Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Poëzie / Dankzij het wit

Home

door Peter Henk Steenhuis

Neerlandica Yra van Dijk is gepromoveerd op het wit in de poëzie. In witregels krijgt de stilte tussen de woorden aandacht. Niet de samenhang van een tekst maar de breuken en gaten daarin. De witte plekken hebben betekenis, ten eerste áls witte plekken.

Leren lezen, is leren begrijpen. Eerst een zin, dan een alinea, dan een verhaal. Wie eenmaal een verhaal kan vatten, zal een tekst altijd in z’n geheel proberen te begrijpen, op zoek gaan naar de overkoepelende betekenis van de woorden. Zo heb ik ook altijd gekeken naar poëzie. Of het nu een oud of een modern gedicht betrof, ik was blij als ik tot enigszins sluitende interpretatie kwam. En die moest dan wel op het héle gedicht slaan, anders was het hineininterpreteren, en dat sloeg nergens op.

Natuurlijk, tijdens mijn studie Nederlands en de enkele les filosofie die ik volgde, maakte ik wel kennis met Franse denkers als George Bataille, Jean-Francois Lyotard en Maurice Blanchot, die de taal grondig wantrouwen en liever spreken over de incoherentie van een tekst dan over eenheid en samenhang. En toch beklijfde dat Franse wantrouwen slecht. Wie na een college postmodernisme gedesillusioneerd over onze gefragmenteerde taal met een paar medestudenten een biertje ging drinken, raakte bij de eerste de beste bestelling toch weer bedwelmd door het wonder van de taal: de ober begreep de boodschap volkomen. Gerustgesteld concludeerde ik telkens opnieuw dat het bij taal om de overkoepelende betekenis gaat, of het nu een bestelling aan de bar betreft, een sprookje, een roman of een modern gedicht.

Totdat ik op een winderige herfstmiddag de neerlandica Yra van Dijk hoorde vertellen over het gedicht ’Het sneeuwt’ van Hans Faverey. Zij stond op het punt te promoveren op het wit in de poëzie. Een onderwerp, zo lichtte zij toe in het voorafgaande lekenpraatje, waarover menige grap gemaakt was. Enkele vrienden van haar leefden zelfs lang in de veronderstelling dat haar proefschrift een onderzoek betrof naar cocaïnegebruik bij hedendaagse dichters. Dat behelsde deze promotie niet.

De onlangs verschenen handelseditie van haar proefschrift geeft onmiddellijk antwoord op de vraag waar Van Dijk dan wel op promoveerde: „Nu al, nog voordat de eerste zin ten einde is, weet de lezer dat dit een pagina proza is, en geen poëzie. Hoe valt dat onderscheid zo razendsnel te maken? Er is maar één aspect van een gedicht waardoor het onmiddellijk te onderscheiden is van een prozatekst, en dat is het wit dat het gedicht omringt.”

Het wit in de poëzie. Van Dijk onderzoekt in haar studie of het wit dat boven de tekst staat, aan het einde van elke regel, tussen de verschillende strofes van een gedicht, of onder een gedicht een functie heeft. Kan dat wit een betekenis krijgen, en zo ja, hóe kan het dan betekenis krijgen?

Maar wat is dat wit eigenlijk? In de geschiedenis van het schrift staat het wit voor de gedachte dat er iets is, moet zijn wat zich onttrekt aan onze woorden. Al bij kerkvader Augustinus, zo schrijft Van Dijk, kom je de gedachte tegen dat we met de gewone taal het goddelijke niet kunnen uitdrukken. Alleen de stilte zou dat kunnen. Augustinus maakte een onderscheid tussen een tijdelijke, alledaagse taal, tussen ’voorbijgaande woorden’ en het ’eeuwige woord’ dat ’in stilzwijgen gesproken’ wordt, en waar het innerlijk oor op gespitst moet zijn. Van Dijk acht dit verschil belangrijk: „Net als we bij de moderne dichters zullen zien, had Augustinus het over de kloof tussen de woorden en de dingen.”

Tussen Augustinus en de moderne dichters ligt ruim vijftienhonderd jaar, liggen mystici als Meister Eckhart en Hadewych, ligt flink wat joodse mystiek, liggen Hamlet en Kant, Diderot en Novalis. En zij allen beseften dat God of het Absolute zich buiten de zichtbare wereld ophielden en zich niet in de taal lieten vangen.

Als het gaat om zwijgen, om afwezigheid, wat moet je dan met taal? Zou je dan niet de taal vaarwel moeten zeggen, in plaats van nóg een keer benadrukken dat je niet kunt zeggen wat je wilt zeggen? Of zou je de taal zo vorm kunnen geven dat zowel de woorden als de stilte tussen de woorden aandacht krijgen? En wat is dan de stilte tussen de woorden? Juist het wit, het wit in de poëzie.

„Maar wie”, schrijft van Dijk, „poëzie probeert te lezen met aandacht voor het typografisch wit moet er een andere leeswijze op nahouden. Niet de samenhang van een tekst maar de breuken en gaten daarin krijgen de aandacht. De witte plekken hebben betekenis, in de eerste plaats áls witte plekken. Witregels of enjambementen kunnen natuurlijk ook een rol spelen in allerlei mogelijke interpretaties van de inhoud van het gedicht. Tegelijk is het van belang om ze recht te doen als lege plekken.”

Hoe dat moet, demonstreerde Yra van Dijk op die herfstdag aan de hand van Faverey’s gedicht ’Het sneeuwt’. In haar boek bespreekt ze dit gedicht opnieuw, en ook al schrijvend overtuigt ze: niet alleen wat er staat verdient aandacht, ook wat er niet staat. Niet het geheel moet je proberen te begrijpen, ook de delen.

Wie het gedicht van Faverey een paar keer leest, krijgt er misschien niet onmiddellijk vat op, maar merkt waarschijnlijk wel dat het tempo laag ligt. Je zou zelfs de indruk kunnen krijgen dat „de woorden traag uit de lucht vallen alsof het de sneeuwvlokken zelf zijn.”

Voor wie dit te zweverig is, begint Van Dijk bij het begin. Dat is eenvoudig. Er staat: ’Het sneeuwt’. Een dichter is geen journalist, hij beschrijft geen bestaande situatie, hij schept een nieuwe situatie. Faverey laat het sneeuwen. Niet alleen door de woorden van het begin, ook in de witregel die op deze woorden volgt, sneeuwt het zo.

Lang sneeuwt het niet, want de eerste regel na de witregel luidt: ’maar het sneeuwt niet meer.’ Van Dijk: „Dat geeft de eerste witregel van dit gedicht meteen een dubbele betekenis: het sneeuwt erin én het stopt er met sneeuwen. Er speelt zich dus een moment af in de witregel, dat niet in werkelijkheid te zien is en nog minder in woorden te vangen: het moment waarop het stopt met sneeuwen. (*) Als het hem lukt om die grens tussen twee verschillende toestanden even op te roepen, is dat in de witregel in plaats van in de tekst.”

We zijn in het gedicht nog maar net onderweg en er is al veel gebeurd. Het is begonnen te sneeuwen, en het is weer opgehouden met sneeuwen. Wanneer? Dat is niet precies te zeggen, ergens in de witregel.

In de rest van het gedicht probeert Faverey dit moment te beschrijven: ’Toen het begon te sneeuwen/ ben ik naar het raam gelopen;’ Dan volgt weer een witregel. Het sneeuwt weer. Nu houdt het niet onmiddellijk op met sneeuwen, maar vertelt Faverey wat er met de ik-figuur gebeurde toen hij naar het raam liep: ’heb ik mij verloren gelopen’. In het zuiden van Nederland gebruikt men ’verloren lopen’ voor verdwalen. Wanneer en waar is de hoofdpersoon verdwaald? Niet in de tekst, maar in het wit tussen de tweede en derde strofe.

Opnieuw een witregel. Dan de vreemde zin: ’In die tijd ongeveer’. Gewoonlijk gebruiken we die uitdrukking niet voor zo’n kort, vluchtig moment, maar om wat nonchalant een periode lang geleden aan te duiden. Die aanduiding heeft hier het effect dat het begin enorm wordt opgerekt. „Uitgerekend vanwege de onmogelijkheid nauwkeurig te zijn, wordt dit een gigantisch lange tijd.”

In het gedicht gebeurt nu iets vreemds: ’Vlak voor de sneeuw weer/ begon te vallen,’. Weer? Het is toch nog maar net begonnen te sneeuwen? Van Dijk: „Ik denk niet dat het de bedoeling is dat het hier voor een tweede keer begint te sneeuwen. Het ’weer’ verwijst eerder naar de tijdsituatie binnen het gedicht zelf. Door het uitstel, bereikt door het vele strofische wit en het verdwalen van de ik, heeft de tijd even stilgestaan. In regel 7 wordt de tijd weer hervat, en de sneeuw begint andermaal te vallen.”

Wat in de eerste witregel is gebeurd, verwoordt Faverey nu: even nadat het begonnen is te sneeuwen, houdt het op. Dat gebeurt nooit abrupt, het gaat eerst minder hard sneeuwen. Dat beschrijft Faverey, maar volgens Van Dijk gebeurt het ook in het gedicht zelf: „het gedicht neemt hier het tempo aan van de vallende sneeuw.” Dit effect bereikt Faverey door de woordvolgorde om te draaien. In het dagelijks leven zou je eerder zeggen dat de sneeuw in steeds langzamere vlokken begon te vallen. Faverey draait het om: ’grote, steeds/ langzamere vlokken in/’.

Van Dijk concludeert: „Aan het einde van het gedicht is het opgehouden met sneeuwen, of liever óók met sneeuwen. De sneeuw blijkt hier plotseling bijzaak te zijn geworden. Wat is dan hét dat is opgehouden? Dat zou iets te maken kunnen hebben met de ’ik’, die zich verloren heeft gelopen. Dat geeft mij de indruk van een triest, of in ieder geval wat ’verloren’ gevoel.”

Zelden is een ogenblik, een plaats én een gevoel zo precies onder woorden gebracht. Onder woorden gebracht? Ja, maar dankzij het wit dat die woorden omringt. Dat maakte Van Dijk duidelijk, toen in die aula, en nu in haar boek.

Yra van Dijk: Leegte, leegte die ademt; het typografisch wit in de poëzie; uitg. Vantilt; ISBN 9077503293; 444 blz., euro29,90

Deel dit artikel