Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Poëzie. Ik wil een bijl

Home

Erik Jan Harmens

Dichter en criticus Erik Jan Harmens (1970) wil dat het Nederlandse volk „de dichters krijgt die het verdient”. Hij stelde een bloemlezing samen met poëzie die er volgens hem op dit moment toe doet. Hier vindt u de beginselverklaring die hij ter gelegenheid schreef. Onder dit artikel beleeft het ’Manifest voor een riskante literatuur’ van Erik Jan Harmens en dichter Ilja Leonard Pfeijffer (1968) zijn debuut. „Kunstenaars zijn ten volle verantwoordelijk voor de toestand in de wereld of zij nemen hun eigen kunst niet serieus.”

Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.

Ik wil poëzie die klaarblijkelijk geschreven móést. Ik wil geen poëzie waarover de regisseur de schouders ophaalt. Ik wil poëzie waarvan de maker er niet eens zoveel toe doet. Ik wil geen poëzie die ertoe doet omdat ze door een vrouw is geschreven of door een vluchteling of door een autist of door een Marokkaan of door een maker van succesvolle Nederlandse films.

Ik wil poëzie die zijn maker bij momenten de vinger geeft. Ik wil poëzie die nergens op lijkt. Ik wil poëzie die niet op poëzie wil lijken. Ik wil poëzie waarvan mensen zeggen: ja hoor eens, dát is geen poëzie.

Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog GeenStijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali, de hartproblemen van de directeuren van Fortis, de brandende banlieues van Parijs, het nekschot voor de rennende Braziliaan in de Londense metro, de olie op de kust van Galicië, de overtreffende trap van vaderliefde in een kelder in Oostenrijk, de ingebeelde kanker van mensen die in de nabijheid van een zendmast wonen, het fenomeen dat een substantieel percentage van de werkende bevolking de dag begint met glazig door een voorruit staren in een niet bewegende rij auto’s, het faillissement van IJsland, de Keulse bibliotheek die de grond in zakt als gevolg van de aanleg van een metrolijn, de eerste zwarte president van Amerika en de eerste man met waterstofgeperoxideerd haar die kans maakt premier van Nederland te worden, de horizon vol windmolens en de klacht onder mannen dat een Saab meer en meer op een Renault begint te lijken, ik wil dat dat allemaal een stem krijgt in de woorden van dichters.

Niet letterlijk natuurlijk, want poëzie dient zich niet letterlijk aan. Ze verbeeldt iets. Maar ik wil dat dat een gure verbeelding is. Als de verbeelding niet guur is maar behaaglijk warm, meen ik dat poëzie zich ophoudt onder een kaasstolp. En ik wil geen poëzie die zich ophoudt onder een kaasstolp.

Ik wil niet dat we ons in het literair café vermeien met alliteraties en enjambementen terwijl buiten de sociëteit een oorlog wordt uitgevochten. Ik wil geen koetjeskalfjes-lyriek terwijl men in de werkelijke wereld elkaars hersenpan indeukt. De taal mag fluisteren of brullen, ze mag lang van stof zijn of afgepast, dat is een vormkwestie. Maar als het gaat om de toon van de muziek, dan moeten dichters in hun werkkamer geen bloemenvelden gaan bezingen terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt. Ik wil poëzie die onbehouwen is, een beetje ongewenst en helemaal nu. Ik wil poëzie die later als poëzie-van-toen zal worden beschouwd. En dan nog altijd met rode oortjes zal worden gelezen.

Ik wil woorden op een gloeiende plaat die tsssschhh zeggen. Ik wil poëzie die dezelfde mate van creativiteit en taalplezier uitstraalt als de raps van De Jeugd Van Tegenwoordig. Ik wil poëzie die bij iedere strofe leest alsof je in een achtbaan ondersteboven kukelt, kokhalzend de volgende chicane ingaat om bij de driedubbele loop te denken dat je het besterven gaat, om aan het einde van de rit onmiddellijk weer een fiche te bemachtigen voor een nieuwe rit. Ik wil geen poëzie doorspekt met metaforen uit Griekse tragedies, keurig net gecopypastet van Wikipedia. Ik wil geen poëzie die bedacht is. Ik heb liever poëzie die rammelt en van het blad springt dan poëzie die uitgedacht is en het blad doet vermolmen.

Ik wil poëzie die zo link is dat je het idee hebt dat ze ieder moment doorzien kan worden. Ik wil poëzie die door de mand kan vallen. Ik wil poëzie die verboden zou kunnen worden. Ik wil poëzie die je een erfenis door de neus kan boren. Ik wil poëzie die het einde van je verkering kan inluiden.

Ik wil dat de beperkte populariteit van poëzie in Nederland niet langer wordt gezien als de schuld van het publiek, maar als de schuld van de dichters. Ik wil dat het Nederlandse volk de dichters krijgt die het verdient. Ik wil dat dichters geen idee hebben wie of wat het Nederlandse volk ís. Ik wil dat er in Nederland meer poëzielezers zijn dan poëzieschrijvers.

Ik wil de poëzie die ik omarm en ik wil niet de poëzie die ik doorklief. Schoonheid bestaat bij de gratie van lelijkheid, zoals je pas echt het toenmalig talent van Marco van Basten kon vaststellen als je videobeelden zag van de spits van FC Groningen destijds, Martin Drent. Niemand kon zo onmachtig naar een perfect aangesneden voorzet staren als hij.

Ik wil poëzie waarbij je door je tranen heen lacht, je vermant in het besef dat dat binnen de literaire scene niet gebruikelijk is maar ’s avonds als de laatste kunstbons naar bed is gegaan met een zaklamp de woorden nog eens tot je neemt. En wéér grient.

Ik wil poëzie die de schrijver de kop heeft gekost. Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven. Ik wil poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond. Ik wil poëzie die niet helemaal de bedoeling is.

Ik wil geen introspectiepoëzie. Ik wil geen poëzie waarin met een jeugd wordt afgerekend. Ik wil geen poëzie waarin de auteur schrijft dat ie iets voelt. Ik wil zélf iets voelen. Ik wil geen tranentrekkende poëzie. Ik wil zélf huilen.

Ik wil poëzie die in opdracht wordt geschreven en vervolgens wordt geweigerd omdat de tekst de opdrachtgever of doelgroep te veel overrompelt. Ik wil geen matige poëzie die wordt geweigerd om haar matigheid. Ik wil heel, heel goede poëzie die wordt geweigerd omdat ze brandt in de hand van de opdrachtgever.

Ik wil geen poëzie die dermate is platgesubsidieerd door het Fonds voor de Letteren dat het slaapoverschot van de dichter zijn regels afstroopt. Ik wil alleen maar gedichten over bijlen.

Een bijl kan vele gedaanten aannemen.

Ik wil geen poëzie die geschreven is met als doel opgenomen te worden in een bloemlezing met gedichten over bijlen.

Ik wil dat poëzie een consequentie is van de tijd waarin ze is geschreven. In een wereld vol haat is het publiceren van liefdesgedichten een uiting van entertainment. Er is niks tegen entertainment, maar entertainment is geen kunstdiscipline. Entertainment is entertainment. Als we entertainment en literatuur op één hoop gaan gooien, ontstaat er branchevervaging. Dichters die eigenlijk willen entertainen, moeten een ander vak kiezen. Ze zouden komediant moeten worden en de mensen moeten gaan vermaken, in plaats van gedichten schrijven. Er is een grote behoefte onder mensen om vermaakt te worden. Voldoe aan die behoefte en stop met dat gepriegel op de vierkante millimeter met een pointe aan het einde die de mondhoeken omhoog moet krijgen. Dat is geen literatuur. Dat is een conference.

Ik wil geen poëzie die stilstaat terwijl de wereld beweegt. Ik wil geen archaïsche poëzie te midden van een wereld vol straattaal. Ik wil ook geen straattaal, want die hoor ik op straat al. Maar ik wil ook geen poëzie die zich aan de wereld onttrekt, zich erboven verheft en alles wat zich buiten de schrijverskamer begeeft irrelevant verklaart. Het is niet dat ik tegen een elite ben. Ik ben erg vóór een elite. Alleen wil ik niet dat die elite poëzie schrijft of leest die maatschappelijk gezien iedere relevantie ontbeert. Een elite moet zich bij voortduring onder het volk begeven. Het volk moet de elite zíén, want zonder volk geen elite.

Ik wil poëzie zonder speelse zinsafbrekingen die geen enkel ander doel hebben dan de lezer in het ootje te nemen. Ik wil poëzie die gaapt bij de mogelijkheid van metaforen, want alles is al met elkaar vergeleken, als een uitentreuren opgezegd alfabet. Ik wil poëzie die de alliteratie als alomtegenwoordig apenkunstje als abject afdoet. Ik wil poëzie die zich niet bedient van trucjes. Dichten is niet: iets zo zeggen dat mensen op het verkeerde been gezet worden. Dichten is niet: allerlei trucjes tot in de puntjes beheersen. Dichten is: lyrisch verbeelden.

Ik wil dat de eerstvolgende dichter die het presteert om een boekje met aforismen te publiceren, bij wijze van spreken standrechtelijk wordt geëxecuteerd. Ik heb niks met de strop, maar ik heb nog minder met aforismen. Ik wil light verse pas serieus nemen als poëziediscipline, als een light verse-dichter in staat is uiterst vormvast en toch helemaal geloofwaardig en met voldoende empathie richting oorlogsslachtoffers, de Endlösung deugdelijk middels een ollekebolleke te verwoorden.

Ik wil poëzie die heult, broeit, kweelt, steekt, roetsjt, schmiert, ontzet, verwringt en zogenaamd paait. Ik wil geen poëzie die overweegt, verzucht, zich iets achteraf bedenkt, zich op de knieën slaat, een lekker gevoel geeft, onzekerheid veinst, heel herkenbaar is of zo is geschreven dat je als lezer het gevoel hebt dat de dichter tegen jou praat.

Ik wil mijn vrienden terug die me de rug toekeerden nadat ik ze zei dat ik geen van hun gedichten in mijn bloemlezing heb opgenomen.

Ik wil een gapende kloof tussen de dichter en de lezer. Ik wil dat de lezer naar het papier staart, een hand voor de ogen slaat en de dichter tot het bot aan toe vervloekt. Ik wil niet dat de lezer bij het ontstijgen van zijn geliefde grootvader kirrend naar de boekenkast rent om het boek van de dichter te pakken en nu eindelijk dat citaat boven een overlijdensadvertentie te kunnen plaatsen. Dat citaat weet je wel, dat zo goed past bij grootvader. Ik wil niet dat de lezer bij het paaien van zijn scharrel met een achteloos gebaar naar zijn nachtkastje grijpt om het boek van de dichter te pakken en er uit voor te dragen ter vervulling van zijn stoutste dromen. Ik wil geen poëzie die je ergens voor kunt gebruiken. Ik wil geen toegepaste poëzie. Ik wil poëzie die je onmogelijk ergens voor kunt gebruiken.

Ik wil poëzie die zich lijkt schrap te zetten op het papier, vastbesloten om zijn plaats tussen zijn buren te behouden. Ik ben niet tegen het gebruik van poëzie in bijvoorbeeld advertenties, op een bankbiljet of achter op menukaarten. Ik wil alleen dat dergelijk hergebruik van poëzie een helse klus is die de copypaster hoofdbrekens bezorgt.

Ik wil poëzie die groots is en zich niet voor zichzelf lijkt te willen verontschuldigen. Ik wil niet dat poëzie bescheiden en klein is. Ik vind dat poëzie zichzelf daarmee tekortdoet. Ik wil dat poëzie barst uit haar kleurenpalet en de rest van de wereld grijs en flets zou kunnen doen ogen. Ik wil dat omdat ik geloof dat poëzie daartoe in staat is. Ik hou verschrikkelijk veel van poëzie.

Ik wil een grote, gapende kloof tussen de dichter en de lezer en ik wil dat de lezer een dichtbundel tegen het hart drukt in een vergeefse poging die kloof wat kleiner te maken. Ik wil dat dat niet lukt maar ik wil ook dat het de lezer een goed gevoel geeft dat hij een poging heeft gewaagd. Ik wil dat de lezer na het lezen van een dichtbundel zelf gaat proberen te dichten, om al snel onverrichter zake de pen weer neer te leggen.

Ik wil dat poëzie zich superieur aandient door als een hondje dat de laagste status verkiest op zijn rug te gaan liggen en te gaan liggen kiewen. Kwetsbaarheid is onze kracht.

De beste dichters zijn die dichters die je vaak luierend en lanterfantend op een canapé aantreft, slobberend van een kop thee of een chardonnay. Maar als jij de wekkerradio instelt en een kus door de lucht aan je echtgenote verkoopt, dan beginnen ze. Of ze gaan nog even door. Ik wil dichters die hard werken. Ik wil dichters die werken tot ze niet meer kunnen. Ik wil dichters die klappertandend op bed liggen na de definitieve versie van hun manuscript aan hun uitgever te hebben gestuurd. Ik wil de dichters wier poëzie u aantreft in mijn boek.

Lees verder na de advertentie
(Jorgen Caris)

Deel dit artikel