Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Precieze oplossing vergt precieze diagnose

Home

ESTHER HAGEMAN

Driekwart van de jongeren die bij de kinderrechter belanden heeft een psychische stoornis, becijfert jeugdpsychiater Th. Doreleijers. Dat is zes à zeven keer zo vaak als 'gewone' jongeren. Toch nemen kinderrechters bij delinquente jongeren genoegen met gebrekkige informatie over hun psychische toestand. Ze vragen nog niet voor de helft van hen een precieze diagnose aan.

Nu de straffen voor jongeren zwaarder worden, worden delinquente jongeren met stoornis dus dubbel gepakt. “Hun stoornis wordt over het hoofd gezien èn ze krijgen een 'volwassen' straf”.

Dat weinig opwekkende toekomstbeeld is afkomstig van de Haagse forensisch jeugdpsychiater Doreleijers. Hij werkt bij het Juliana Kinderziekenhuis. Gisteren promoveerde hij in Utrecht op de studie 'Diagnostiek tussen jeugdstrafrecht en hulpverlening'.

Het gaat in Doreleijers' boek om jongeren zoals John. Hij is zestien en in een ruzie om een meisje heeft hij een leeftijdgenoot met zijn mes gestoken. Niet dodelijk, maar toch zo ernstig dat er een ziekenhuisopname nodig was. John vindt zichzelf geen vechtersbaas, en dat bevestigen de school, de ouders en de politie. Eigenlijk is er geen bevredigende verklaring waarom John naar zijn mes greep.

Tijdens een gesprek met het hele gezin wordt het Doreleijers meer duidelijk. Het is jaren geleden dat de ouders en de vier kinderen samen aan tafel zaten: moeder heeft een hekel aan koken, vader werkt 's nachts en slaapt overdag, iedereen haalt iets uit de kast als hij trek heeft. Alle kinderen blijken forse schoolproblemen te hebben. Die scholen sturen daar brieven over, maar de ouders maken de post niet open. Johns zus is er, ziet Doreleijers, ook slecht aan toe. Hij slaat alarm bij de kinderbescherming en bij de gezinsvoogdij en stuurt zijn rapport naar de kinderrechter. Vier maanden later krijgt hij een telefoontje van de gezinsvoogdij: waar zijn rapport blijft.

“Alleen een stevige gezinsverzorgster, die drie keer in de week in dit gezin model komt staan, kan hier hulp bieden”, vindt Doreleijers. Maar het blijkt niet mee te vallen om de jeugdbescherming - waar jonge delinquenten onder vallen - en de geestelijke gezondheidszorg in gevallen als die van John te laten samenwerken. Sinds kort heeft de jeugdbescherming in zulke gevallen de regie gekregen. Maar terwijl de “gewone” jeugdpsychiatrie een hele waaier aan mogelijkheden biedt (van ambulante hulp tot hulp in inrichtingen, en van individuele tot gezinsbenaderingen), daar is er voor delinquente jongeren eigenlijk weinig. De kunst van diagnoses stellen is er slecht ontwikkeld, en de gereedschapskist is er minder gevuld. In de “gewone” jeugdpsychiatrie is het bij voorbeeld gebruik om de andere gezinsleden er bij te betrekken. Voor delinquente jongeren is dat geen gewoonte.

“Tot drie, vier jaar geleden kwam er aan jonge delinquenten geen gedragsdeskundige te pas”, zegt Doreleijers. “Het is vreemd, maar vooral schokkend, dat dat terrein zo braak ligt. Voor volwassenen delinquenten is er de forensische psychiatrie, met beroemde namen als Pieter Baan. De term forensische jeugdpsychiatrie bestáát zelfs niet eens.”

Hij verklaart het verschil uit de geschiedenis: jonge delinquenten vielen van oudsher onder de raden voor de kinderbescherming. Maar ook speelt een rol dat kinderrechters - “dat zeggen ze zelf”, zegt Doreleijers - eigenwijs zijn. “Ze denken dat ze ook zonder gedragskundige diagnose wel genoeg weten. Dat betwist ik dus.”

In de nabije toekomst wordt het strafrecht voor jongeren strenger. Maar nu al zijn er flinke verschillen tussen de arrondissementen. Zo is het of het Haagse arrondissement nu al met de nieuwe wet werkt: enerzijds deelt de kinderrechter daar strengere straffen uit, maar anderzijds willen Haagse kinderrechters ook vaker precies weten wat er met een jongere mis is. Amsterdamse en Bredase kinderrechters vragen maar in veertien procent om zo'n onderzoek, Haagse in 33 procent van de gevallen. Doreleijers: “De kinderbescherming in Amsterdam is een gigantische organisatie. Maar voor de strafzaken hebben ze welgeteld vier medewerkers.” De jongeren met de grootste problemen blijken in Amsterdam de minste hulp te krijgen: de Raad voor de kinderbescherming gaat er alleen af op first offenders, jongeren die voor het eerst bij de kinderrechter belandden.

Of een kinderrechter beslist om een voorgeleide jongere wel of niet op stoornissen te laten onderzoeken is vaak afhankelijk van het “informatieformulier” dat de kinderbescherming in het dossier stopt. Dat formulier bevat faliekant verkeerde vragen, vindt Doreleijers. Bij voorbeeld, of de jongere weleens spijbelt van school. “Als je in beeld wilt brengen of er misschien stoornissen zijn, moet je zulke dingen vragen als: lopen je ouders bij een psychiater? Is er thuis geweld? Gebruik je drugs? Gebruikt iemand anders in het gezin drugs? Zulke vragen worden niet gesteld.”

Als de diagnose niet precies is, is de oplossing het evenmin. “In het gemiddelde geval gaat het zo: de jongere wordt in preventieve detentie opgesloten, in Eikestein of in het Lloyd. Daar zit hij een maand of twee, maar er komt geen hulpverlening aan te pas. Dan volgt er een schorsing, en loopt de jongere weer vrij rond. Vervolgens duurt het zes tot twaalf maanden tot de zitting. Daar besluit de rechter tot twee maanden onvoorwaardelijke hechtenis - die hij al heeft uitgezeten - en tot vier voorwaardelijke. Zo iemand komt met dezelfde depressie uit de molen die hij aan het begin had. Er is niets veranderd.”

Wordt er wèl een precieze diagnose gesteld, dan zou het anders gaan. “Je zou dan adviseren dat er snel psychiatrische hulp moet komen. De jongen zou niet worden opgesloten, maar gedwongen worden mee te werken aan een onderzoek en een behandeling. Dat scheelt een cel, het leidt tot een betere diagnose en er komt hulp op gang. Dan doe je dus echt iets.” Bovendien kan behandeling onder dwang heel succesvol zijn, zegt Dorelijers.

Oneigelijk gebruik van het strafrecht komt bij jonge delinquenten ook voor, zegt de promovendus. Een voorbeeld vormen de lotgevallen van Joost. Die is vijftien en een laatbloeier: hij is nog niet in de puberteit. Sinds zijn kleuterjaren sukkelt hij met alles wat met leren te maken heeft: van stilzitten tot huiswerk maken. Zijn broer en zus zijn juist bollebozen, en thuis is Joost het zwarte schaap. Hij begint te stelen: eerst binnenshuis, later ook buitenshuis. Zijn ouders zoeken geen hulp, want ze willen het varkentje zelf wassen. Na een zoveelste inbraak komt het van strafvervolging. Joosts kinderrechter vraagt een psychiatrisch onderzoek aan. Doreleijers' diagnose: Joost heeft een aangeboren biochemisch defect in de hersenen. Dat maakt hem impulsief, makkelijk af te leiden, ontremd. Maar in een inrichting voor “buitengewone behandeling” zou Joost niet het milde regime krijgen dat hij nodig heeft, zodat de psychiater aarzelt om Joost “verminderd toerekeningsvatbaar” te noemen. Maar doet hij dat niet, dan komt Joost op een wachtlijst te staan van anderhalf jaar.

Doreleijers vindt dat alle delinquente jongeren van 12, 13 en 14 jaar een diagnostisch onderzoek moeten krijgen, evenals alle jongeren die veroordeeld worden wegens gewelds- en zedendelicten, zwerfjongeren en jongeren die afkomstig zijn uit een gezin waar geweld gewoon is. Vooral de informatie over de ouders is voor een goed beeld van de jongere onontbeerlijk. Zodra een jongere is gearresteerd moet hij gescreend worden op stoornissen, en tijdens het vooronderzoek van de rechter moet een team van verschillende deskundigen de jongere bekijken. Ook vindt Doreleijers dat er voor jonge delinquenten 'dagbehandeling' en 'dagdetentie' moeten komen.

Deel dit artikel