Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

PSYCHOLOGIE

Home

MARK TRAA

Vier pannenkoeken voor de wedstijd, die gaan er altijd in. Nee, die móeten erin.

Bijgeloof en topsport, dat is toch vooral Johan Cruijff die steevast zijn stukje kauwgom over de middenlijn spuugde, op de helft van de tegenstander. Of het hem daadwerkelijk tot beter spel aanzette valt niet te meten, maar wat maakte het uit als Nummer 14 zich er lekker bij voelde. En Cruijff is niet alleen in zijn respect voor ogenschijnlijk irrevelante rituelen.

Tachtig procent van de topsporters en 87 procent van de trainers verricht bijgelovige handelingen voorafgaand aan een wedstrijd. Dat is het resultaat-in-cijfers van het afstudeeronderzoek van Michaéla Schippers aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. 97 voetballers uit de ere- en eerste divisie, waaronder Ajacieden en PSV'ers, 52 hockeyers, waaronder de nationale dames- en herenteams, en 48 volleyballers, waaronder de nationale damesploeg, vulden Schippers' vragenlijst over bijgeloof in, evenals 23 trainers.

Bizar Het resultaat-in-voorbeelden heeft een hoge amusementswaarde. Een sporter gaf inderdaad te kennen dat hij geen wedstrijd begint zonder vier pannenkoeken achter de kiezen. Een ander stopt steeds zijn stukje kauwgom in een kapotgetrapt gedeelte van het veld. Weer een ander kust zijn shirt voor de wedstrijd of draait steeds dezelfde keiharde muziek op zijn walkman. Een trainer meldde steevast drie kwartier voor aanvang van de wedstrijd zijn kinderen te bellen. Een collega poetst zijn bril, vies of niet. Heel bizar: er is een trainer die het veld niet betreedt zonder zijn manager te hebben aangeraakt.

Dergelijke bijgelovige rituelen ogen hoogst irrevelant voor de aanstaande sportieve prestatie, maar dat zijn ze volgens de sporters zelf allerminst, concludeerde Schippers. Het zelfvertrouwen krijgt een flinke deuk als een ritueel om wat voor reden dan ook niet kan worden uitgevoerd, en volgens de sporters zelf heeft dat een duidelijke weerslag op hun prestaties in het veld.

“De onderlinge verschillen aan de top zijn zo klein, dat de sporters graag bereid zijn hun zelfvertrouwen met een bijgelovig ritueel op te krikken of hun concentratie te verhogen”, zegt Schippers. “Bijgeloof is omgaan met onzekerheid”, verklaart haar begeleider, sociaal psycholoog dr. Paul van Lange. “Sporters kampen voor elke wedstrijd met een fikse dosis onzekerheid, en die wordt alleen maar groter naarmate de tegenstander sterker en de wedstrijd belangrijker is. Vaste rituelen bieden dan houvast, en kunnen dus heel functioneel zijn. Het lijkt me goed als een trainer dat onderkent en die gewoonten respecteert. Dat kan de sportieve prestaties alleen maar ten goede komen.”

Als compensatie voor de gevoelens van onzekerheid zijn sporters tot veel in staat, kon Schippers opmaken uit de anoniem ingevulde vragenlijsten. De pannenkoekeneter stond alleen, maar er waren verschillende sporters die weigerden zich te scheren op de dag van een belangrijke wedstrijd. Voor niet-ingewijden is dat misschien vermakelijk, maar de ritueel ongeschorenen op het veld weten dat ze een subtiel en effectief middel tegen de mangelende onzekerheid hebben gevonden. Andere door Schippers opgetekende rituelen onttrekken zich aan het zicht van pers en publiek: niet aan seks doen in de nacht voor de wedstrijd, bijvoorbeeld.

Zijn alle rituelen bijgeloof? Een schietgebedje of een kruisje op de borst maken misschien niet, maar in het onderzoek waren het de sporters die mochten bepalen wat ze onder bijgeloof verstonden. Kleine religieuze handelingen bleken ook te worden genoemd, evenals verrichtingen die meer te maken hadden met een gedegen voorbereiding op de wedstrijd, zoals het minutieus inpakken van de sporttas.

Uitkomst De conclusie dat sporters van nature onzekerder types zijn dan niet-sporters en dus bijgeloviger, mag volgens Schippers en Van Lange niet worden getrokken uit het onderzoek. In het algemeen, zo kwam uit de studie naar voren, hebben sporters een relatief grote interne beheersingsoriëntatie, wat wil zeggen dat ze eerder dan 'gewone' mensen geneigd zijn te geloven dat geluk is af te dwingen door eigen inzet en dus niet door bijgelovige rituelen. Dat ze die niettemin volop etaleren, heeft alles te maken met de gelegenheid die ze daartoe wordt geboden. De sporters worden vaker en regelmatiger in een situatie met onzekere uitkomst geplaatst dan, bijvoorbeeld, een controlegroep van weinig-sportende studenten die Schippers op dit punt ondervroeg. De aanloop naar een wedstrijd op een vooraf aangekondigde datum en tijd biedt volop gelegenheid tot het inbouwen van een reeks vaste gebruiken.

Overdrijven is echter ook een kunst. Wanneer slaan sporters door in hun bijgelovigheid? Schippers: “Een ondervraagde had een compleet tijdschema opgesteld met in totaal veertien rituelen die hij afhandelde voor de wedstrijd. In zo'n geval vraag ik me toch wel af of het nog wel rationele mensen zijn.”

Deel dit artikel