Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Sjoukje Bouma 1911-2008

Home

Wouter Bax

Trainen deed ze nooit, maar een boerendochter trainde door het werk eigenlijk constant. Op 26 januari 1933 werd Sjoukje Bouma de eerste Nederlandse schaatskampioene op de korte baan.

Toen de winters nog echt winters waren, liep heel Friesland uit voor het schaatsen. Alleen Grou had al drie natuurijsbanen, één recht tegenover de melkveehouderij die de vader van Sjoukje Bouma daar vanaf haar tiende runde. Ze werkte mee en ging zodra het gezin in Grou woonde op gymnastiek, waar ze ook aan atletiek deden. Ze had een lenig en tenger figuur en won alles wat er te winnen viel. Zo sprong ze 2,5 meter uit stilstand, dus zonder aanloop. Maar haar grootste talent ontpopte zich in de winter van 1932 op 1933: het schaatsen op de korte afstand.

Op 23 januari zou het Nederlandse kampioenschap voor vrouwen voor het eerst worden gehouden in Sneek. Ze meldde zich, maar er bleken slechts twee deelnemers te zijn. Drie dagen later, toen de wedstrijd alsnog werd gereden, zette Sjoukje Bouma een tijd neer van 15,1 seconde op de 140 meter. Hoe snel dat is? De schaatslegende Atje Keulen-Deelstra legde deze afstand in 1969 af in 14,2 seconden, dus slechts 0,9 seconden sneller en nog op Noren ook. In 1997 deed Annamarie Thomas het in 14,15 seconden.

Tussen 18 januari en 30 januari van deze winter behaalde ze maar liefst tien prijzen. Met haar Nederlandse kampioenschap won ze vijftig gulden. Een arbeider verdiende toen achttien tot twintig gulden per week. Bij een wedstrijd in Kampen won ze honderd gulden, net als in Heerenveen. In Leeuwarden bedroeg de hoofdprijs tachtig gulden, uitbetaald in gouden tientjes.

Bij het schaatsen voor mannen was vrij normaal om voor de laatste ritten nog even te onderhandelen: wie gaat er deze keer als eerste over de streep? Maar Sjoukje vertelde dat zij dat „beslist nooit” heeft gedaan. Wel waren er geregeld meerdere wedstrijden op één dag, en verdeelden ze die, ook omdat ze niet constant even goed konden presteren. Met haar prijzengeld betaalde Sjoukje Bouma de hele uitzet van haar en haar man Libbe Stelwagen.

Libbe en zij waren tweehonderd meter van elkaar opgegroeid, ieder op hun eigen boerderij. Maar ze leerden elkaar pas echt kennen op de gymclub. Hun interesses liepen uiteen. Libbe was een hartstochtelijke scheepsbouwer en wedstrijdzeiler en bracht veel van zijn vrije tijd door achter de tekentafel om zeilschepen te ontwerpen. Hij is de geestelijke vader van onder meer de Aspirant en de Top. De boerderij waar Sjoukje ook na hun huwelijk nog geregeld bijsprong, bijvoorbeeld om te melken als er werd gehooid, kon hem weinig schelen. Op haar beurt had Sjoukje het niet zo op zeilen. Mogelijk kwam dat omdat ze ook liever niet zwom in diep water.

De economische recessie van de jaren twintig en dertig liet het Friese platteland niet ongemoeid. De moeder van Sjoukje Bouma vergat nooit dat ze een bestuurslid van de gymvereniging zag aankomen in zijn roeiboot, toen een onmisbaar vervoermiddel, om de contributie van zestig cent te innen. Ze had het niet en vond dat verschrikkelijk. Uit armoede moesten haar ouders de boerderij verkopen. Ze bleven er, maar waren nu pachters.

De oorlog bracht tekorten, maar geen honger. Sjoukje’s enige dochter Hetty werd geboren in een huisje bij de scheepswerf dat nu onderdeel is van een grotere woning. De zitkuil van nu, dat is het huisje van toen. In de winter stond de begane grond blank en legden ze er planken overheen tegen natte voeten. Toen Hetty één was, verhuisden ze naar een huis recht tegenover de ijsbaan.

Sjoukje bleef veel schaatsen en leefde oergezond. De tip van de dokter om roggebrood met kaantjes – uitgebakken spekjes in eigen vet – te eten, vertaalde zich in een in herfst en winter dagelijks terugkerende ramp voor haar dochter: een lepel spekvet, zo in de mond. En als Hetty bij het schaatsen een jas aanhad, deed ze duidelijk niet genoeg haar best. Anders had ze het ook zonder die jas wel warm genoeg gehad.

Maar Sjoukje Bouma hield van mensen en koesterde haar contacten. Ze genoot ook van de aandacht voor haar schaatsprestaties. Toen de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond in 1982 honderd jaar bestond, reed ze als eregast een rondje door het Thialfstadion in Heerenveen. Ze had haar schaatsen er speciaal voor laten slijpen, want ze was gewaarschuwd dat kunstijs veel harder is dan natuurijs. Ze genoot met volle teugen van het applaus.

In haar tijd zonder radio en televisie kwam ’iedereen’ naar de wedstrijden kijken. Nou ja, iedereen: haar moeder kwam nooit. Ze had een zwak hart en bleef thuis omdat de spanning haar wel eens te veel zou kunnen worden. Maar toen ze op een dag gejuich hoorde opstijgen op de ijsbaan aan de overzijde van de vaart, dacht ze: ’Sjoukje kan wel eens gewonnen hebben’. Inderdaad.

Sjoukje leerde het schaatsen als kind op een smalle sloot, haar broer op een brede vaart. Dat verklaart mogelijk waarom haar broer een prachtige lange, zwierige slag had, terwijl zij heel rechtuit schaatste. Hun schaatsstijlen botsten met elkaar bij het parenschaatsen, maar niet alleen omdat hun slagen niet samenvielen. Sjoukje Bouma was ook simpelweg te eigengereid om achter haar broer te schaatsen. Ze wilde voortdurend om hem heen kijken.

Ze moest altijd bezig zijn, zoals ook bleek na het vroegtijdig overlijden van haar man. Op 9 februari 1964 bezweek hij plotseling aan een hartaanval. Hij was 56, zij 52, en op 30 april van dat jaar overleed ook haar vader. Sjoukje stortte zich op de gymnastiekvereniging en de Plattelandsvrouwen, thans ’Vrouwen van nu’, en ging als lid van de kerkenraad ouderen bezoeken. Zo’n bekende Friezin op bezoek viel in de smaak.

Ze werd ook een enorme fan van het skûtsjesilen. Het verschil met zeilen was dat je dat zélf moet doen; naar skûtsjes kun je kijken en elk jaar monsterde ze daarvoor aan op de rondvaartboot van Grou. Tot aan haar einde bleef ze informeren naar de stand: „Hoe is it gongen? Grou sawnde? Hè potverdorie, nèt sa best”, zei ze bij de laatste wedstrijd.

Van schaatsen kreeg ze evenmin genoeg. Bij alle wedstrijden was ze aan de tv gekluisterd en elke winter hoopte ze dat haar kleinkinderen en achterkinderen konden schaatsen. Maar het klimaat werkte niet mee: ze leerden het schaatsen op het kunstijs in het Thialfstadion.

Haar mooiste toertocht reed ze in de beruchte winter van 1963, toen er een heroïsche Elfstedentocht werd gereden en het IJsselmeer potdicht was gevroren. Met haar dochter en schoonzoon reed ze op 4 maart van Staveren naar Andijk en terug. Halverwege snert eten, en met opgestroopte mouwen in de warme zon weer terug. Ze bleef erover praten.

Niet alleen sportief was ze een sprinter. Ze hekelde wachten, wat winkelen met haar lastig maakte. Wachten was voor haar bijna net zo erg als afhankelijk zijn, zoals ze ondervond na de laatste keer dat ze zou schaatsen, toen ze als zeventigjarige bij het klunen haar pols brak.

In het afgelopen jaar was ze kerngezond en kraakhelder, maar wel heel erg moe. Ze belandde in een verzorgingshuis, maar deed haar best om te ontkomen aan haar afhankelijkheid. Haar hekel aan wachten was nog even groot. Toch zou ze dat op het laatst geduldig doen, namelijk op haar kinderen en kleinkinderen. In de afgelopen weken informeerde ze steeds wanneer iedereen van vakantie zou terug zijn. Toen ze voelde dat het einde nabij was, vroegen de verpleegsters of ze de familie moesten laten komen. „Nee”, zei ze, want dan moest ze wéér wachten. Ze legden haar op bed en ze overleed binnen tien minuten. Stil en pijnloos, precies zoals ze het had gewild, en niet dan nadat ze alles had geregeld: de foto op de rouwkaart met op de achtergrond de boerderij waar ze opgroeide, de liturgie van haar uitvaart in de Nederlands Hervormde Kerk en de adressenlijst, die in de loop der jaren door iedereen die ze overleefde bol was komen te staan van de doorhalingen.

Veel van de schaatsspullen van Sjoukje Bouma liggen in de IJszaal van het Friese Scheepvaartmuseum in Sneek. Haar schaatsen, met de zwarte hoge gympies die als schaatsschoenen dienden, en ook haar medailles en een dagboekje.

Sjoukje Stelwagen-Bouma werd op 13 maart 1911 in Grou geboren. Ze overleed er op 15 juli 2008.

Deel dit artikel