Pluriformiteit in oorlogstijd

home

door Peter Sierksma

'Alles loopt goed, maar ons zwakke punt is de redactie.' Wim Speelman, belangrijk man onder de verspreiders van het illegale Trouw, kan z'n ergernis niet steeds verbergen. Belangwekkend zijn stellig de beschouwingen over een naoorlogs defensiebeleid, maar kan de inhoud niet wat directer tegen de Duitsers gericht, wat ophitsender? Het is een meer gehoord geluid onder de verspreiders, en dat is terug te vinden in de regionale edities die tijdens de oorlog van Trouw verschenen. Peter Bak, historicus, deed er onderzoek naar.

'Het waren enkele blaadjes. Dubbelgedrukte vellen, niet veel groter dan een a-viertje.' Terwijl hij het zegt, geeft Peter Bak (29) met zijn handen de grootte aan, 'zoiets, groter niet.'

Met 'de blaadjes' doelt de historicus op de regionale en lokale Trouw-edities die in het laatste oorlogsjaar overal in het land verschenen. 'Speciale uitgaven' werden ze ook wel genoemd, al die kleine bulletins. Want, vertelt Bak, al waren ze begonnen om het nieuws dat de landelijke editie met haar driewekelijkse verschijning na Dolle Dinsdag nauwelijks meer kon bijhouden, het door de hoofdredactie in Amsterdam geschreven commentaar mocht niet ontbreken.

Bak: "Nieuwsvoorziening alleen was niet genoeg, vonden de voor Trouw verantwoordelijke redacteuren Bruins Slot, Van Ruller en Van der Molen. Ook in de bulletins moest het principiele, anti-revolutionaire karakter van Trouw tot uitdrukking komen. En zo kwam het dat zo'n blaadje vaak aan de ene kant alleen nieuws bracht, terwijl de andere kant volgeschreven was met beschouwende of getuigende kopij die uit Amsterdam naar de verschillende plaatsen werd gebracht."

Op 25 oktober 1944 verscheen in Amsterdam het eerste nummer van zo'n 'Trouw-bulletin'. De uitgave, die voortaan driemaal in de week zou verschijnen, was niet meer dan een stencil waarop het laatste Amsterdamse en landelijke oorlogsnieuws stond. Ze was bedoeld als aanvulling op de landelijke editie van Trouw, die slechts eenmaal in de drie weken verscheen en bovendien na de spoorwegstaking van september 1944 nog maar vier in plaats van acht

ina's telde.

Voor de mensen die het bulletin lazen en die goed op de hoogte waren van de oorlogssituatie op dat moment, moet het nummer het meest geleken hebben op de 'Oranje-bulletins', die vanaf begin september, na Dolle Dinsdag op veel plaatsen bijna dagelijks in het land door plaatselijke redacties werden uitgegeven.

De Oranje-bulletins, die in sommige gebieden op verzoek van vooral Waarheidmedewerkers ook wel onder de naam 'De vrije Pers' verschenen, ontstonden op initiatief van de persgroep van Ons Volk. Deze neutrale krant was in 1943 opgericht met onder meer de bedoeling een eind te maken aan de hokjesgeest die de ondergrondse pers kenmerkte. Juist nu de mensen alles wilden weten over de naderende bevrijding terwijl het met name in het westen van het land steeds moelijker werd Radio Oranje of de BBC te ontvangen door de almaar haperende stroomvoorziening, was het zaak de illegale persgroepen onder een noemer te brengen en nauw samen te werken in de nieuwsvoorziening, zo was de redenering.

De redactie van Trouw had daar geen bezwaar tegen. Half oktober stuurde zij een circulaire naar de hoofdverspreiders van Trouw waarin richtlijnen stonden voor samenwerking met andere groepen. "Het is geoorloofd" , schreef ze, "medewerking te verleenen aan gemeenschappelijke met anderen uit te geven bulletins met de uitdrukkelijke voorwaarde dat hierin alleen voorkomen, officiele stukken van de regeering of Radio Oranje, benevens buitenlands nieuws (frontnieuws) en binnenlands nieuws (verzetsnieuws). Andere redactioneele stukken mogen onder geen voorwaarde worden opgenomen."

Hoewel het initiatief aanvankelijk aansloeg en er vooral in de provincie goed werd samengewerkt tussen de landelijke en regionale persgroepen, bleek al vrij snel dat sommige landelijke groepen als die van Het Parool, Vrij Nederland en De Waarheid als het erop aankwam liever niet meewerkten.

Vooral Het Parool, dat in 1944 al grootse plannen had om na de oorlog als dagblad te verschijnen, werkte alleen mee als het zo uitkwam. Bak daarover: "De politiek van Het Parool was er op gericht om in het hele land redactie- en lezersgroepen te formeren die direct na de oorlog bovengronds konden gaan. Men had dus belang bij zoveel mogelijk lokale edities. Het opzetten van zo'n netwerk of organisatie duurde even. Je ziet dan ook dat Parool-medewerkers goed bijdroegen aan het Oranje-Bulletin zolang die regionale organisatie er nog niet was, maar dat ze, zodra zij hun eigen bulletin klaar hadden, zo snel mogelijk voor zichzelf begonnen."

In Amsterdam was dat ook het geval. Toen de Amsterdamse redactiecommissie van het Oranje-Bulletin voorstelde om het neutrale bulletin tot het nieuwsbulletin van de hoofdstad te maken, zodat de eigen uitgaven van de kranten gestaakt konden worden, stemde Het Parool tegen. Het bleef liever eigen nieuwsbulletins maken op de dagen dat het OranjeBulletin niet verscheen. En dat gebeurde, waarmee de trend was gezet.

Toen niet lang daarna ook Vrij Nederland en De Waarheid besloten hun eigen nieuwsedities gewoon voort te zetten, besloot ook Trouw tot het maken van speciale lokaal en regionaal gebonden edities. Het nieuwe Trouw-bulletin verscheen driemaal per week op maandag, woensdag en vrijdag, precies de dagen dat het Oranje-Bulletin niet verscheen. Op 30 november werd de uitgave van het Oranje-Bulletin helemaal gestaakt.

Binnen korte tijd verschenen er na het Amsterdamse Trouw-Bulletin lokale nieuwsedities in Hilversum en Haarlem, en later ook in Utrecht, Den Haag, De Zaanstreek, Rotterdam, Dordrecht, Leiden, Gouda, Alkmaar, Heerhugowaard en Amersfoort. Uiteindelijk groeide het aantal edities uit tot meer dan vijftig en werd er in het laatste oorlogsjaar een gezamenlijke wekelijkse oplage bereikt van maar liefst een half miljoen exemplaren. De landelijke editie, die gemiddeld eens in de drie weken bleef verschijnen haalde in de laatste winter een oplage van 145 000.

Behalve de edities zelf, verschilt ook hun ontstaansgeschiedenis sterk van plaats tot plaats. In Hilversum bij voorbeeld werden de eerste nummers van 'Trouwbulletin Oranje Boven, mededeelingen voor Hilversum en omstreken' onder zeer moeilijke omstandigheden gemaakt: er waren razzia's in Hilversum, in Nederhorst den Berg was een stencilmachine maar geen papier en er waren problemen met de pas opgezette estafetteploeg van de koeriersdienst. Volgens de initiatiefnemers Theo Schooneveld en Harry Kok waren die eerste nummers daardoor van een abominabele kwaliteit: de stencils waren nauwelijks leesbaar en zaten nog vol typefouten ook. 'Dit was treurig!', schreef Kok boos naar Amsterdam. 'We moeten onze goede naam handhaven, en dat moet in de inhoud, maar ook in de verzorging uitkomen!' Uit schaamte, voegt Bak er in zijn boek aan toe, durfde hij het nummer niet aan de redactie voor te leggen. Bij het tweede nummer ging het al niet veel beter: de stencilmachine ging kapot en een deel van de oplage kon zo de kachel in.

In Haarlem verliep het begin soepeler. Daar was de plaatselijke editie 'Trouwbulletin: Oranje Boven!!; dagelijkse mededeelingen voor Haarlem en omgeving' min of meer de natuurlijke voortzetting van het al door twee Trouw-verspreiders uitgegeven blaadje 'De Luistervink' dat in verband met het toenemende frontnieuws nog maar net van een wekelijkse op een dagelijkse frequentie was overgeschakeld. De omzetting van 'De Luistervink' in een speciale Trouw-editie werd door de oprichters ervan, Jan Stoorvogel en Piet Waagmeester, direct in verband gebracht met de stukgelopen samenwerking tussen de illegale persgroepen in Amsterdam, 'waar naast het Oranje-bulletin elken dag een blaadje verschijnt van V.N., Parool en Trouw. Dit omdat naast het gezamenlijke blad behoefte bestaat zelf het Nederlandsche volk vanuit eigen gezichtshoek voor te lichten.'

Afwijkend was de situatie in het noorden en oosten van het land, waar tot 1945 geen speciale uitgaven werden gedrukt. Daar waren twee redenen voor. Om te beginnen was er - waarschijnlijk doordat men dichter bij Duitsland zat - nog stroom en kon men dus Radio Oranje nog ontvangen. Verder speelde het concurrentiemotief met andere bladen nauwelijks een rol.

Bak: "Anders dan in het zuiden en westen van het land was Trouw in het noorden en oosten, waar het protestantisme overheerste, onbetwist de leidende krant. Lange tijd kon daarom worden volstaan met een tussenoplossing, waarbij de landelijke editie vanaf september 1944 aangevuld werd met artikelen die betrekking hadden op de regionale toestand."

De aangepaste Trouw-edities in het noorden waren een antwoord op de noodkreet van een hoofdverspreider uit de regio, Jan Veldkamp, die bekend was als 'Cor Overijssel'. Want al had men in het noorden nog wel radio en al was Trouw daar ook de grootste krant, er waren wel degelijk problemen. Ze betroffen vooral de contacten met Amsterdam. De grote afstand was er de oorzaak van dat men zich in het noorden vaak 'geisoleerd' en een beetje in de steek gelaten voelde. Vooral sinds het uitvallen van het treinverkeer na de spoorwegstaking van 17 september - een direct gevolg van de oproep van de Nederlandse regering in Londen om het Britse luchtoffensief in Brabant en bij Arnhem te ondersteunen - kwamen er nauwelijks berichten uit Amsterdam aan, en dus ook geen richtlijnen.

Nadat hij een door een Brits vliegtuig gedropt pamflet had gelezen waarin onder meer de na-oorlogse plannen van Het Parool werden ontvouwd, liet 'Overijssel' Amsterdam weten dat men in het noorden nu ook wel eens wenste te horen hoe Trouw zich na de oorlog dacht te manifesteren.

De klacht leidde tot de aanstelling van een speciale redacteur die, als daar aanleiding voor was, de krant kon aanpassen aan de regionale omstandigheden. Mocht de bevrijding in het noorden en oosten eerder komen dan in het westen, dan kreeg deze redacteur de leiding bij het bovengronds brengen van de krant.

Als speciale gezant koos de redactie dr. Roelf Jan Dam, de rector van het Gereformeerd gymnasium te Kampen. Dam was al vroeg bij het plaatselijke verzet in Kampen betrokken geraakt. Hij was actief als adviseur van de LO/LKP (Landelijke Organisatie tot hulp aan Onderduikers c.q. de Landelijke KnokPloegen) en werkte in '43 ook mee aan het Trouw-manifest 'De vijand heeft thans het masker afgeworpen'. Begin '44 verliet Dam Kampen omdat hij 'zwaar' gezocht werd door de Duitsers, en kwam hij in Amsterdam terecht, waar hij al snel in contact kwam met de redactie van Trouw.

Hoe Dam zijn opdracht in praktijk bracht, beschrijft Huib Ottevanger, verspreider van Trouw in Groningen, in het gedenkboekje 'Leven en werk van dr. J. Dam' uit 1957: "Het was alle dagen door weer en wind fietsen, door modder, zand, langs gebaande en ongebaande wegen ploeteren. Bijna iedere nacht op een ander bed, onder steeds wisselende omstandigheden. Geestelijk was het zwaar, omdat hij de leiding had te geven aan een hem volstrekt onbekende groep personen, die uit een totaal verschillend milieu kwamen en zeer uiteenlopend over geestelijke dingen dachten. En tenslotte was hij eigenlijk geheel afhankelijk van deze groep die hem al z'n contacten moest verschaffen, voor z'n bonnen moest zorgen, wat hij zou gaan schrijven moest laten drukken en dan gaan verspreiden. Te bevelen had hij niets, hij kon slechts verzoeken."

Het citaat geeft een beetje aan hoe groot het verschil soms was tussen de ideeen van de redactie in Amsterdam en de praktijk in de regio, waar de verspreiders nu ze behalve voor de verspreiding vaak ook voor het drukken en redigeren van de 'speciale uitgaven' zorgden, ook enige invloed op de kopij wilden hebben. Juist voor dit laatste was de hoofdredactie bang; ze wilde zelf verantwoordelijk blijven voor de inhoud van alles wat 'Trouw' was.

Hoewel het strenge inhoudelijke beleid van Bruins Slot, Van der Molen en Van Ruller in de meeste gevallen weinig problemen opleverde, kon men vanuit Amsterdam vanzelfsprekend niet alles overzien en verschenen er zo nu en dan artikelen in de blaadjes die naar het oordeel van de redactie achteraf 'Trouw-onwaardig' waren. Bak: "Als je alleen al voor het noorden nagaat dat Dam het gebied bestreek tussen Oldenzaal en Leeuwarden, dan begrijp je dat hij niet overal tegelijk kon zijn en dat hij ook niet alle speciaal voor Friesland, Groningen of Drenthe bedoelde kopij van te voren zag."

Een goed voorbeeld van eigenzinnigheid in de regio was de Friese hoofdverspreider van Trouw, Jan van der Meer. Bij afwezigheid van Dam vroeg hij in februari '45 tegen alle richtlijnen van de redactie in aan de hoofdredacteur van het (op dat moment niet verschijnende) Friesch Dagblad, Hendrik Algra, een hoofdartikel te schrijven over de moord van de Duitsers op twintig gevangen verzetsmensen in Dokkum. Het was een represaille voor een overval op een SD-auto drie dagen eerder. Een fel stuk moest het worden. Een roep om wraak, zodat 'mogelijk zelfs de Duitsers' geintimideerd zouden raken. Algra deed het. De bezetter, schreef hij, zal 'deze mannen weer ontmoeten, op plaatsen, waar hij er niet op rekent. En het wapen is goed, het oog is koel en de hand is vast. Een kogel is genoeg.'

Het artikel viel slecht. Bruins Slot vond het, zo hoorde men enige tijd later, 'te veel krijgshaftig en wraakzuchtig.' Een van Bruins Slots naaste medewerkers in Amsterdam, Hilde Dekker, voegde daar nog aan toe, dat de opmerking dat het sterven van de verzetsmensen 'nameloos hard' was, niet te rijmen viel met de gedachte aan 'de genade van Christus en de heerlijkheid die hen wacht'. Volgens haar hadden de twintig daar wel degelijk in hun laatste uur aan gedacht, net zoals de op 12 februari als represaille voor een aanslag op de spoorlijn Haarlem-Amsterdam gefusilleerde Wim Speelman (een van de belangrijkste Trouw-mensen in de oorlog), Bas van Beveren en de Amsterdamse dominee Henk de Jong.

Maar Van der Meer was niet te vermurwen: het was mooi van die drie mensen om voor het vuurpeloton aan de genade van Christus te denken, maar voor de Friese jongens ging het niet op: 'die waren voor het merendeel ongelovig en daarom was hun lot niets anders dan 'nameloos hard': "Een Christen kan zeggen: God roept mij van mijn post en geeft mij ander werk. Dezen konden dat niet."

De briefwisseling leidde uiteindelijk tot een hele discussie tussen Van der Meer en Amsterdam over de vrijheid van handelen die was toegstaan op het moment dat er gewoon kopij nodig was en - en dat was belangrijker - in hoeverre 'De moorden van Dokkum' te tolereren viel. Toen bekend werd dat Algra het stuk geschreven had, kwam daar opeens ook nog een praktisch punt bij: wat had Trouw aan een man als Algra, die na de bevrijding toch weer verder zou gaan met het Friesch Dagblad? Maar Van der Meer had er geen boodschap aan: de slag om de naoorlogse lezer (want dat zat erachter) zou hem worst wezen zolang de oorlog duurde.

Van der Meer was niet de enige dwarsligger. Ook in Amersfoort, Hilversum en Noord-Holland waren er regelmatig problemen over de soms te kritische, soms te woeste toon in de blaadjes.

In Amersfoort bijvoorbeeld begon de door verspreider Egbert Vonkeman aangetrokken Hans Westra zonder dat daar nu speciaal om gevraagd werd een persoonlijke kruistocht tegen het 'slappe christendom'. Hele tirades schreef hij in zijn bulletin over de 'beschavingsreligie' die het christendom geworden was en de grote kloof die er tussen de boodschap van het evangelie en de praktijk bestond. In plaats van zijn lezers een hart onder de riem te steken, schold hij ze verrot, sterker: gaf hij ze bijna de schuld van de bestaande toestand. Het ging Amsterdam net iets te ver. De uitgave werd gestaakt.

Later, in de laatste maanden voor de bevrijding, ontstonden er problemen over de politieke weg die de protestantse Trouw-aanhangers zouden inslaan. Onderwerp was de vorming van een christelijke nationale partij die de politieke en kerkelijke verdeeldheid van voor de oorlog overbodig moest maken. Bruins Slot had in februari '45 al een optimistische toon gezet toen hij in het artikel 'Naar een Christelijke Volkspartij' de scheiding tussen anti-revolutionairen en christelijk-historischen weliswaar 'historisch verklaarbaar' maar onbevredigend noemde. In verscheidene regionale edities werd daar hoopvol op gereageerd. Onder meer door de voor de Westfrieseedities aangetrokken K. Norel, de kinderboekenschrijver. Eind maart schreef hij dat hij in Noord-Holland een gemeente kende waar anti-revolutionairen en christelijk-historischen al voor het artikel van Bruins Slot om de tafel zaten om een nieuwe eensgezinde kiesvereniging op te richten 'onder een nieuwe naam en met een schoone lei'.

Maar vrij snel schreef algemeen redactiesecretaris A.M. Donner hem terug dat men er in die plaats dan toch weinig van begrepen had. Eerst moesten de oude verhoudingen hersteld worden. Dan konden de oude stromingen altijd nog samen gaan.

Het lijkt een onbeduidend meningsverschil, maar is dat niet, zegt Bak: "Voor veel verspreiders en Trouw-medewerkers als Piet Tjeerdsma, die Norel had aangetrokken, en voor Norel zelf was het wel degelijk een probleem. Zij wisten dat bij herstel van de vooroorlogse situatie het initiatief dat juist nu zo sterk onder de protestantse bevolking leefde, teruggeschroefd werd op een manier die het na de bevrijding heel moeilijk zou maken nog bij elkaar te komen."

De 'progressieven' kregen gelijk. Na de oorlog kwam er van de Christelijke Volkspartij niets terecht. Bovendien zagen veel regionale verspreiders met lede ogen aan dat 'hun Trouw' na de oorlog niet als algemeen christelijke krant zou terugkomen, maar als anti-revolutionaire krant, waarin van de verscheidenheid aan meningen die de regionale edities zo kenmerkte vrijwel niets overbleef.

Hoewel veel oud-medewerkers ook na de bevrijding nog hielpen de nieuwe krant op poten te zetten, waren zij toch teleurgesteld. Bak: "De smalle koers die Trouw koos, heeft behalve veel goodwill ook veel potentiele abonnees gekost. Achteraf heb ik natuurlijk makkelijk praten, maar je zou kunnen zeggen dat Trouw met die keuze de kans heeft laten liggen om al vroeg te bewerkstelligen, wat zij nu eindelijk via een lange omweg, een politieke ommezwaai en fors lezersverlies geworden is."

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie