Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Recht en slecht een onverdraagzaam leven

Home

tekst: Onno Blom

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zachtjes tot de verbeelding - voorbij de laatste woorden. Een serie. Vandaag: het grafmonument van J.J. Slauerhoff.

'In Nederland wil ik niet sterven, / En in de natte grond bederven / waarop men nimmer heeft geleefd. / Dan blijf ik liever hunkrend zwerven.' Aan de diepste wens van de dichter en scheepsarts J.J. Slauerhoff, 'Slau' voor zijn vrienden, die zich gedurende zijn korte leven over verre, lege zeeën sleepte, zou niet worden voldaan. Hij stierf op 5 oktober 1936, achtendertig jaar oud, te Hilversum. In Nederland.

In zijn leven én in zijn poëzie leverde Slauerhoff een bittere strijd met het noodlot - al wist hij dat hij die strijd zou verliezen. 'Nu weet ik', dichtte hij, 'nergens vind ik vree, / Op aarde niet en niet op zee. Pas aan die laatste smalle ree, / van hout in zand.' Vóór die laatste smalle ree woedde een storm die nimmer zou gaan liggen. Slauerhoffs werk is doortrokken van onvervuld verlangen, woede en chaos. De kracht van zijn gedichten zit niet in het gepolijste of fijnzinnige. Integendeel, ze zijn rauw, melancholisch en schrijnend. 'Warsch en wrevelig,' om met J.C. Bloem te spreken.

Al op zijn eerste reis als scheepsarts, in januari 1924, aan boord van de Riouw van Amsterdam naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, werd Slauerhoff hardhandig aan zijn sterfelijkheid herinnerd. Geen van zijn passagiers werd ziek, maar zelf werd hij getroffen door een longbloeding. In zijn scheepshut schreef hij toen de eerste versie van het gedicht 'Ante la Muerte', 'Voor de dood', dat eindigt met de regels: 'Maar dra zal mij 'n verkillend leefgevoel, / reeds groot en ijlverheven onverschillig, / Na 'n laatst verlangen voor het laatst onwillig, / Losmaken van de aantrekkingskracht der aard.'

Twaalf jaar later, in de zomer van 1936, publiceerde hij het gedicht, in herziene versie en nu onder de titel 'Uitvaart', in 'Een eerlijk zeemansgraf'. Het duurde vier maanden voordat Slauerhoff zou sterven. 'De bundel draagt een omineuze titel', schreef de dichter in een briefje aan zijn collega P.C. Boutens. In oktober 1935 was Slauerhoff met zware malaria van boord van zijn schip gehaald en overgebracht naar het Ospedale Protestante in Genua. Daarna verbleef hij enige tijd in kuuroorden in Merano, Annecy en Lausanne. Maar na een nieuwe terugval -'Ik ben de gastheer van gezellige malaria-plasmodiën'- keerde hij in februari 1936 terug in Nederland. Voorgoed, naar achteraf blijkt.

Slauerhoff werd in zijn laatste maanden verpleegd in Pension Huize Carla, aan de Boslaan in Hilversum. Hoewel hij sterk vermagerd was en doodmoe, bleef hij zich woedend vastklampen aan het leven. 'Je hebt ongelijk te denken dat ik 't leven niet bemin', schreef Slauerhoff aan een vriendin. 'Meer dan de meesten heb ik ervan genoten, veel te veel soms wat mij ook geen goed heeft gedaan.' Hij overwoog nogmaals naar een kuuroord af te reizen, maar was daarvoor te verzwakt. Op 5 oktober 1936, om zeven uur 's avonds, bezweek hij aan een combinatie van malaria en tuberculose, 'la maladie des poètes'. Drie dagen later, op een zonnige herfstmiddag, werd Slauerhoff gecremeerd. In Westerveld in Driehuis waren de belangrijkste Nederlandse dichters van zijn tijd aanwezig: J.C. Bloem, Martinus Nijhoff en Roland Holst, die Slau in zijn laatste dagen had bijgestaan - het valt allemaal te lezen in Wim Hazeu's biografie van de dichter. Prominent afwezig was alleen Slauerhoffs vroegere vriend Du Perron, met wie hij gebrouilleerd was geraakt, en die de dichter vlak voor zijn dood in een brief aan Ter Braak nog had getypeerd als 'een kaduke scheepsdokter die zich piraat waant'. Toch schreef Menno ter Braak, die wel naar de crematie was gekomen, later aan Du Perron: ,,Dit is de eerste van ons, de eerste van wien ik het gevoel heb, dat hij ondanks alles 'van ons' was.'' En Du Perron moest hem gelijk geven.

Een crematie is geen 'eerlijk zeemansgraf'. Maar Slauerhoffs as werd door zijn moeder wel hoog op een heuvel gezet, op een plek vanwaar men vroeger de zee kon zien. Slauerhoff kan er bij gunstige wind nog altijd de 'zeeroep' horen, zoals een van zijn gedichten luidt: 'Ik woon zoo ver van zee, zoo dicht bij haar; / 't Storten der branding kan mij hier niet treffen. / Hoe kan ik zoo wanhopig klaar beseffen / Dat ik weer scheep zal gaan, voor 't eind van 't jaar.'

Zijn urn is nu niet gemakkelijk meer te vinden. Vlakbij het crematorium, waarvan de koepel zelf wel de vorm van een urn lijkt te hebben, moet het pad steil omhoog gevolgd worden. Daar in Urnentuin 2, vak FF, waar de urnen als paddestoelen uit de grond schieten, staat vlak naast een smal zandpaadje, de koperen urn van Slauerhoff. Hij is prachtig groen geoxideerd en bruin verkleurd door de tijd, en voelt zacht aan, als een tere huid. Het plaatje aan de voet van de urn is overwoekerd door wild gras, klimop en duinroosjes. De mieren paraderen over de letters: J.J. Slauerhoff / 1889 -1936. De '1' van de vorige eeuw is afgebrokkeld.

Geen grafschrift, dus, op de hoge heuvel. Toch heeft Slauerhoff het geschreven. In het gedicht 'In Memoriam Mijzelf' beitelde hij als het ware zijn laatste woorden aan de voet van zijn urn: 'Ik deins niet voor de grens, / Nam afscheid van geen mensch, / Toch heb ik nog een wensch, / dat men mij na zal geven: / ,,Het goede deed hij slecht, / Beleed het kwaad oprecht, / Hij stierf in het gevecht, / Hij leidde recht en slecht / Een onverdraagzaam leven.'''

Deel dit artikel