Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Rudi Visker: Botsen mág in etiquette

Home

Sebastien Valkenberg

Rudi Visker ziet botsende waarden en een heftig publiek debat niet als problemen. Maar we moeten er wel een nieuwe etiquette voor ontwerpen, vindt de Vlaamse filosoof. ’En niet dooremmeren.’

Met zijn vorige boek greep hij vorig jaar net naast de Socrateswisselbeker. Nu heeft Rudi Visker, als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven, een ’Lof der zichtbaarheid’ geschreven.

Waarom een lofzang op de zichtbaarheid? Camera’s zijn immers alomtegenwoordig; iedereen kan zijn fifteen minutes of fame opeisen. Al snel blijkt dat Visker niet wil opkomen voor dit type zichtbaarheid. Hij is op zoek naar een publieke ruimte, „die er op dit moment niet of nauwelijks is. Mocht die er zijn dan zouden de reacties in het maatschappelijk debat wellicht minder intens zijn.”

De publieke ruimte die hem voor ogen staat kan helpen de multiculturele samenleving leefbaar te houden. „Tegenwoordig kun je niet buiten komen zonder geconfronteerd te worden met verschillen.”

Hoe gaan we daarmee om? Visker: „Voor de moord op Theo van Gogh zei men dat we ons moesten openstellen voor anderen. Dus wat deed de overheid? Geld pompen in programma’s die ons lieten zien dat anderen niet minderwaardig zijn.”

De achterliggende, meestal impliciete strategie was: maak de verschillen inzichtelijk, dan volgt het begrip daarvoor vanzelf.

Deze strategie is volgens Visker te gemakkelijk. Beleidsmakers zouden daaruit concluderen dat het beleid gefaald heeft; volgens hem is er iets anders aan de hand. Om dat toe te lichten maakt hij een onderscheid tussen begrijpen en begrip hebben, dat in het integratiebeleid nogal eens veronachtzaamd wordt. Het eerste betreft een cognitieve act, het tweede een empathische – het verschil tussen snappen met je verstand en invoelen.

Hoe graag men het ook zou willen: meer kennis van het andere leidt niet automatisch tot de erkenning daarvan. Of zoals Visker het stelt: we kunnen andermans waarden wel begrijpen maar kunnen daar geen begrip voor hebben.

„Mijn affectief vermogen om begrip op te brengen hinkt na op mijn begrijpen.” Voor Visker is hier niet zozeer sprake van een tekortkoming maar wordt veeleer iets bloot gelegd: we staan niet onverschillig tegenover onze eigen waarden. Daarvan kunnen we niet zomaar afstand nemen, laat staan afstand doen. Tegen keuzerelativisme van het type anything goes – dat ervan uitgaat dat we met onze waarden omgaan als met een jas die je aan en uit kunt trekken – verzet Visker zich.

Visker kiest zijn woorden uiterst zorgvuldig, en preciseert die vaak later weer. Soms betreurt hij het dat hij de attributen mist die hem als docent ter beschikking staan. „De moeilijkheid met zo’n interview is dat je geen bord hebt – dat je niet meer weet vanwaar je komt.” Toch heeft zijn betoog een heldere architectuur. Hij bouwt geduldig totdat hij is waar hij wil zijn.

„Verschillen zijn niet op te lossen.” Visker laat er geen misverstand over bestaan. „Ze zijn alleen draaglijk te maken.” Een belangrijke rol ziet hij daarin weggelegd voor zijn alternatieve openbare ruimte. Nu komt de kern van zijn nieuwste boek ter sprake. De dominante opvatting ziet de publieke sfeer als een medium waarin we uitdrukking kunnen geven aan private gedachten en gevoelens. Zij is er om ons hart te luchten. „Ik noem dat expressivisme.”

Hij pleit voor een andere publieke ruimte, die níet fungeert als een spiegel van de ziel maar die het leven in een wereld vol verschillen enigszins zou kunnen verlichten. Op dat spoor werd hij gezet toen hij nadacht over de praktijk van het rouwen.

Tot voor kort bestond daarvoor een geraffineerde etiquette. „Vroeger was het de gewoonte dat men na het verlies van een dierbare zwarte rouwkledij droeg”, licht Visker toe. „De gemeenschap verwachtte dit en sanctioneerde het. Droeg je geen rouw, of niet lang genoeg, werd er bijvoorbeeld kwaad over je gesproken.”

Meteen voegt hij hieraan toe dat hij het verleden niet wil verheerlijken. Het is hem alleen te doen om het patroon van het uiten van rouw.

„Wat is het verschil tussen vroeger en nu? Tegenwoordig ziet men de rouw in de lijn van het expressivisme: de zwarte kleding is een medium met behulp waarvan men uiting geeft aan het verdriet.” Maar we kunnen het ritueel niet op zijn waarde schatten wanneer we de sombere kleur slechts beschouwen als een teken van smart. Sterker, deze benadering van het zwart leidt er zelfs toe dat de rouwkleding op een zeker moment wordt ervaren als een last. Visker. „Zij houdt namelijk in dat je onwaarachtig bent als je even niet verdrietig bent en tóch rouwkleding draagt. En omdat niemand permanent verdriet voelt leidt dat tot een knagend schuldgevoel.”

Bovendien rijst de vraag: wanneer is de rouw ten einde? „Dat is een beslissing waar je nu alleen voor staat”, zegt Visker. „En de moeilijkheid is dat het besluit de rouw af te leggen er op zou duiden dat je geen verdriet meer voelt. Vandaar dat sommigen er tegenwoordig maar niet toe komen de rouw af te leggen.”

Terwijl de rouw ooit bedoeld was als hulpmiddel om zo’n beslissing niet alleen te hoeven nemen. Zij deed veel meer dan passief de rauwe emoties weergeven. Visker wijst op hoe de rouw een actieve rol speelde in de verwerking daarvan. „Bij een overlijden heb je geen verdriet, je baadt erin. Je kunt er geen afstand van nemen. Die brengt het ritueel aan omdat het een begin, een verloop en een einde kent.”

Op een zeker moment verklaart het de periode van rouw ten einde en staat het de nabestaanden weer toe hun gewone kleding te dragen. Het ritueel „knipt het verdriet in stukken. Daardoor kunnen we ons er pas toe gaan verhouden.”

„Waar was ik ook alweer gebleven?” Na een korte koffiepauze is Visker de draad van zijn betoog even kwijt. „De contouren van een andere publieke ruimte?”, opper ik. Die geeft hij vorm via de analogie met het rouwritueel. Dat kan niet volledig in expressivistische termen worden uitgelegd. Het is niet slechts een manier om onze emoties naar buiten te brengen, maar draagt er actief aan bij deze hanteerbaar te maken. Zo moet men in de publieke ruimte niet alleen emoties naar buiten brengen maar ze ook hanteer maken. In plaats van dat zij louter dient als doorgeefluik voor onze mening.

„Het gaat mij niet om een revolutionair project van de publieke ruimte”, benadrukt hij, „maar om een ethos van de publieke ruimte.” Met behulp van formele regels proberen we bijvoorbeeld een discussie in goede banen te leiden. Belangrijker is volgens Visker dat ze helpen het venijn uit het debat te halen. Zoals het rouwritueel de dood lokaliseert in tijd en ruime doet de publieke ruimte dat met onze meningsverschillen, hoe heftig die ook zijn. „Daar kun je problemen achterlaten. Als je er daarna over blijft dooremmeren draag je het voortdurend met je mee. Natuurlijk veronderstelt dat een zeker ethos, een soort bewonen van de publieke ruimte.” Dat ethos reguleert ook de debatten in ’s lands belangrijkste vergadering: de Tweede Kamer. Hoe hard een Kamerlid en een minister ook botsen, na afloop schudden ze elkaar de hand. Die hand maakt dat ze daarna weer door één deur kunnen.

Er wordt regelmatig geklaagd over de toon van het publieke debat: die zou te heftig zijn. Visker hoopt dat de openbare ruimte waarvan hij de omtrekken heeft geschetst, uiteindelijk een dempende werking heeft. Daar mogen we fors van mening verschillen. Maar net zo belangrijk is dat we de onenigheid daarin kunnen achterlaten, zodat we er niet permanent aan worden herinnerd. Verschillen zijn misschien niet op te lossen, maar in dit type publieke ruimte krijgen ze tenminste een plaats ’zodat ze de samenleving niet voortdurend teisteren’. In zijn boek geeft hij verschillende voorbeelden, zoals de symbolische rol van de Waarheid en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika. „Dat is een van de voorbeelden die me op deze denkpiste gezet hebben. De commissie had haar rapporten geschreven – duizenden bladzijden – en één van de commissieleden zei: nu hebben we eindelijk dat rapport opdat we nooit zullen vergeten.”

Nee! , werpt Visker tegen. „Het is precies omgekeerd. Nu zijn daar die boeken opdát kan worden vergeten!”

Rudi Visker: Lof der zichtbaarheid. Een uitleiding in de hedendaagse wijsbegeerte. Uitgeverij SUN, 341p., euro 24,90, ISBN 9085064600.

Deel dit artikel