Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Smaakbrekers uit het Guggenheim

home

JOKE DE WOLF

Tussen 1948 en 1960 voltrok zich een ware revolutie in de beeldende kunst. Een tentoonstelling in Amstelveen brengt die op spectaculaire manier tot leven.

Hang werken van Pollock, Appel, Rothko, De Kooning en Louise Bourgeois naast elkaar, en je krijgt een chaos die nog het meest lijkt op een verfwinkel waarin een olifant is losgelaten.

Tenminste, dat kun je denken, bij de aankondiging van de tentoonstelling 'From the Guggenheim Collection: international abstraction 1949-1960' in het Amstelveense Cobramuseum. Veel grote namen, veel zoektochten naar nieuwe kunst, veel verschillende soorten abstractie, dat kan makkelijk een rommeltje worden.

Het tegendeel is waar. Het is een spectaculaire tentoonstelling, met werken die prachtig hangen, voorzien van grondige én toegankelijke toelichting.

Het New Yorkse Guggenheimmuseum bracht maar liefst 51 kunstwerken uit de eigen collectie voor vijf maanden naar Nederland. Vrijwel stuk voor stuk werken van bekende namen uit de naoorlogse kunstwereld, en, veel belangrijker, goede werken. Niet dat ene schilderij dat de kunstenaar nog in z'n atelier had staan toen hij overleed, maar vaak juist aangekocht toen de verf nog nat was.

Natte verf zie je nog steeds bij het 'Schilderij', uit 1952, van Georges Mathieu (1921-2012): een groot horizontaal doek waar de Fransman de kalligrafische tekens direct uit de tube op het doek smeerde. Zo was volgens hem de 'actie' van het schilderen het best vertegenwoordigd. Vaak deed hij dat direct voor publiek. Inderdaad, net als zijn Amerikaanse collega Jackson Pollock, wiens 'drip paintings' hét schoolvoorbeeld werden voor 'action painting'.

Van Pollock is de 'Nummer 18', uit 1950, maar ook het drie jaar later gemaakte 'Ocean Greyness' te zien, waarin de kunstenaar juist weer terugkeert naar herkenbare, figuratieve verwijzingen: vanuit de bruisende grijze massa staren glazige vissenogen de toeschouwer aan.

De koper van al die verse werken: James Sweeney, directeur van het Guggenheimmuseum tussen 1952 en 1960. Sweeney had oog voor de nieuwe stromingen in de kunst: in 1953 maakte hij de tentoonstelling 'Younger European Painters', het jaar erop 'Younger American Painters'. Hij reisde er heel Europa en de Verenigde Staten voor af. 'Jonger' waren de kunstenaars niet direct qua leeftijd : Willem de Kooning, (die na dertig jaar in de VS trouwens als 'American' werd gepresenteerd), liep bijvoorbeeld al tegen de vijftig. Het was 'jong' in reputatie: het waren op dat moment grotendeels onbekende namen voor het grote publiek. 'Tastebreakers' noemde Sweeney ze.

Het museum was toen al meer dan tien jaar open. Zoals zoveel Amerikaanse industriëlen verzamelde mijnbouwmagnaat Solomon Guggenheim sinds het eind van de negentiende eeuw kunst. Hij ging met z'n tijd mee, en kocht, mede op aanraden van adviseur en kunstenaar Hilla von Rebay, steeds meer eigentijdse kunst, bijvoorbeeld van Kandinsky.

Rebay werd in 1939 directrice van Guggenheims 'Museum of Non-objective Painting', genoemd naar de enige soort kunst die er te zien was: die zonder 'object' of herkenbare vormen. Guggenheim overleed in 1949, en toen Sweeney in 1952 de directie van het museum overnam, haalde hij flink de bezem door het tot dan toe als ontoegankelijk en zweverig bekendstaande museum.

Hij verfde de grijsgetinte muren wit, verwijderde de gordijnen die Rebay achter de kunstwerken had gehangen, en hing de kunst in strakke lijsten op ooghoogte - daarvóór hingen ze vaak laag bij de grond. En Sweeney veranderde de naam naar Solomon R. Guggenheim Museum. In 1959, bij de opening van het door Frank Lloyd Wright ontworpen ronde museumgebouw, liet Rebay Sweeney per telegram weten wat ze van zijn aanpassingen vond: in plaats van de 'klassieke' vroege modernen, zou hij nu alleen nog 'nakomertjes' tentoonstellen: zijn aanwinsten waren 'Aftermath trash'.

Je kunt Rebay gelijk geven dat er weinig 'lijn' in de naoorlogse collectie zit. Maar daar ging het die kunstenaars nou juist om: weg van de vooroorlogse 'scholen', 'groepen' en 'stijlen'; elke kunstenaar moest en kon zijn of haar eigen manier van werken kiezen. Nationaliteit of afkomst waren niet belangrijk, het ging om het werk van de individuele kunstenaar. Het was 'Un art autre', andere kunst, zoals de Franse criticus Michel Tapié het in 1952 noemde - het werd ook de titel van deze zelfde tentoonstelling, twee jaar geleden in New York.

In één opzicht waren de kunstenaars het namelijk roerend eens: schilderkunst wérd anders, en het ging niet meer om het onderwerp van de kunst, maar in de eerste plaats om het schilderij zelf. Kijk maar naar de titels: opvallend vaak heten ze 'Painting', 'Composition', of hebben ze een nummer. Dáár gebeurt het, in het schilderen, in de verf of samen met andere materialen.

Die noodzaak van het 'vrij' schilderen spettert nog steeds van de doeken. Bij De Kooning, Pollock, Sam Francis, natuurlijk, maar ook bij de Europeanen. Zoals bij het 'Schilderij' dat Pierre Soulages in mei 1953 maakte, met dikke, zwarte strepen over elkaar. Met andere materialen gemengd, zoals de Spanjaard Antoni Tapiès deed: 'Bruin op zwart', olieverf gemengd met zand. En natuurlijk de Franse Jean Dubuffet (1901-1985), voorloper van de Europese abstracten, hier met een sprankelende 'Sterrenstof' van metaalfolie op houtvezelplaat te zien.

Dubuffet was vanaf 1945 geïnteresseerd in de zogenaamde 'Art Brut': kunst gemaakt door kinderen en geestelijk gehandicapten. Samen met vroegere leden van de Dadabeweging en Surrealisten publiceerde hij in 1948 al een manifest waarin hij de 'ongecontroleerde' kunst superieur verklaarde. Hij was een van de grote voorbeelden voor de nieuwe generatie.

Bijvoorbeeld voor de Belgische Cobrakunstenaar Pierre Alechinsky. Van hem zijn nu twee grote doeken te zien. Alleen vanwege de 'Mierenhoop' uit 1954 zou je al naar de tentoonstelling moeten komen: horizontale lijnen, in vale bruine tinten, waarin het krioelt van de beweging, vormen en vegen, zonder één keer een herkenbare afbeelding te maken. En zo krachtig dat het zelfs een olifant zou overleven.

*****

'From the Guggenheim Collection: international abstraction 1949-1960', Cobramuseum Amstelveen. Tot 31 augustus.

De bekende namen uit de naoorlogse kunst, en nog belangrijker: góede werken

Lees verder na de advertentie

Meerdere Guggenheims

De ándere Guggenheim in de kunsten is Peggy Guggenheim (1898-1979), een nichtje van Solomon. Na een verblijf in Parijs en in Londen opende ze in 1941, een galerie in New York: 'The Art of This Century', waarin ze zich net als haar oom richtte op moderne en hedendaagse kunst. In hetzelfde jaar trouwde ze met de Duitse Surrealismekunstenaar Max Ernst. Hoewel ze snel na de oorlog, gescheiden van Ernst, weer naar Europa terugkeerde, waar ze in Venetië haar eigen collectie een permanente plaats gaf, was haar verblijf in New York niet zonder nalatenschap gebleven. Ze had Jackson Pollock in 1943 zijn eerste solo-show gegeven, en hem bovendien vier jaar lang financieel ondersteund, en daarnaast veel andere Amerikaanse kunstenaars voor het eerst een tentoonstelling geboden.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie