wat hem betreft nog moet blijven, maar dat we haar ook een rustige oude dag moeten gunnen.

De geruchtenvorming toont aan hoe belangrijk het is dat in onzekere, angstige tijden de politieke leiders van het land, zelf of via de Rijksvoorlichtingsdienst, klare wijn schenken.

Op 4 mei heeft de koningin uiteindelijk zelf op de Dam, met haar onverschrokken fysieke aanwezigheid, een einde gemaakt aan alle geruchten, alle onduidelijkheid. En ze heeft de wereld van talkshow en twitter laten zien waar het in het echte leven om gaat: op het juiste moment het juiste doen. Dat kan spreken zijn. En soms ook zwijgen.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel