Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Siciliaanse kiest de dood als aanklacht tegen de mafia

Home

CECILE LANDMAN

NISCEMI - “Ik ben een levende dode”, zegt de Siciliaanse Agata Azzolina. “Ze doen me een plezier als ze me vermoorden.” Lang en tenger, op haar hoofd een grote bos ravenzwarte krullen. Prachtige vrouw. Lijkt veel jonger dan haar drieënveertig jaar. Sierlijke handen steken gespannen de ene sigaret na de andere aan. “Ik voel me alleen. Alleen, alleen.”

Zó alleen, dat ze zichzelf nog geen twee dagen na dit gesprek ophangt in haar huis. Om gehoor te vinden voor haar verhaal zag ze geen andere uitweg dan zelfmoord. Haar dood was een aanklacht tegen de mafia, die Italië - even? - wakker schudde. Haar daad werd voorpaginanieuws voor alle kranten. Agata's dochter werd deze week belegerd door de Italiaanse pers, die tot dan toe geen oor had gehad voor dit zoveelste verhaal van afpersing en terreur. Ook politici toonden zich geschokt. De burgemeester van Niscemi, die een eenzame strijd voert tegen de mafia ter plekke, deed huilend voor de camera's zijn relaas.

Niscemi, Zuid-Siciliaans artisjokkendorp van nog geen dertigduizend inwoners, telt zesduizend werklozen en een hoge concentratie mafiose criminaliteit. Agata Azzolina ging er gebukt onder de pizzo, ook wel misplaatst 'beschermgeld' genoemd. Wordt dit door mafialieden opgeëiste geld niet afgedragen door winkeliers, marktkooplui en zakenlieden, dan kunnen de consequenties fataal zijn.

Dat bleek half oktober, toen Agata's man Salvatore en zoon Mimmo in het familiebedrijf, een juweliers- en jassenzaak, werden doodgeschoten. De spanning was al een tijd gegroeid, klanten waren vaak niet zomaar klanten; ze betaalden niet, of met ongedekte cheques. Vertaald is dit: het betalen van de pizzo onder dwang. Bijna alle bedrijven in Niscemi betalen volgens Agata deze pizzo.

Namen en feiten buitelen over haar lippen. Daar is moed voor nodig in Sicilië, veel moed. “Ik heb niets meer te verliezen”, zegt ze. “Dat wat ik weet, vertel ik openlijk. Ik ben voor niets meer bang.” Agata praat en praat, in haar donkere stem ligt een besliste toon.

“Ik voel me in de steek gelaten, helemaal alleen. Ik heb wel militairen voor mijn deur, maar die mogen me niet vergezellen op mijn tochten naar het kerkhof, naar mijn doden. Ik weet niet meer hoe te leven. De overheid is afwezig, terwijl die rotzakken er altijd zijn. Ze volgen me. Hun eis voor pizzo altijd daar. Ik begon te sterven op die dag, zestien oktober, toen ze mijn man en zoon vermoordden.”

“Ze kwamen met zijn tweeën, de broers Maurizio en Salvatore. Ze klopten aan en ik ging naar de deur, zeggend tegen mezelf: Agata, doe het niet. Ik was bang. Mijn man was doodsbleek geworden toen hij de twee zag. Ik verzamelde moed en opende. 'Mevrouw, we zijn alle juweliers langs geweest, dit is de enige waar we nog niet waren. Onze broer gaat trouwen en we willen wat sieraden zien.' Mijn zoon haalde wat laden uit de kluis. 'Nee, die zijn niet goed. We willen zwaardere ringen, met steen', zei een van die ploerten. Mijn man legde uit dat die moeten worden gemaakt. Een van de twee sprak een zin uit: 'En, zal ik haar halen?'

“Ik dacht aan de bruid, maar de twee keken elkaar aan met een blik van verstandhouding. Een gooide het witte tafeltje naar mijn man, de ander wierp zich op mij. Mijn zoon stond als versteend.”

- Vervolg op pagina 5

'We komen naar boven, je moet betalen' Ik voel me in de steek gelaten door de staat; de terreur groeit om je heen, en ook de stilte VERVOLG VAN PAGINA 1

“Ons pistool, met vergunning, lag in het kantoortje. Mijn man bukte zich en probeerde het te pakken. Maar die crimineel sprong hem op zijn rug. Ik zag hem het wapen pakken. Hoorde een schot. De man die me vast had probeerde ik in zijn been te bijten, maar hij trok me aan mijn haren. Na het schot was hij bang voor zijn broer. Zo kon ik me losrukken. Ik deed iets waar ik razende spijt van heb. Ik rende naar buiten en zag een bekende. Ik riep: Massimo, help me! Hij hoorde niets, had de stereo van zijn auto keihard aan staan. Ik riep en gebaarde tot hij me zag. Toen hoorde ik nog twee schoten. Ik riep Massimo naar de politie te gaan. Van die twee laatste schoten ging er een door het hoofd van mijn zoon. Een engel was hij. Heel naïef. Totaal ongeschikt voor de handel.”

“Ik liep terug en zag die schoft met een pistool. Hij zette het op mijn borst. Ik hoorde klik ... . Ik herinner me dat ik een gele jurk aan had, ik bekeek mezelf en vroeg me af of ik dood was. Ik dacht: hij heeft op me geschoten, maar waar is het bloed? Ik ging de winkel in en deed de deur op slot. Ik ging op de grond liggen sprak tegen mijn man en zoon ... ik was totaal de kluts kwijt: Mimmo, maar hoe heeft dit kunnen gebeuren? Die misdadiger wilde me vermoorden.”

“Mijn zoon was op de bank neergezet. Mijn man op de grond, allebei met de handpalmen omhoog. Mijn zoon hadden ze helemaal bewerkt. Overal messneden. Mijn man had allemaal putjes in zijn handen, alsof hij herhaaldelijk was gestoken. Ik draaide me om. De moordenaars waren nog in de straat.”

Agata denkt dat haar man had besloten geen pizzo meer te betalen. Misschien omdat er steeds grotere bedragen werden gevraagd, misschien omdat de gezichten van degenen die het geld kwamen halen waren veranderd. Ze gaf de twee broers die haar man en haar zoon hadden gedood aan bij de politie. Binnen een etmaal zaten ze vast. Maar de opdrachtgevers zijn vrij en de terreur ging door.

“Twee maanden later, in december, tegen zonsopgang ging het alarm van mijn winkel. Een ruit was kapot. De politie kwam en een agent waagde het te zeggen: 'Het moet van de kou zijn. Condens. Vannacht was het heel koud daardoor is het raam geknapt.' Ik antwoordde: Hoor eens, dat is nog nooit gebeurd. Mijn dochter vond iets in een bloembak. Ik schreeuwde haar toe eraf te blijven. Dacht dat het misschien een bom was. Maar het was een brief: 'Domme getuige. Je hebt nog een dochter. Je bent in onze handen. Je moet de pizzo betalen.' De woorden waren geschreven met stukjes krantenpapier. De lijm nog nat.”

“Op oudejaarsdag kwam een jongen de winkel in. 'Ik moet een jas kopen', zei hij. Het was 31 december en ik had geen bescherming, niets. Hij sprak door de dichte deur. Ik aarzelde. Zei hem dat ik niet de goede maat had. Hij: 'Maar mevrouw, hoe kunt u dat weten als u me niet binnenlaat?' Ik opende, vroeg naar zijn maat, pakte een paar jassen. Zegt hij: 'Maar hoezo jassen ... mevrouw, ik moet u zeggen, dat u de pizzo moet betalen. Zo'n winkel als de uwe, niet betalen, dat kan niet.'

“Ik heb die crimineel bij zijn schouders gepakt en hem gezegd: Mijn prijs heb ik betaald, het was een hoge. Ik doe daar niets bij. Hij gooide me tegen de vloer, opende de kassa en pakte het geld, zestienhonderd gulden. Ik werd beestachtig kwaad en viel hem aan. Hij pakte mijn hoofd en hield een stuk glas onder mijn keel. Ik kon me niet bewegen. Stikte bijna. Toen hij vertrok zei hij: 'U moet betalen'.”

“Een andere avond in januari, het onweerde hevig, er werd aangebeld. Een stem zei door de intercom: 'We komen naar boven, je moet betalen. Als je niet betaalt breken we je deur open. Heb je begrepen dat je de pizzo moet betalen?' Ik antwoordde: 'Kom boven als je lef hebt'. Ik belde de politie. Die kwam en zij verdwenen ... .

“Sinds ik een militaire patrouille onder mijn huis op wacht heb staan krijg ik geen bedreigingen meer. Toch is het schoelje altijd aanwezig. De laatste keer was op het kerkhof. Een jongen stak voor mij de straat over, hij sprak zonder me aan te kijken. Hij zei: 'De doden betalen geen pizzo, de levenden wel.' Ik begon als een gek te rennen en op het kerkhof zag ik een oud vrouwtje. Ik omarmde haar, was doodsbang.

“Ik vroeg om een lijfwacht, maar die kunnen ze niet geven. Alle agenten zijn ingezet bij het proces in Caltanisetta (over de aanslag op rechter Falcone, red.). Mijn vrienden hebben me niet in de steek gelaten. De overheid wel. Ik voel me in de steek gelaten door de staat ... . Ze laten me niets weten van het onderzoek naar de moord op mijn man en zoon. Er komt niemand langs, geen politici, geen vakbonden. De terreur groeit - en ook de stilte.”

Dit alles en meer vertelde Agata vorige week donderdag. Op de begane grond stond voor de ingang van haar huis sinds anderhalve maand een militaire patrouille op wacht. Nog geen twee dagen later, in de nacht van 22 op 23 maart, hing ze zich op in haar huis. Ze werd gevonden door Chiara, haar dochter.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie