Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

SCIENCE CENTERS

Home

SYBE I. RISPENS

NewMetropolis heet het gloednieuwe science and technology center dat bovenop de IJtunnel in Amsterdam wordt neergezet. Hoe past de nieuweling tussen de wetenschapsmusea in andere Europese hoofdsteden? In de aanloop naar de opening op 3 juni belicht deze serie de kijk op wetenschap, techniek en samenleving zoals Britten, Duitsers, Fransen en tot slot Nederlanders die in hun nationale wetenschap- en techniekmuseum tentoonstellen. Kreuzberg: Openingsjaar: 1983 Vloeroppervlak: 14 000 m2 (na nieuwbouw: 50 000 m2) bezoekers 1996: 300 000

De herdoop - eerst heette het Museum für Verkehr und Technik - geeft al aan dat het museum zich rond de eeuwwisseling weer wil gaan meten met de grote techniekmusea van Europa. Juist vandaag zet men in Berlijn weer een stapje in de ingeslagen richting, met de opening van het complete archief van het elektroconcern AEG. Duizenden meters akten, verdragen en patenten uit de 'schatkamer van de Duitse industriegeschiedenis' komen zo voor het publiek beschikbaar. Daarmee onderstreept het techniekmuseum nog eens dat het niet alleen maar oude apparaten en machines wil laten zien, maar dat het ook oog heeft voor de politieke en sociale kanten van wetenschap en techniek.

Het heeft lang geduurd voordat er in het na-oorlogse Berlijn weer een techniekmuseum kon verschijnen. De tientallen verzamelingen op het gebied van wetenschap en techniek die de stad aan het begin van deze eeuw rijk was, rekende men bij de wederopbouw niet tot het Duitse culturele erfgoed. Alléén kunst is cultuur, zo werd er geredeneerd, en dus kregen de Berlijnse kunstschatten in de jaren zestig wel nieuw onderdak, maar ging veel van de omvangrijke wetenschappelijke en technische collecties verloren. Pas in 1982 werd het museum voor verkeer en techniek gebouwd, op de ruïnes van de Anhalter Gueterbahnhof.

Het gerestaureerde goederenstation is zelf een bezienswaardigheid. Gelegen op wat eens een centraal verkeersknooppunt was, met zijn rails, locomotiefloodsen en fabriekshallen, is het museum getuige van de negentiende eeuwse spoorwegrevolutie.

Geen wonder dat men in het museum de geschiedenis van het railverkeer breed uitmeet. Verspreid over twee locomotiefloodsen wordt de ontwikkeling van het eerste railsgebruik tot de moderne treinen in chronologische volgorde vertelt. De nadruk ligt daarbij op de techniek.

Een gang langs de lange rijen locomotieven laat zien dat de ontwikkelingen op de rails zich in de vorige eeuw snel opvolgden. Om een indruk te geven van de enorme vooruitgang die de stoomtrein opleverde: de reistijd van Berlijn naar Keulen verminderde in 1853 van een hele week naar nog geen veertien uur. Anders dan bij de groei van het scheepvaartverkeer, waarbij industriële activiteit samenklontert in een havenstad, zorgde de snelle uitbreiding van het spoorwegennetwerk voor een economische verdeling van werk en goederen over het hele land. Het web van spoorwegverbindingen bracht een nog nooit vertoonde nationale eenheid tot stand. Zelfs in de tijdmeting werd door de trein eenstemmigheid gebracht.

Voor veel bezoekers zal de grote verzameling gebalsemde locomotieven wat te veel van het goede zijn. Toch is het in de locomotiefloodsen niet alleen maar techniek. Ook de sociale en politieke gevolgen van de spoorwegrevolutie komen aan de orde. Zo wordt er een beeld geschetst van de duistere plannen die Hitler en zijn minister van defensie Albert Speer met de spoorwegen hadden. Met grootscheepse steun aan de Reichsbahn hebben de Nationaal Socialisten in een paar jaar tijd een technologisch hoogstaand spoorwegarsenaal klaargestoomd.

Tussen de imposante en geoliede locomotieven uit de jaren dertig en veertig staat ook een vervallen veewagon, als getuige van de donkerste bladzijde uit de Duitse spoorweggeschiedenis. Duizenden joden zijn in wagons als deze naar concentratiekampen getransporteerd. Via een opstapje kun je in de veewagen komen, waarna de identificatie met de vermoorde slachtoffers compleet is.

Wat de oorlog betreft en de rol van wetenschap en techniek daarin, is het Berlijnse techniekmuseum veel kritischer dan het oudste en (nog) grootste techniekmuseum van Duitsland, het Deutsche Museum in München. Zo heeft men in Berlijn precies vijftig jaar na de oorlog de doopceel gelicht van een aantal top-ingenieurs van het Derde Rijk, die naar eigen zeggen “alleen maar gefascineerd waren door de techniek”. Zijn ingenieurs slechts willoze werktuigen in de handen van de Nationaal-Socialisten geweest? Nee, meenden de makers van de expositie, als wetenschappers hadden zij vaak veel beslissingsruimte en moeten ze dus verantwoording afleggen voor de dood van duizenden dwangarbeiders in de Duitse oorlogsindustrie. Voor een techniekmuseum is dat een controversieel standpunt, dat breekt met de opvatting dat techniek nu eenmaal niets anders is dan het politiek-neutraal uitwerken van natuurwetenschappelijke principes.

Ook bij de nieuwbouwplannen kan het Deutsche Technikmuseum Berlin niet gemakkelijk om de oorlog heen. Vaak is dat om heel praktische redenen al onmogelijk. Zo is het de bedoeling om in het nieuwbouwgedeelte twee van Berlijns grootste vooroorlogse technische verzamelingen in ere te herstellen: die van het scheepvaartmuseum en het luchtvaartmuseum. Geen geringe klus, want de inhoud van het later platgebombardeerde museum voor luchtvaart bijvoorbeeld werd tijdens de oorlog naar Pommeren verscheept, nu Pools grondgebied. Lange onderhandelingen met het luchtvaartmuseum in Krakov hebben er toe geleid dat de helft van 's werelds grootste verzameling oude vliegtuigen in het nieuwbouwgedeelte van het techniekmuseum in Berlijn komt te staan.

Niet alleen schepen en verloren gewaande vliegtuigen komen weer voor het publiek beschikbaar, maar ook een omvangrijke bibliotheek. Veel techniekhistorici kijken al rijkhalzend uit naar de honderdduizenden documenten, die meer dan een halve eeuw hebben staan verstoffen. De opening van het archief van AEG is slechts een voorproefje.

Een van zijn belangrijkste taken ziet het Deutsche Technikmuseum Berlin in het zoeken naar verbindingen tussen techniek en samenleving, en dan met name in de jongste geschiedenis, de tijd van het Nationaal-Socialistische regime. Dat uitgangspunt staat een kritiekloos verzamelen en tentoonstellen van oude machines en apparaten, zoals dat bijvoorbeeld in het Science Museum in Londen gebeurt, in de weg.

In de volgende eeuw zullen veel van de verloren gegane wetenschappelijke en technische musea van Berlijn voor het eerst onder een dak te bezichtigen zijn. Onder de musea van destijds die men nieuw leven heeft ingeblazen, is ook het eerste echte science center van de wereld, waar bezoekers meer dan honderd jaar geleden al zelfstandig natuurkundige proefjes konden uitvoeren. Dat gedeelte is inmiddels heropend, en dus kan men in Berlijn om zo te zeggen nu al de overgrootvader van het Amsterdamse NewMetropolis opzoeken.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie