Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Schilder in stilte

Home

Henny de Lange

Jan van der Kooi heeft het fijnschilderen losgelaten, hij werkt nu losser en abstracter. Wat anderen ervan vinden laat hem koud.

Voor het eerst sinds vijf jaar exposeert kunstenaar Jan van der Kooi weer. In Museum De Buitenplaats in Eelde laat hij zien waar deze zelfgekozen lange periode van afzondering toe heeft geleid. Stillevens schildert hij nog steeds en hij houdt ook nog altijd van de kleur wit in alle gradaties, maar niet langer gaat het hem om het zuivere afbeelden van de visuele werkelijkheid. De verbeelding is nu bij hem aan de macht.

In zijn atelier, in een voormalige notariswoning in Friesland, laat hij een stilleven zien van een mandje met citroenen op een witte vloer. „Daar kom ik vandaan”, zegt hij. Hij haalt een ander schilderij tevoorschijn. „En hier ben ik nu gekomen.” Tegenwoordig durft hij rustig de schuurmachine te gebruiken, als hij glans in een flesje wil suggereren. Ook gebruikt hij naast het penseel nu de verfroller en het plamuurmes. „Na dertig jaar glaasjes met het penseel geschilderd te hebben, pakte ik een plamuurmes en ontdekte dat ik dat ook kan.” Ook bij het tekenen schuurt hij de laatste tijd rustig delen weg. Dat was vroeger ondenkbaar. „Dat deed je niet. Dat is me op de Academie nooit voorgedaan.” Op de Academie Minerva in Groningen leerde hij ’binnen de lijntjes’ te tekenen en te schilderen. Nu durft hij daar ook buiten te gaan. „Maar dat kan alleen als je geleerd hebt hoe je binnen de lijntjes moet werken.” Waag het dus niet om hem een fijnschilder te noemen, want dat is hij niet meer. Dat was zijn oorsprong.

Met zijn nieuwe manier van werken heeft Jan van der Kooi (1957, Bedum) ook liefhebbers van zich vervreemd. Niet iedereen kan het waarderen dat zijn stillevens niet meer een zuivere weergave zijn van de visuele werkelijkheid en dat zijn werk losser en ook abstracter is geworden. Daar staat tegenover dat anderen hem daar juist om zijn gaan waarderen. Maar dat maakt hem verder niet uit. „Ik ga toch mijn eigen gang.”

Dat begon al op de opleiding tot tekenleraar in Leeuwarden die hij eerst volgde, omdat zijn ouders vonden dat hij later wel zijn brood moest kunnen verdienen. Van der Kooi, die als jongetje altijd al ’de paarden die hij onderweg naar school zag in de wei’ wilde tekenen, kreeg daar veel kritiek van zijn docenten. Niet vanwege de anatomische onvolkomenheden in zijn tekeningen van dieren en mensen, maar vanwege zijn ’belachelijke reactionaire visie’. In die tijd was figuratief werk absoluut not done. „Het waren de jaren van het avant-gardisme en ik viel volstrekt uit de toon met mijn barokke hand van tekenen. Ik heb me nooit wat aangetrokken van die kritiek. Maar het heeft wel invloed gehad op mijn keuze om vervolgens naar de Academie Minerva in Groningen te gaan. Daar word je nog degelijk onderwezen in de teken- en schilderkunst. Ze hebben daar nooit de tradities overboord gezet. Dat wil niet zeggen dat men daar de ogen sluit voor abstracte kunst.” Hij wijst naar een klein abstract doekje van een van zijn favoriete docenten, Martin Tissing. „Tissing hield van abstracte kunst, maar snapte dat het allemaal begint met leren tekenen en schilderen in de oude tradities van het vak.”

In Museum De Buitenplaats hangen zo’n honderd tekeningen en schilderijen, maar de afgelopen jaren maakte hij een veelvoud aan tekeningen. Elk jaar maakt hij een lange reis, naar Nepal, China of Peru, om te tekenen. Meer dan honderd volle schetsboeken liggen er inmiddels bij hem thuis. Er zullen vijf boeken van worden gemaakt, elk met een ander onderwerp. Bij de opening van de expositie wordt het tweede deel gepresenteerd.

Vijf jaar geleden was zijn werk voor het laatst te zien, eveneens in Eelde. Van der Kooi beloofde toen in het jaar dat hij vijftig zou worden, terug te komen. „Ik ben geen exposant, dat leidt maar af. Laat mij maar schilderen en mijmeren. Als galeries me benaderen, houd ik de boot af. Ik verkeer in de luxe omstandigheid dat ik het niet nodig heb. De mensen kopen toch wel mijn werk, ze komen hier gewoon aan huis. Ik heb mezelf altijd kunnen bedruipen, al vanaf mijn laatste jaar op de Academie.”

Nieuw is dat hij met een vast model werkt: de roodharige Marjolein. „Roodharigen hebben vaak een heel mooie witte huid. En ik hou van wit.” Hij staat er wel eens van te kijken hoeveel gradaties wit er zijn. Hij wijst naar het witte raamkozijn in zijn atelier en het effect van het witte transparante gordijn dat ervoor hangt, het zonlicht dat erdoorheen speelt, de schaduwwerking. Zijn meest recente werk is een vierluik van datzelfde raam. Hij schilderde het in verschillende ’stemmingen’: tijdens een voorjaarsbries, toen er sneeuw lag, in de zomer en op een bewolkte dag. Hij ging er met de schuurmachine overheen en smeerde met het plamuurmes verfbanen in het wapperende gordijn. Het is een stilleven, maar zoveel losser en atmosferischer geschilderd dan zijn roerloze klassieke vloerstillevens van glaasjes met sneeuwklokjes en mandjes met fluitenkruid, overspoeld door zonlicht.

Wat niet veranderd is, is de vloed aan zelfportretten. Als model heeft hij zichzelf steeds bij de hand. Soms wordt hem ijdeltuiterij verweten, omdat hij zichzelf zo vaak afbeeldt. „IJdel? Al die chagrijnige en gekke koppen... Soms ontstaan ze uit een vlek. Ik ga ook nooit voor een spiegel zitten, mijn beste portretten ontstaan als ik mezelf betrapte in het voorbijgaan van een spiegel. Wie ben je als niemand kijkt? Dát intrigeert me, net als de scheidslijn tussen wat normaal en niet normaal is. Mijn eigen gezicht gebruik ik als vehikel om allerlei gezichtsuitdrukkingen te onderzoeken. Kun je aan iemands gezicht zijn geestesgesteldheid aflezen, die vraag boeit me. Ik informeer me ook door daarover met een psychiater te praten.” Het resulteerde in een zelfportret waarop hij zich heeft afgebeeld als een maanzieke. „Het is geen gelijkend portret, zeggen de mensen dan, nee, maar het is wel een spannend portret.”

In wezen verschillen zijn zelfportretten niet van zijn dierenportretten. „Ook dan ben ik op zoek naar de essentie van wat bijvoorbeeld een tijger is. Eindeloos ben ik aan het tekenen om het dier in al zijn houdingen en uitdrukkingen vast te leggen. En toen ik misschien wel 1500 tijgers had getekend, ontdekte ik dat de essentie van de tijger niet in zijn vel zit. Je kunt ook een dier tekenen zonder gestreept vel waarbij toch meteen duidelijk is dat het om een tijger gaat.”

Op dezelfde manier exploreerde hij het gezicht van zijn overleden vader, zoals hij dat eerder deed bij een overleden vriend. De eerste tekeningen mislukten: „Het verdriet was zwaarder dan een tekening kan dragen.” Iedere dag tot de begrafenis ging hij terug om te tekenen, tot het portret het dichtst bij ’dode vader’ kwam. Het was zijn manier om afscheid te nemen. „Het was ook een eerbetoon aan mijn vader. Zelf zou hij het wel begrepen hebben. Het was geen sensationeel portret, maar een ingetogen en respectvol schilderij. Helaas heeft een aantal familieleden dat niet begrepen. Sommige willen niets meer met me te maken hebben. Mijn drang om altijd mijn eigen weg te kiezen, heeft me succes gebracht, maar er hangt wel een prijs aan. Eigenlijk word ik steeds meer een einzelgünger.”



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie