Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Post-paars perspectief lonkt

Home

Jan Willem Duyvendak

Veel kiezers willen een coalitie van PvdA, CDA en GroenLinks, blijkt uit recent onderzoek. Brengt een CDA zonder kritiekloze band met geestverwante instellingen, dat ook de markt niet meer heilig verklaart, een alternatief ná paars dichterbij?

De vraag of Paars II deze kabinetsperiode volmaakt, hangt niet alleen af van de problemen waar deze regeringsploeg door wordt geplaagd. De cohesie van een regering wordt ook beïnvloed door het al dan niet bestaan van een alternatief. Het is interessant dat volgens recent onderzoek kiezers andere coalities prefereren boven paars. Met name PvdA-CDA-GroenLinks is kansrijk omdat deze, naar alle waarschijnlijkheid na verkiezingen kan rekenen op een meerderheid. Misschien nog wel belangrijker dan deze signalen is de vraag of politici in zo'n combinatie geloven. Is er een post-paars perspectief?

Het begint erop te lijken. Met name de programmatische vernieuwing van het CDA lijkt, anders dan ten tijde van de onhandige oppositie tegen Paars I, werkelijk inhoud te krijgen. Hierbij springen twee punten in het oog.

In de eerste plaats de nieuwe inzichten in de verhouding tussen overheid en civiele maatschappij ('maatschappelijk middenveld' heet dat in CDA-kringen); in de tweede plaats nieuwe opvattingen over de relatie overheid-markt, waarbij er grenzen worden gesteld aan privatisering en markt-werking. Beide punten zijn voor de PvdA en GroenLinks hoopgevend.

Zo is het opvallend dat de omarming van het middenveld niet de omarming is van oude corporatistische structuren, maar van nieuwe initiatieven op het gebied van milieubeheer, cliënten- en patiënten-participatie, allochtone organisaties en dergelijke. Het gaat dus niet langer om de verstolde, verzuilde en paternalistische organisaties van weleer, maar om het recht doen aan de talloze initiatieven die zich manifesteren in de sfeer van volkshuisvesting, gezondheidszorg, de multiculturele buurt.

Veel van deze bewegingen en groepen, gebaseerd op vrijwilligheid en burgerzin, kunnen alleen tot bloei komen met steun van de overheid. Als De Hoop Scheffer in Trouw (Podium, 18 september) de taak van de overheid formuleert in termen van laissez fleurir in plaats van laissez faire, dan lijkt hij de voorwaarden scheppende rol van de overheid voor een bloeiend middenveld ook te onderkennen.

Wanneer hij echter tegelijkertijd schrijft dat de overheid moet terugtreden ten gunste van de burgers, dan zet hij een stap te ver. Het gaat bij de relatie tussen civiele maatschappij en overheid namelijk niet om een zero-sum-verhouding: meer overheid impliceert niet per se minder middenveld, of - andersom - minder overheid, meer middenveld.

Juist Nederland - met een sterk ontwikkelde civiele maatschappij én een sterke (verzorgings)staat - laat zien dat het niet om een kwantitatieve meer-minder-kwestie draait, maar om de aard en kwaliteit van de relatie tussen overheid en civiele maatschappij. Treedt de overheid geëngageerde burgers wantrouwig tegemoet, als potentiële vertragers van de besluitvorming, als producenten van stroperigheid, als calculerende burgers met een nimby-complex (not in my backyard: grofweg de VVD-visie op georganiseerde burgers)? Of koesteren politici een politieke cultuur waarin burger-initiatieven maximaal worden ondersteund, vanuit de overtuiging dat subsidiëring van oppositie het summum van democratie is?

Ook minister Peper heeft in zijn recent uitgelekte opstel oog voor de grote rol die de overheid kan en moet spelen in de ontwikkeling van de civiele maatschappij. Nu de maatschappelijke verhoudingen 'gehorizontaliseerd' zijn, moet de politiek haar rol opnieuw bepalen. Zijn analyse is interessant, maar helaas blijft hij bij nader inzien ook in het zero-sum-denken steken: uit de bloei van veel burgerinitatieven (door hem de 'sociale democratie' genoemd) trekt hij de onjuiste conclusie dat er dus sprake is van een crisis van de politieke democratie, die het primaat zou hebben verloren (en nu het 'leiderschap' moet gaan herwinnen).

Hoezo eigenlijk? Stel nu eens dat een bloeiende burgersamenleving het bewijs is van het goed functioneren van de democratische instituties. . .

Door het gebruik van royale termen als 'terugtredende overheid' en 'primaat van de politiek' wordt de discussie over de relatie overheid/politiek-civiele maatschappij op het verkeerde been gezet. Het gaat om de kwaliteit van de relaties die de overheid onderhoudt met middenveld en markt.

Dat brengt me bij de tweede vernieuwing: het CDA - in de jaren tachtig samen met de VVD toch kampioen privatiseren en 'verzelfstandigen' - zet grote vraagtekens bij de doorgeschoten marktwerking die ertoe heeft geleid dat de kwaliteit van en ook de zeggenschap over publieksgoederen drastisch afgenomen is. Deze zelfkritiek moet muziek in de oren zijn van andere politieke partijen die zich óók zorgen maken over de perverse effecten van marktwerking op terreinen als thuiszorg, openbaar vervoer en watervoorziening. Ook de door het CDA gesuggereerde oplossingen zijn interessant: in plaats van te blijven steken in het verdelen in twee kampen van overheid versus markt, wordt gekeken naar de kracht van hybride organisaties ('maatschappelijke ondernemingen'), die publieke taakvervulling combineren met grotere zeggenschap van alle betrokkenen.

Hier zijn we ver voorbij het neo-liberale mantra 'meer markt, minder overheid', en verschijnen langzamerhand de contouren van een post-paars perspectief.

Deel dit artikel