Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Professor Jansen, van de kermis, de kroeg en de gewone man

Home

ANNELIES ROON

“Zo lang ik me kan heugen, heb ik gretig en graag naar mensen zitten kijken en er ook altijd plezier in gehad anderen daarover te vertellen.”

Prof. dr. G. H. (Gerrit) Jansen van de universiteit van Utrecht gebruikte deze combinatie van, naar eigen zeggen, 'bedenkelijke eigenschappen' voor zijn onderzoeken naar het alledaagse: de kroeg, de kermis, verhalen van 'gewone mensen'. Vandaag houdt hij zijn afscheidscollege. “Het stemt wat weemoedig, maar eigenlijk verandert er niet zo veel. Ik blijf schrijven over wat me boeit.”

“Eigenlijk ben ik nooit een pure socioloog geweest. Ik heb altijd ook in het weiland ernaast gegraasd. Dat vond ik ook het leuke aan het vak, dat het zoveel raakvlakken heeft met andere disciplines: geschiedenis, antropologie, economie, noem maar op. In de oorlog wilde ik journalist worden. Niemand kon zo snel de BBC op de radio vinden als ik. Na de bevrijding vond ik de overzichten van de buitenlandse politiek door prof. C. D. J. Brandt geweldig. Toch denk ik dat ik het goeie vak heb gekozen. Een journalist moet netwerken opbouwen, overal met z'n neus bovenop zitten. Ik ben meer een toeschouwer, een dromer.”

“Met de sociologie ben ik min of meer per ongeluk in aanraking gekomen. Na de oorlog, ik was toen 16, hoorde ik dat die C. D. J. Brandt colleges gaf in Utrecht: nieuwste geschiedenis. Daar ben ik als toehoorder bij gaan zitten. Die colleges bleken voor eerstejaars studenten sociologie te zijn. Ik had nog nooit van die studie gehoord, maar toen ik met studenten begon te praten, was m'n interesse snel gewekt. Het jaar daarop ben ik sociologie gaan studeren.”

“Na mijn studie verhuisde ik naar Haarlem, waar ik de opbouw van de stedelijke samenleving onderzocht. Er moest toen veel gesaneerd worden en men maakte dankbaar gebruik van de inzichten van de sociologie, toen een vrij nieuwe studie.”

“In Haarlem onstond de fascinatie voor de kroeg. Je had daar in de oude wijken op bijna elke hoek een cafe. Met een prijzenkast, een biljartclub, een klaverjasclub, noem maar op. Een cafe is eigenlijk een soort samenleving in het klein. Ik ben er ingedoken en heb er een rapport over geschreven.”

“Bij m'n volgende betrekking, bij het ministerie van volkshuisvesting in Den Haag, zat ik nog vol verhalen over die kroegen. Hoe het er toeging, wat de stamgasten allemaal deden, hoe ze met elkaar omgingen. Prachtig vond ik het. Maar ja, ik hield m'n collega's van hun werk met die verhalen, dus op een gegeven moment hebben ze me aangeraden er een artikel over te schrijven.”

“Dat artikel trok de aandacht van Nederlandse brouwers die aangenaam verrast waren omdat er nu eens iets positiefs over de kroeg werd geschreven. Zij boden me het geld om verder onderzoek te verrichten. Dat heb ik gedaan, maar toen het af was, vond ik er ineens niks meer aan. Er zat geen diepte in. Het was alleen de dagelijkse praktijk, ik had er eigenlijk niets over gelezen.”

“Toch liet het onderwerp me niet los. Ik besloot er alsnog op te promoveren, maar op een andere manier. Twee jaar las ik alles wat in de verste verte met de kroeg te maken had of ernaar verwees: historische werken, commentaren van Calvijn op de Werken van Barmhartigheid. Hij vond bij voorbeeld dat de plicht tot gastvrijheid, waarop in Mattheus 25 wordt gewezen, niet al te veel tijd meer hoefde te vergen: daar waren herbergen voor. Dat soort aanknopingspunten gebruikte ik. Al die informatie heb ik op kaarten gezet. Uiteindelijk had ik er meer dan 5 000 van.”

“'De Eeuwige kroeg' bracht veel reacties teweeg. Collega's waren enthousiast en de kranten stonden er bol van. Het was iets nieuws: een wetenschappelijke studie over een onderwerp dat tot dan toe als triviaal en zelfs een beetje verwerpelijk werd beschouwd. Je haalt met zo'n studie een onderwerp uit de sfeer van verguizing. Kroegen zijn per slot van rekening heel functioneel. Men vergeet zo snel dat ze economisch, cultureel en politiek een hele belangrijke rol spelen.”

“Na dat proefschrift heb ik 'De straat' geschreven, een boek met levensverhalen van mensen uit een straat. Dat was leuk om te doen, maar ik wilde daarna weer wat dieper gaan, meer graafwerk verrichten. Het moest ook iets zijn wat dicht bij de mensen staat. Ik wil mijn vak om me heen kunnen zien.”

Markt of kermis

“Ik twijfelde tussen twee onderwerpen: de markt of de kermis. Uiteindelijk heb ik voor de kermis gekozen, omdat ik dat toch iets exotischer vond. Bovendien had ik warme herinneringen aan de kermis in Terborg, waar ik ben opgegroeid. Mijn grootvader trakteerde al z'n kleinkinderen dan op een paar ritjes in de carrousel, de mensen waren allemaal aardig en je kreeg van iedereen geld. Geweldig vond ik dat.”

“Het probleem was, dat ik geen idee had hoe ik moest beginnen. Ik nam contact op met een meneer uit Bergen op Zoom die net over de kermis had gepubliceerd. Die wilde er wel over praten. Toen ik bij hem zat, kwam zo'n snelle jongen met een geweldige babbel binnen. Dat was Joop Keijzer, een kermisman en die kon me verhalen vertellen! Ik hing aan z'n lippen: alles was nieuw voor me en verschrikkelijk boeiend. Hij heeft me geintroduceerd in de kermiswereld.”

“In 1987 verscheen 'Een roes van vrijheid: kermis in Nederland'. Het leuke er aan was niet alleen het schrijven, waar ik veel plezier aan heb beleefd. Het had ook praktische gevolgen. Om te beginnen voelden de kermismensen zich opgetild, erkend. Ze hadden het gevoel dat op hen werd neergekeken. Ze hadden de gewoonte om, nadat ze hun mening over iets hadden gegeven, eraan toe te voegen 'Maar wie zijn wij? ' Mijn boek liet zien wie ze waren: hardwerkende mensen die er alles voor deden om een mooie kermis neer te zetten.”

“Daarnaast en dat is het mooiste, zijn bij de presentatie van dat boek mensen bij elkaar gekomen, die de kermis een warm hart toedragen. Die contacten hebben er toe geleid dat er op de Maliebaan een kermis kwam, die in vijf jaar is uitgegroeid tot de mooiste van Nederland. Nou ja, bijna de mooiste misschien. Het is nog een echte 'pieken-kermis', waar je voor een gulden overal in kan. Zo kan je als opa je kleinkinderen nog eens een dagje meenemen, zonder dat je geld op is na een rondje in het reuzenrad.”

“Door die studies werd ik 'Jansen van de kermis en de kroeg'. Daarnaast heb ik veel meer gedaan. Bundels met levensgeschiedenissen bij voorbeeld, van 'gewone mensen' uit Utrecht en van mensen die bij het spoor hadden gewerkt. Dat laatste was ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Nederlandse Spoorwegen. Ik had eens tegen de president-directeur gezegd: je moet de mensen, die nog op die stoomtreinen hebben gezeten niet dood laten gaan voor ze hun verhaal hebben verteld.” Hij vroeg me die verhalen op te schrijven. Dat is 'Verzonken Spoor' geworden.”

“De mensen over wie je schrijft, komen je vaak zeer na te staan. Elk boek brengt een sleepnet van herinneringen mee. Ik zie het zo allemaal weer voor me als ik alleen al naar die boeken kijk.”

“M'n afscheid van de universiteit zal waarschijnlijk niet eens zo veel veranderen. Management ligt me toch niet en dat hoeft straks niet meer, onderzoek coordineren en zo. Verder houd ik contact met m'n naaste medewerkers, een hele enthousiaste club. En ik begeleid nog een paar promovendi. Maar het belangrijkste: ik blijf schrijven. Er staat een boek op stapel over de geschiedenis van de steden in Nederland en ik doe de eindredactie van een bundel levensgeschiedenissen die mijn studenten over migranten schreven.”

“Ik kreeg een kaartje van oud-studente, die niet bij mijn laatste college kan zijn. Ze schreef: 'Ik ben blij dat jij als socioloog de gewone man/vrouw en daarmee de echte geschiedenis tot leven hebt gebracht.' Tja, dat klinkt meteen weer zo gewichtig, maar, zonder mezelf op de borst te kloppen, misschien zit daar wel iets in. Dat kaartje ontroerde me echt.”

Deel dit artikel