Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Roel van Duijn

Home

arjan visser

Roel van Duijn (Den Haag, 1943) is liefdesverdrietdokter. Hij was een van de oprichters van Provo en de Kabouterbeweging. Zijn veertigjarige politieke loopbaan eindigde in november 2008, toen hij na vijf jaar afscheid nam van de Amsterdamse Deelraad Oud Zuid. Sinds een stukgelopen relatie houdt hij zich voltijds bezig methet bestrijden van liefdesverdriet.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn moeder had de leiding over de Lotuscirkel, een zondagsschooltje voor theosofische kinderen dat op zondagochtend bij ons thuis werd gehouden. Ik herinner me dat we in een kring moesten gaan zitten, elkaar een hand geven en dan goede gedachtes moesten verzamelen die we, onder het uitspreken van de woorden ’hoger, steeds hoger, het gaat naar de sterren’, naar de kosmos moesten laten opstijgen. Ik weet nog dat ik wilde weten wat er zou gebeuren als ik slechte gedachtes had. Ik zag tijdens een van die seances een vliegtuig overvliegen en dacht eraan hoe het neer zou storten, maar kennelijk werd die ene kwade gedachte van mij door de goede gedachtes van de anderen geneutraliseerd want er gebeurde helemaal niets.

Er vormde zich vrij snel een soort van scepticisme ten aanzien van het geloof van mijn ouders, een houding die werd versterkt toen ik mij ging interesseren voor de wereld om mij heen. Ik groeide op in de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog. Ik werd geboren in het Haagse Bezuidenhout. Nadat ons huis was gebombardeerd, kraakten mijn ouders de woning van een weggevluchte bunkerbouwer aan de Laan van Meerdervoort en moest ik, om bij de 1ste Nederlandse Montessorischool in de Laan van Poot te komen, een gebied doorkruisen waar ooit de Atlantikwall was gebouwd en dat nu uitsluitend uit puin bestond. Op een dag vroeg ik mijn ouders: ’Hoe komt het eigenlijk dat het hier zo’n puinhoop is?’ ’Nou’, zeiden ze, ’er is oorlog geweest.’ Oorlog? Hoezo? Langzamerhand kwam ik erachter: een zekere meneer Hitler had behoorlijk vervelende dingen gedaan. ’Hij waadde in meren van bloed’, zei mijn vader. Toen ik erover door ging vragen, zweeg hij. Daarom ben ik over die tijd gaan lezen en kwam met nieuwe vragen, over het fascisme. Hoewel de theosofie tijdens de bezetting verboden was geweest, zeiden mijn ouders toch dat ze liever niet over dat onderwerp wilden praten omdat dit ’alleen maar slechte gedachtes’ op zou roepen. Daar was ik het niet mee eens. Enerzijds omdat ik nieuwsgierig was naar de geschiedenis, anderzijds omdat ik vond dat je slechte ideeën moet bestrijden door er juist wél over na te denken.

De opvoeding had ook veel goede kanten. Mijn ouders zeiden bijvoorbeeld dat je alle godsdiensten ter wereld als gelijkwaardig moet beschouwen omdat ze allemaal eenzelfde boodschap kennen, namelijk dat liefde het cement van de wereld is. Ze geloofden in karma en in reïncarnatie: we moeten nu dingen leren om daar in een volgend leven voordeel van te hebben en onszelf, via een keten van levens, te vervolmaken. Ik weet niet altijd of mensen opnieuw geboren worden, ik twijfel over karma, maar de kracht van liefde, ja, daar geloof ik wel in.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Aanbidding, daar deden we thuis niet aan. Volgens theosofen heeft alles een goddelijke ziel dus is er ook geen reden om het een boven het ander te stellen. Bomen, dieren, mensen: alles is God. Daardoor is bij mij ook de kaboutergedachte makkelijk geland. Ik zal je vertellen hoe dat ging. Het begon zo. Provo was zo goed als dood. Ik was ziek en ik dacht dat ik, net als mijn vader, aan kanker ging sterven. Ondertussen vroeg ik mij steeds af: hoe moet het verder met de revolutie na de dood van Provo? De dokter kwam. Eerst gaf hij mij aspirientjes, daarna penicilline, maar het hielp allemaal geen bliksem. Ik bleef maandenlang op bed liggen piekeren. Op een dag kwam de dokter weer en gaf me een geniaal advies. Hij zei: ’Van Duijn, je bent helemaal niet ziek. Je moet ophouden met dat broeierige gedenk en de stad uitgaan. Ga eens werken op een boerderij, bijvoorbeeld.’ Ik was een stadsjongen, wist niets van boerderijen, maar ik herinnerde me wel dat mijn ouders van dat ambachtelijke Looverendale brood aten. Ik zocht het woord op in de telefoongids, vond een nummer, belde, kreeg een boer aan de lijn en zei: ’Ik ben een provo. Kan ik bij jullie komen werken als vrijwilliger?’ Hij antwoordde: ’Alleen als je je baard afscheert, want dat wordt hier in de buurt niet gepikt.’ Ik schoor mijn baard af en nam de trein. Bij de boer aangekomen leerde ik hoe je gewassen zonder gif en kunstmest moest verbouwen. Ik knapte op, maar bleef me afvragen hoe de maatschappij moest veranderen nu onze beweging opgeheven was.

Op een avond stond ik op het aardappelveld te schoffelen toen op een naburige akker een zware aardappelloofklapper aan het werk ging. Dat ding klapte het loof van de planten waarna de aardappels met de hand gerooid konden worden. Ik vroeg de boer: ’Gaan wij dat morgen ook doen?’ ’Ben je gek geworden?’ zei hij, ’hoor je dat geraas niet? Daar jaag je alle kabouters mee weg!’ Die kabouters, vertelde hij, waren hard nodig voor de groei van de gewassen. Toen zag ik het licht. Dát was de oplossing! De kabouter als symbool voor de mens die in evenwicht is met de natuur. We moesten een Kabouterbeweging stichten! Ik heb diezelfde avond de trein naar huis genomen en onderweg het eerste manifest geschreven. Kort daarna werd ik in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen. Mijn openingswoorden waren: ’Sorry, ik ben geen mens. Ik ben een kabouter.’ En ik droeg een gedicht voor over vrouwtje Piggelmee dat te veel gevraagd had aan het tovervisje waardoor Piggelmee en zijn vrouw in de omgekeerde Keulse pot bleven wonen. Ik verbond het verhaal aan actuele politieke toestanden in het Amsterdamse havengebied. Daar werd zand gestrooid, natuur verwoest: alles ging kapot. Vrouwtje Piggelmeepolitiek, zei ik. Er werd om gelachen. Er werd cynisch over gedaan. Maar uiteindelijk is de Kabouterboodschap toch bij veel Amsterdammers binnengekomen.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Je moet mensen in hun religieuze gevoelens ontzien. Dat is iets heel teers, intiems in hun hart en niet kwaad in zichzelf dus waarom zou je daar iemand mee willen kwetsen? Een provocatie moet ergens op gericht zijn, bijvoorbeeld op het ontmaskeren van autoriteit. Niet op godsdienst. Wij werkten als Provo’s en Kabouters samen met kerken. We hielden Kabouterzondagen en openden winkels als De Witte Neger; alles was erop gericht om cultuur en religie met elkaar te verbinden.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik ben tegen onderbrekingen. Je moet hard werken prettig maken, zo prettig dat je er niet moe van wordt. Rust, totale rust, vind ik in muziek. Piano spelen. Dan zoek je het in de harmonie der sferen, gevoelsbevrediging zonder strijd. Chopin is mijn favoriet. Ik zou haast zeggen: een geestverwant. Romantisch én strijdbaar. Ik heb bij mijn vertrek uit de deelraad de revolutie-etude gespeeld. Die heeft hij gemaakt toen hij in Parijs zat en brieven kreeg uit Warschau waarin stond dat de Russen waren binnengetrokken, dat zijn zus was verkracht en de hele boel kort en klein was geslagen. Het is een oproep tot opstand. Dat vond ik een mooie boodschap om afscheid mee te nemen.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Tijdens het bombardement schuilden wij onder de trap van ons huis. Ik zat bij mijn moeder op schoot. Terwijl het huis instortte, deed mijn moeder tegen mij alsof het een spelletje was. ’Boems, daar gaat de voordeur!’ ’Hee, dat lijkt wel een rotje!’ Ik kan het me natuurlijk niet herinneren – mijn zus heeft het me later verteld – maar ik weet zeker dat ik daardoor ongetraumatiseerd uit die oorlog ben gekomen. Het is het beeld dat altijd aan mijn moeder kleeft: een warme, enthousiaste vrouw die mij voor alles wilde beschermen.

Mijn vader was afstandelijker. Altijd een hoed en een das. Een accountant. Beetje een statige, teruggetrokken man. Hij leerde me schaken. Hij heeft me, met behulp van Seneca, geprobeerd uit te leggen hoe je moet leven. Ik denk de laatste jaren vaak aan hem. Hij is inmiddels al bijna net zo lang dood als hij heeft geleefd. Is gestorven aan leverkanker. Een half jaar voor zijn dood hadden we een groot conflict gehad.

Het begon ermee dat ik –ik was een jaar of zeventien– op een dag bij de sigarenboer een krant zag hangen met daarop een foto van Bertrand Russell die op Trafalgar Square in Londen door de politie werd opgepakt, omdat hij samen met andere mensen zat te demonstreren tegen de atoombom. Ik zag die foto en dacht: ja, dat is goed, zó is het ons op de Montessorischool – mijn ouders ondersteunden dat – geleerd. Geen oorlog meer. Vrede. Democratie. Ik riep een paar klasgenoten op mee te doen en zo bezetten wij de volgende ochtend een kruispunt waardoor het verkeer vastliep en ik werd opgepakt. Mijn vader – die rond die tijd ziek werd, Stoïcijn wilde worden en zich min of meer voorbereidde op de dood – schreef een verdedigingsrede die ik in de rechtbank heb uitgesproken. Hij baseerde zich op Cicero die meende dat mensen moeten gehoorzamen aan ongeschreven regels die boven de wetten van het rijk staan. Hij steunde mij. Tot ik met mijn vriend Hans op de Puch naar Amsterdam reed om daar demonstraties te organiseren. Ik herinner me nog goed dat ik op een woonboot zat. Het was ijskoud. Mijn vader belde op en zei: ’Roeland, kom onmiddellijk naar huis. Ik heb nog maar vierhonderd gulden op de bank en ik ben doodziek.’ ’Sorry pap’, antwoordde ik, ’ik kan niet komen, want ik heb een politieke opdracht.’ Hij werd erg kwaad. De school had inmiddels gebeld en gezegd dat ze mij, met mijn gespijbel en mijn idiote acties, van school moesten halen of naar de psychiater moesten sturen. Toen ik na een paar dagen weer thuis was, sprak mijn vader een tijdje niet meer met mij. Gelukkig kwam het op zijn sterfbed nog goed. Ik was inmiddels op een ander gymnasium aan mijn eindexamen begonnen en hij zei dat hij trots op me was, dat ik het goed deed. Vlak voordat hij in coma raakte zei hij tegen mijn moeder dat hij ’door een gouden poort ging’. Dat vond ik wel warme, intieme gedachtes.

Mijn moeder is veel later, eind jaren tachtig, overleden. Ze was gezond, kwiek, hield van muziek. Toen ik thuis woonde, begeleidde ik haar op de piano als ze de liederen van Schubert zong. Haar dood was minder schokkend. Ze was vijfentachtig en is van ouderdom gestorven.

Mijn ouders geloofden dat ze in het nirwana zouden komen. Ik ben er zelf niet zo van overtuigd, maar ik houd van mijn ouders en het helpt me te geloven dat ze daar, uiteindelijk, toch terecht zijn gekomen.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Dit is mijn eerste herinnering: ik zit op de arm van mijn vader en we kijken, vanaf ons balkon, naar de Duitsers die door Canadese soldaten met stenguns worden afgevoerd. Het is een sfeer van immense tevredenheid die ik nooit van me af heb kunnen zetten. Het kwaad was verslagen. Dat daar militair geweld aan te pas moest komen, heb ik nooit kunnen veroordelen.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Ik had als jongen al veel last van liefdesverdriet; het raakte me bijzonder diep als een verhouding uitging. En later, toen ik aanhanger werd van de vrije liefde – een van mijn uitgangspunten was dat jaloezie de creativiteit van de ander doodde – kreeg ik er natuurlijk ook het deksel op mijn neus. Want je wordt tóch jaloers, en jaloezie bleek niet eens een altijd te verfoeien emotie te zijn als je relatie in gevaar dreigde te komen. Daar komt nog bij dat ik lange tijd de neiging heb gehad om vrouwen te kiezen die ik zou kunnen redden. Het is een fatale neiging geweest, want redders in de liefde worden altijd slachtoffer. Er komt opstand van de geredde, een conflict en dan is het spel uit. Iedere keer weer. Tel daar tenslotte nog bij op dat ik altijd een workaholic ben geweest en je ziet dat ik mij al die jaren, onbewust, heb voorbereid om liefdesverdrietdokter te worden.

Liefdesverdriet, merkte ik een jaar of zes geleden, was het zwakste punt in mijn leven geworden. Ik werd verlaten door mijn vrouw, wist mij met mijn verdriet geen raad en ben er toen met lotgenoten over gaan praten. Ik gaf raad en dat hielp hen. Want het is met mensen zo gesteld: je kent jezelf heel slecht, maar je kunt de ander vaak vrij makkelijk doorzien. Ik ben me gaan verdiepen in de vraag wat me bezielde, waardoor ik nou zo van de kaart was; wat liefdesverdriet precies inhield. En toen kwam ik erachter dat je je helemaal vereenzelvigt met de ander en jezelf als een verworpene beschouwt die eigenlijk niet meer bestaat. Je beeldt jezelf in dat je die ander bent, de ander kijkt niet meer naar jou, dus ben je er niet meer. Daar begint de genezing: je moet weer van jezelf gaan houden.”

VIII Gij zult niet stelen

„Ik heb een keer mijn eigen boek – ’Het Witte Gevaar, over Provo’ – gestolen uit De Bijenkorf. Ik vond het niet in de haak dat schrijvers maar zo’n klein percentage van de opbrengst kregen terwijl het warenhuis meer dan eenderde opstreek. Ik dacht: als ik word gearresteerd, kan ik tijdens het proces uitleggen wat mijn bezwaren zijn. Ik deed het zo opzichtig mogelijk, maar kon toch zonder problemen met mijn boek de winkel uitlopen. Die diefstal heeft dus tot niets geleid. Overigens zou ik zoiets –als er sprake is van oneerlijke verdeling– geen diefstal willen noemen. Eerder schadevergoeding.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Mag ik nog even terugkomen op de ervaringen die ik in mijn praktijk als liefdesverdrietdokter heb opgedaan? Ik kom er steeds meer achter dat het niet het feit dat je partner het met een ander doet voor de problemen zorgt, maar dat er omheen gelogen wordt. Het zorgt onveranderlijk voor een vreselijk conflict, een sfeer van verraad. Liegen is namelijk in strijd met liefde. Daar komt alleen maar onheil van.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Vroeger dacht ik: ik ben beroepsrevolutionair en als ik oud ben, dan moeten wij in een wereld leven die democratisch en vreedzaam is. Ik beschouw mezelf niet als echt erg oud, maar wel als ouder en ik constateer dus dat het niet is gelukt. Ja, in Amsterdam en omstreken, een beetje. Daar kan ik nog wel trots op zijn, maar het frustreert me dat het niet op grotere schaal is gelukt. Voor een deel is het de historische knoop waarin de mensheid nu eenmaal met zichzelf is verwikkeld, maar voor een deel zie ik het ook als mijn eigen tekortkoming. Ik had harder moeten werken. En misschien minder moeten schaken‿ Ik had grootmeester willen worden, maar ik ben gestopt met schaken toen ik de anarchistische filosoof Kropotkin las die beschreef hoe hij door Azië trok op zoek naar een nieuwe visie op de structuur van Siberische hooggebergte, volkeren tegenkwam die door het tsarisme werden onderdrukt en tegen zichzelf zei: ’Wat voor recht heb ik om me aan zoiets moois als de aardrijkskunde te wijden zolang deze mensen nog onderdrukt worden door het systeem waar ik deel van uit maak?’ Dat was het moment waarop ik zelf begreep dat ik als beroepsrevolutionair moest gaan leven en moest stoppen met dingen die mij geheel in beslag namen, zoals schaken. Maar als je iets goed kan is het altijd verleidelijk om je er wéér mee bezig te gaan houden, dus drie jaar geleden ben ik opnieuw lid geworden van een schaakclub. Je zou mijn prijzenkast moeten zien: glanzende bekers. Laatst ben ik seniorenkampioen van Amsterdam geworden. Schaken is een verblindend spel – combineren, vooruitdenken – waar je helemaal in verdwijnt. Je hebt geen lichaam meer, als je schaakt. Het is ook ontzettend leerzaam. Ik heb in de bestrijding van het liefdesverdriet uitgevonden dat één van de beste methodes om eroverheen te komen is, aanvaarden dat je hebt verloren. De winst van het verlies is dat je kunt analyseren waarom je hebt verloren en zo voorkomen dat je diezelfde fout nog eens zult maken. Dat heeft het schaakspel mij geleerd. Kunnen verliezen is een deugd.”

Deel dit artikel