Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Somberen over de macht van het beeld / De televisie als favoriete zondebok

Home

Al Gore en Hans Goslinga suggereren een diepe kloof tussen woord en beeld, feiten en sensatie, nuchterheid en hype, ratio en emotie. Onzin, vindt Henri Beunders.

Deze Letter & Geest is geheel gewijd aan de macht van het beeld. Klimaatgoeroe Al Gore maakt zich daarover grote zorgen. En ook politiek commentator Hans Goslinga ziet met lede ogen hoe beelden en emoties de feiten en de ratio verdringen. Mediahoogleraar Henri Beunders daarentegen vindt dat dáár niet het echte probleem schuilt.

Als mensen zelf in een diepe crisis verkeren, of alom een diepe crisis ontwaren, dan treedt niet zelden het aloude manicheïstische mechanisme in werking van scheiding tussen goed en kwaad. En van het aanwijzen van de zondebok die de crisis heeft veroorzaakt.

De crisis betreft dit keer, wederom, de dreigende teloorgang van de vertegenwoordigende democratie, in crisistermen ’mediacratie’ genoemd. Zowel in het essay van Hans Goslinga, als in het nieuwe boek van Al Gore moet ’de televisie’ het ontgelden. Die is de grote boosdoener, zoniet Satan zelf.

Bij Goslinga is het in feite de hele ’beeldcultuur’. Die zet hij tegenover de wereld van ’de dialectiek’ – de uiteenzetting, het geschreven woord, de redenering. Dat is de wereld van parlementaire democratie, rechtsstaat en ’waarheidsgetrouwe journalistiek’. In deze wereld heersen de feiten, de analyse, de objectiviteit. In de andere wereld – die van het beeld – regeren „de waan van de dag, de pose, de indrukken, de kortstondige en toevallige waarheid, de emoties, de hype en de tv-stamtafel”.

Volgens Gore gaat de Amerikaanse democratie ten onder als gevolg van ’geld’, ’televisie’ – men kijkt er vier uur en vijfendertig minuten per dag – en van de ultraverfijnde, bijna subliminale beïnvloedingstechnieken die de kiezer via internet hoogstpersoonlijk zover proberen te krijgen dat hij op deze of gene kandidaat stemt. Zo kunnen de ’mediamachiavellisten’ in feite instemming kopen voor elke kandidaat, aldus Gore.

Gore en Goslinga delen, kort samengevat, het idee dat televisie de emotie bevoordeelt boven de ratio.

Als mensen de wereld zo simplistisch voorstellen, Grote en Enkelvoudige Oorzaken aanwijzen zoals de Tirannieke Televisie, is het altijd verleidelijk met domme vragen te reageren. Ik kan de verleiding niet weerstaan.

* Waaróm kijken mensen zoveel televisie? Waaróm is het binnen blijkbaar zoveel aangenamer dan buiten? En waarom kijken ook ’de elites’ zelf steeds meer naar amusementsprogramma’s? Achter de klacht dat er onvoldoende Nova’s en Buitenhofs zijn kon weleens het verlangen schuilen er zelf te mogen zitten.

* Gore schrijft eerlijk dat hij zelf ook altijd ruim gebruikmaakte van die ’mediamachiavellisten’. Maar waarom verloor hij dan in 2000? En als de mediabazen én die ’mediamachiavellisten’ samen nu vrijwel álle macht in handen hebben, waarom verloor bijvoorbeeld Sylvio Berlusconi dan de verkiezingen, terwijl hij toch bijna al die media en al die machiavellisten hoogstpersoonlijk in eigendom had?

* En waarom zwijgt Gore over de alarmistische milieufilm ’An Inconvenient Truth’ die het begin van zijn come-back betekende? Film is hét medium voor schijn én emotie. De kernwoorden van film zijn projectie en schijnwerper, niet ratio of werkelijkheid, of al die dingen uit de ene hemelse wereld die Goslinga beschrijft.

* Waarom wordt nog altijd die idiote tegenstelling tussen ratio en emotie opgevoerd? Iedereen met een beetje kennis van de canon weet immers dat historisch gezien emotie de motor is achter élke sociale beweging – van de antislavernijbeweging tot Gore’s milieubeweging zelf.

Dan Machiavelli. Met hem komen we bij de kern van mijn bezwaar tegen het zwart-witdenken inzake macht en media. Net als Gore komt ook Goslinga met Machiavelli aanzetten. Hij zou in ’De Vorst’ een ’spottende beschrijving’ hebben gegeven van de beeldcultuur die zoveel ruimte biedt voor ’manipulatie, bluf en suggestie’.

Wat adviseerde Machiavelli De Vorst werkelijk over de manier waarop hij zich hoort te gedragen tegenover Het Volk, en over de kwestie of dat volk zich alleen maar laat leiden door schijn? Dit:

„Over het algemeen oordelen de mensen met hun ogen, eerder dan met hun handen; omdat iedereen in staat is te zien, en weinigen in de positie zijn om dicht bij je te komen. Iedereen ziet wat je lijkt te zijn, weinigen ervaren wat je werkelijk bent. En die weinigen durven niet in te gaan tegen de velen die worden gesteund door de majesteitelijkheid van de staat. In de acties van alle mensen, en vooral van de vorsten – waar er geen Hof van Beroep is – oordeelt men op basis van het resultaat. Daarom moet de vorst zich zetten aan de taak zijn staat te veroveren en te onderhouden. Deze methode zal altijd respectvol worden beoordeeld en zal universeel worden geprezen. Het gewone volk is altijd onder de indruk van schijn en resultaten.”

Dit lange citaat eindigt met het woord ’resultaten’. Het begrip komt in zowel het sombere stuk van Goslinga als in het boek van Al Gore niet voor.

Beide auteurs forceren een onoverbrugbare kloof tussen de krant en de televisie, het geschreven woord en het beeld, de ratio en de emotie, de feiten en de sensatie, de nuchterheid en de hype. De krant staat hierbij voor al het goede, de televisie voor al het slechte.

In werkelijkheid gaat het, zoals Machiavelli schreef, om ’schijn en resultaten’. Zodra daartussen een te grote kloof groeit, ontstaat er een probleem. Of dit nu in een krantenloos tijdperk gebeurt, zoals van Machiavelli, in een periode waarin de krant het dominante discussieplatform is, of in het televisietijdperk zoals wij dat kennen.

Zowel Gore als Goslinga lijken een fundamenteel probleem te hebben met emotie. Of dit met hun beider protestantse achtergrond te maken heeft, weet ik niet. Dat andere godsdiensten, zoals de rooms-katholieke, de halve liturgie opgebouwd hebben om emoties te kanaliseren, en voor verering van ’het beeld’ een prominente rol inruimen, is in elk geval duidelijk.

Als voorbeeld van de teloorgang van de democratische discussie noemt Gore het moment vlak voor de inval in Irak, toen er in de senaat een ’veelzeggende, akelige stilte’ heerste, in plaats van een heftig debat over de voors en tegens ervan. Als je dat verbaast, heb je weinig begrepen van emoties als angst en wraak die soms kunnen vrijkomen, zoals na de klap op 11 september. Evenmin snap je dan wat group think kan doen. (Hét manco trouwens in Polder Nederland.)

Goslinga ziet als redding van de verloederde journalistiek ’intermediale journalistiek’. Gore heeft het al niet meer over kranten. Hij ziet als enige redding internet. „De netwerkdemocratie dient zich aan. Je voelt het. Wij het volk [...] zijn nog steeds de sleutel tot het overleven van de democratie in Amerika.”

Wat een naïveteit! Alsof ’het volk’ altijd het goede zou willen. In 1914, in 1982 (Falkland) en in 1991 (Golfoorlog) stond ’het volk’ te juichen over de oorlog. En in de jaren dertig riepen de Duitsers tegen Hitler: „Bevrijd ons van de vrijheid.”

Een Amerikaans boek moet alarmistisch beginnen en optimistisch eindigen, anders verkoopt het niet. Maar zo eenzijdig Gore’s opvattingen over ’de oude media’ zijn, zo naïef is die over internet. Op volstrekt onverantwoorde, want generaliserende wijze kent hij ’de media’ onbreekbare macht toe. De communistische partij beheerste in Rusland vijfenzeventig jaar lang alle media. We weten hoe het daarmee afgelopen is. „The media is not the heart of the matter.” De kern ligt in de maatschappelijke ontwikkelingen. In de visie van leiders. En in de moraal van de mensen.

Politici zouden Machiavelli’s advies ter harte moeten nemen en de juiste verhouding in het oog moeten houden tussen ’schijn’ en ’resultaten’. Schijn is er immers altijd. Alle werkelijkheid wordt ’bemiddeld’ (of: gemediatiseerd). Of dit nu via het gerucht is, de krant, een foto, een film, televisie, internet, een kunstwerk. Zonder harde overtuiging wordt ons hele beeld van anderen en de wereld beheerst door suggestie. Maar als er te veel opgelegde schijn is, wordt dat gecorrigeerd. Door enkele onthullers, of door het volk zelf. Dat is in 2002 en daarna gebeurd, de onthullers zijn dood of gevlucht. Hun opvolger-zondebok heet televisie.

Journalisten hebben het de afgelopen tien jaar moeilijk gehad, dat is waar. Ze leden aan machts- en statusverlies, ten koste van de televisiesterren. Ze werden opgejaagd door de onderlinge concurrentie en de van bovenaf opgelegde commercialisering.

Voor zowel de Haagse politici als kwaliteitsjournalisten uitte de frustratie zich in imitatiegedrag. Rita Verdonk ging Fortuyn imiteren, en verloor. Wouter Bos ging Blair én Fortuyn imiteren, en verloor zichzelf, en de verkiezingen. Journalisten wilden óók graag bij Barend & Van Dorp aanschuiven, of in een forum meepraten op de radio. En tegenwoordig moeten ze met camera en podcast als een multimediale Nikkelen Nelis het land in.

Gore en Goslinga hebben veel zinnigs te zeggen. De externe voorwaarden voor een gezonde democratie zitten inderdaad niet mee. Maar de wederopstanding ervan begint toch, zowel voor de politicus als voor de journalist, met deze vraag: waarom ben ik politicus, waarom ben ik journalist? Wat is mijn boodschap, wat mijn visie?

Het probleem de afgelopen jaren was dat beide beroepssoorten dachten dat ze iedereen alles moesten geven, vanuit de gedachte dat méér beter is, en vaker ook. Dat is een vergissing. Zonder richting en zonder betekenis kun je wel heel veel informatie over mensen heen gooien – of in elke talkshow meelachen – maar uiteindelijk loop je dan als Jansen en Janssen eindeloos rondjes in de woestijn.

Dat hebben mensen door. Dan zappen ze, als consument in dit turbokapitalisme, weg naar Radar – het best bekeken televisieprogramma. Of ze gaan kaarten, hyven, sporten, naar het stadion. Maar de moeheid over ’de politiek’ is tijdelijk. De burgers zijn mondiger dan ooit. Als iets hun echt niet zint, zullen ze weer een actie op touw zetten, keihard ’nee’ roepen, of met stenen gooien, zoals in Rostock.

De journalistiek moet, onafhankelijk en voor niemand bang, dienstbaar zijn aan het nieuws. Aangezien de macht niet louter in het parlement ligt, heb je een fijne neus nodig om te ruiken waar de macht en tegenmacht zich wél ophouden. Wie dat beschrijft, onthult, wordt een ster. In welk medialandschap ook.

Prof. dr. Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam.

Deel dit artikel