Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Rijkaard durft meer dan zijn voorgangers

Home

MATTY VERKAMMAN

KATWIJK, ARNHEM - In zijn eerste weken als bondscoach heeft Frank Rijkaard benadrukt dat het Nederlands elftal met een 'brede' voorhoede moet spelen. In de geest van de tactische denkbeelden van Johan Cruijff en Louis van Gaal, dient Oranje ook volgens Rijkaard maling te hebben aan de al jaren durende internationale ontwikkeling, die vaak in een volgestopt middenveld en één of twee geïsoleerde spitsen voorziet. Ook vanavond tegen Ghana zal Oranje weer breed uitwaaieren, zo luidt de opdracht van de nieuwe bondscoach.

Toptrainers zijn het vaak niet met elkaar eens, zodra zij discussiëren over de bezetting van de vleugels. De 'durvers' à la Cruijff, Van Gaal en Rijkaard nemen de onmiskenbare risico's van echte wingers voor lief. Een Belgisch/Duits georiënteerde trainer als Arie Haan, is er juist van overtuigd dat de tijd van de buitenspelers al lang voorbij is. Haan telt veel geestverwante denkers. De fans van de typisch-Hollandse school zijn internationaal in de minderheid.

Ook bij het Nederlands elftal is het tactisch thema der buitenspelers vaak een terugkerend item. Zelfs dit jaar nog, toen Oranje op het WK in vergelijking met de meeste andere deelnemers attractief speelde, maar op gezag van Guus Hiddink aan de rechterkant ook op twee gedachten bleef hinken.

Rijkaard lijkt meer te durven dan zijn voorganger. Zo mocht zaterdag de internationaal nog zo groene Heerenveen-rechtsbuiten Jeffrey Talan tegen Peru al debuteren. Met ook nog Marc Overmars aan de linkerkant, was sprake van een systeem dat in het midden van de jaren zestig al werd gespeeld: 4-2-4; ook al noemt Rijkaard zijn systeem formeel 4-4-2. Met rechtsbuiten Talan, diepe spits Kluivert, schaduwspits Bergkamp en linksbuiten Overmars, plus Ronald de Boer als 'rechtshalf' en Davids als 'linkshalf', ziet Oranje er precies zo uit als de nationale ploeg uit de beginperiode van Johan Cruijff. Toen, bij Cruijff's debuut in 1966 tegen Hongarije, ging het om deze formule: rechtsbuiten Sjaak Swart, diepe spits Johan Cruijff, schaduwspits Klaas Nuninga, linksbuiten Piet Keizer, rechtshalf Bennie Muller en linkshalf Miel Pijs. Achterin gaat de vergelijking ook op: rechtsback Frits Flinkevleugel (nu Reiziger), de centrale verdedigers Rinus Israël (Frank de Boer) en Daan Schrijvers (Stam) en linksback Cor Veldhoen (Cocu).

Vooral omdat de twee buitenspelers defensieve risico's met zich mee brengen, hebben nogal wat bondscoaches juist hun twijfels in de richting van deze specialisten naar voren laten komen. Zie de ontwikkeling vanaf het najaar in 1984, toen Kees Rijvers als bondscoach sneuvelde en werd opgevolgd door:

Rinus Michels, bondscoach tussen november 1984-juni 1988; wegens gezondheidsproblemen tussen februari 1985 en maart 1986 vervangen door Leo Beenhakker. Ruud Gullit en Marco van Basten zijn in deze periode als spitsen al zo goed, dat voor echte buitenspelers vaak geen plaats is. Michel Valke, Erwin Koeman en Simon Tahamata zijn aan de linkerkant meer middenvelders dan aanvallers. Rob de Wit dient zich wel als orthodoxe linksbuiten aan, maar hij wordt geveld door een hersenbloeding. John van 't Schip wordt als rechts- en linksbuiten gebruikt, maar omdat hij vaak niet overtuigend speelt, kiest Michels voor Europees kampioen Oranje uiteindelijk voor een team waarin Gullit en Van Basten de kar trekken en Erwin Koeman en Gerald Vanenburg als 'hangende buitenspelers', of 'valse' middenvelders fungeren. Zij zijn geen buitenspelers, die regelmatig de achterlijn halen.

Thijs Libregts, september 1988-december 1989. Mede door de weinig coöperatieve houding van de vedetten Gullit en Van Basten, kiest Libregts afwisselend voor extra middenvelders en gespecialiseerde buitenspelers. De middenvelders Vanenburg en Erwin Koeman blijven de toon zetten. Echte buitenspelers als Huistra, Roy, Van 't Schip, Berghuis en Latuheru worden wel opgesteld, maar een volgende wedstrijd niet eens geselecteerd.

Leo Beenhakker, mei-juni 1990. Het WK-toernooi in Italië mislukt voor Oranje. Van buitenspelers moet de interim-bondscoach Beenhakker niet veel hebben. Hij gokt nog altijd op de klasse van Gullit en Van Basten, maar komt bedrogen uit. De twee vedetten blijven ver onder de maat. De enkele keren dat zij aan de zijkanten mogen mee doen, kunnen Gillhaus en Van 't Schip het vastgelopen Nederlands elftal niet meer los trekken.

Rinus Michels, september 1990-juni 1992. In zijn derde termijn als bondscoach uit Michels herhaaldelijk zijn bedenkingen tegen buitenspelers. Vooral in Roy ziet hij het eigenlijk niet zitten. Gericht op de EK-eindronde in Zweden wil de Generaal echter op Cruijffiaanse manier zijn loopbaan als coach afronden. Roy is linksbuiten, Gullit rechtsbuiten. Roy doet het goed, Gullit klaagt achteraf dat hij het knap waardeloos vond om op gezag van Michels aan het lijntje te blijven hangen. Zijn Italiaanse tijd heeft Gullit juist geleerd dat buitenspelers in tactische zin kwetsbaar en ouderwets zijn.

Dick Advocaat, september 1992-december 1994. Onder Advocaat wordt vrijwel altijd van twee buitenspelers uitgegaan. Die keuze geeft Oranje een fris gezicht. Gullit botst echter met Advocaat, want hij vindt het maar niks, rechtsbuiten spelen. Overmars is op rechts dan al gevaarlijker dan Gullit. Andere buitenspelers die het goed doen zijn Taument, Roy en Van Vossen. Met zijn keuze voor een rechtsbuiten en een linksbuiten, rekent Advocaat af met het vooroordeel dat hij een behoudend ingestelde coach zou zijn.

Guus Hiddink, januari 1995-juli 1998. De opvolger van Advocaat komt uit de tactische cultuur van PSV; de club waarmee hij in 1988 de Europa Cup I won en die toen al van halve buitenspelers uit ging. Bij Oranje trekt Hiddink die lijn der voorzichtigheid door. Roy is de eerste buitenspeler die er uitvliegt. Roy maakt het Hiddink overigens zelf gemakkelijk, door te zeggen dat hij niet langer een lijn-gebonden aanvaller wil zijn. In de praktijk betekent dit automatisch het einde van de interlandloopbaan van de sierlijke Amsterdammer. Hiddink begint op de EK-eindronde van 1996 nog wel met twee buitenspelers: Jordi Cruijff op rechts, Peter Hoekstra op links. Soms wekt Hiddink de indruk dat hij die tactische keuze eigenlijk tegen heug meug heeft gemaakt. Nog tijdens het toernooi in Engeland, stapt hij van zijn systeem af. Twee jaar later kiest hij in Frankrijk voor een halve oplossing: Overmars vooruitgeschoven op links, Ronald de Boer teruggetrokken op rechts.

Drie maanden later legt Hiddinks assistent Frank Rijkaard uit dat hij van die halve oplossing een hele oplossing wil maken. Het gaat om aanzienlijk meer dan een nuanceverschil.

Deel dit artikel