Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Plassen op een massagraf

Home

Ekke Overbeek

Na de oorlog vermoordden Tsjechen duizenden Duitsers uit wraak voor de bezetting. Deze grootste Europese massamoord na de Tweede Wereldoorlog is voor veel Tsjechen nog altijd taboe, maar ze komen er niet meer onderuit om de zwarte bladzijden van hun eigen verleden onder ogen te zien.

Zaterdagmiddag. Een gure wind waait door het stadspark van Ostrava, maar de stralende najaarszon prikt regelmatig door de voortjagende wolken. Menig inwoner van deze Oost-Tsjechische industriestad trotseert de kou voor een weekenduitje. De oude bomen zijn felgekleurd door de herfst. De eerste bladeren zijn gevallen en ritselen als een fietser in vol wielrennersornaat zijn rijwiel tegen een boom parkeert en achter een struikje verdwijnt om een plas te plegen.

„Weet u dat u net heeft geplast op het graf van 231 vermoorde Duitsers?” Hij antwoordt met een vragende blik. „Hier? Hier in het park?” Hij kijkt rond, om zich ervan te vergewissen dat hij geen gedenkteken over het hoofd heeft gezien. Dat heeft hij niet. Geen kruis, geen plaquette, niets dat erop wijst dat op deze plek Tsjechische ’patriotten’ in mei 1945 de door hen gemartelde en vermoorde Duitstalige landgenoten onder de grond hebben gestopt. Als de eerste verbazing is weggeëbd, valt de onverwachte informatie op haar plek. Zoals elke Tsjech heeft hij gehoord van de moorden op Sudeten-Duitsers in mei en juni 1945, maar weet hij er het fijne niet van.

Hij stelt zich voor: Gerhard Cigan. Hij is een Tsjech, maar zijn Duitse voornaam is geen toeval. Ostrava lag in het Silezische grensgebied van Tsjechië, Duitsland en Polen. Toen de regio ten noorden van de stad, waar zijn ouders woonden, in 1938 door Hitler werd geannexeerd, moesten alle Sileziërs het leger in, of ze nu Duitser waren, Tsjech of Pool. „Mijn vader moest in de Wehrmacht naar het oostfront. Mijn moeder vluchtte toen de Russen kwamen in 1945, maar is later toch weer teruggekomen. Alle meubels waren toen al uit hun huis verdwenen.” Als ze was gebleven, had ze een van de honderden kunnen zijn die werden opgesloten in het ’Hanke-lager’, een kamp niet ver van het massagraf. „Natuurlijk zou hier een gedenkteken moeten staan”, zegt Cigan, als hij bekomen is van de onverwachte confrontatie met de lokale geschiedenis.

De kans dat dat gedenkteken er komt, lijkt voorlopig niet groot. „Niemand is geïnteresseerd. Op het stadhuis doen ze alsof het onderwerp niet bestaat”, zegt Hans Mattis. Hij is voorzitter van de Duitse minderheid in Tsjechisch Silezië. Dankzij een Tsjechische historicus die zich in het onderwerp verdiepte en de Volksbund Deutscher Kriegsgraber in Kassel, kan hij precies aanwijzen waar de doden liggen. Die laatste organisatie kan Mattis echter niet verder helpen, omdat ze zich statutair alleen met soldatengraven mag bemoeien. Zoals in de meeste na-oorlogse massagraven in Tsjechië liggen ook hier in het stadspark van Ostrava vermoorde burgers.

Het zijn drie graven van elk 20 meter lang, in elkaars verlengde, langs de buitenkant van wat vroeger een kerkhof was. „Ze werden hier in het holst van de nacht naartoe getransporteerd uit het kamp, op wagens waarvan de wielen met rubber waren bedekt, zodat niemand het zou horen.” Het verhaal is niettemin in detail bekend. „Er leeft nog een getuige die moest meehelpen met het begraven”, zegt Mattis. „Maar hij wil liever niet meer met de pers praten. Hij heeft de nodige vervelende reacties gehad, toen hij op de Tsjechische televisie erover heeft gepraat.” Zijn Duits is accentloos, maar de grammatica is na jaren zwijgen gesleten. In het communistische Tsjechoslowakije keek je wel uit voordat je iets in het Duits zei.

In heel Tsjechië wonen nog ongeveer 40.000 mensen die zichzelf Duitser voelen en velen zijn nog altijd bang. „Er is een mevrouw wier vader hier in het graf ligt, maar die er absoluut niet over durft te praten. Haar zoon werkt bij de politie en ze is bang dat hij problemen krijgt.” Openlijk pleiten voor een gedenksteen is op zich al een doorbraak. „Mensen laten hier gewoon hun hond uit”, zegt Mattis op het asfaltpaadje dat naar de kiosk in het park loopt. „Als het mooi weer is, zitten mensen daar bier te drinken. Gewoon boven op het graf.” Mattis heeft de lokale overheid een ultimatum gesteld: voor het einde van het jaar moet er een gedenkteken komen. Zo niet, dan doet hij aangifte bij de politie.

De politie? Nog geen jaar geleden zou iedereen de schouders hebben opgehaald bij het horen van een dergelijk ’dreigement’. Maar de zaken zijn veranderd sinds in augustus van dit jaar bij het dorp Dobronin een graf met 15 vermoorde Duitsers werd geopend. Jarenlang deed ook daar iedereen alsof er geen graf bestond. Een lokale journalist beet zich echter in het onderwerp vast en deed aangifte bij de politie. Het resultaat was exhumatie, opgraving. De officier van justitie overweegt een aanklacht wegens genocide. Alleen op die manier kan de amnestie op grond van de zogeheten Bene-decreten (zie kader) worden omzeild.

Ook elders zijn wraakacties tegen Sudeten-Duitsers onderzocht. In het Noord-Tsjechische Postoloprty (Postelberg) vermoordden Tsjechische soldaten naar schatting duizend Duitstalige burgers. In 1947 werden er 763 teruggevonden in massagraven, toen het, toen nog niet door de communisten overgenomen parlement de zaak onderzocht. De daders gingen echter vrijuit, dankzij de amnestie van de Bene-decreten. Onder het communisme en nog lang daarna was de zaak taboe. Een jaar geleden besloot de gemeenteraad een gedenkteken te plaatsen met de tekst: „Voor alle onschuldige slachtoffers van de gebeurtenissen in mei en juni 1945.” Dat het ging om moord op Duitsers mag nog altijd niet worden vermeld.

Ook in Ostrava weet een deel van de lokale bevolking van het bestaan van het graf. „Dat het hier was wist ik niet”, zegt een mevrouw die door het park wandelt. „Ik wist wel dat hier in de buurt een kamp was waar Tsjechen na de oorlog zonder enige vorm van proces Duitsers hebben vermoord, maar dat ze hier begraven liggen, wist ik niet.” En dan gaat ze verder: „Weet u, de ouders van een nicht van mijn moeder hebben in dat kamp gezeten. Ze zijn er levend uitgekomen, maar kort daarna overleden. Natuurlijk zou hier een gedenkteken moeten komen, maar ik denk niet dat de Tsjechen dat willen.”

De geest van het verleden heeft echter een sterke medestander in het heden gekregen: de Sudetendeutsche Landsmannschaft, een in Beieren gevestigde organisatie van de ongeveer drie miljoen verdreven Sudeten-Duitsers en hun nakomelingen. De extreme vleugel van deze organisatie hoopt nog altijd op compensatie voor de verloren Heimat. Het nieuws over de massagraven vindt gretig aftrek op extreem-rechtse websites, waar het Duitse oorlogsleed wordt uitvergroot en met geen woord wordt gerept over de misdaden die in naam van Duitsland werden begaan.

Dat mag de Tsjechen er niet van weerhouden de zwarte bladzijden van hun eigen verleden onder ogen te zien, meent David Vondracek. Zijn film ’Doden op zijn Tsjechisch’ belandde in mei van dit jaar in prime time op de Tsjechische staatstelevisie. „Het is nu het ongewenste kindje van de Tsjechische tv”, glimlacht hij op een Praags terras. Het hart van de reportage werd gevormd door een amateurfilm uit mei 1945. De stomme film laat zien hoe mensen in burger in de straten van Praag op een rij worden gezet en geëxecuteerd. Vervolgens rijdt een vrachtauto over de deels nog levende slachtoffers. „Het is het enige filmmateriaal waarin de moorden zijn vastgelegd.” Voor veel Tsjechen was het een schok.

Vondracek groeide zelf op in het voormalige Sudetenland ’tussen de kerken, kastelen en kerkhoven met Duitse opschriften’. „Ik wilde als kind weten wat voor mensen hier vroeger woonden”, zo verklaart hij zijn belangstelling voor het thema. Voor veel Tsjechen is het nog altijd taboe. Het ondermijnt het veilige gevoel slachtoffer te zijn geweest van de grote, kwade buurstaat.

’Halfcollaboratie’, zo betitelt David Vondracek het lijdzame verzet van zijn landgenoten tijdens de Duitse bezetting. „Mensen die geen jood, roma of openlijk homoseksueel waren hadden het niet zo slecht.” Joden, roma en sinti waren volgens de nazi-ideologie ten dode opgeschreven, maar Tsjechen werden geacht te assimileren en vooral hard te werken in de oorlogsindustrie. En dat deden ze. Vondracek strooit nog een paar korrels zout in de nationale wond: „Er was zelfs een kleine geboortegolf.”

De wreedheid van de na-oorlogse wraak wordt vaak verklaard als het afreageren van schuldgevoel. „In veel gevallen waren de daders collaborateurs, mensen die tijdens de oorlog hadden samengewerkt met de Duitsers en nu een wit voetje wilden halen bij de nieuwe machthebbers”, zegt Vondracek, die onder meer wijst op de commandant van het Hanke-lager (kamp) in Ostrava. Hun slachtoffers waren daarentegen vaak Duitsers die het minst op hun geweten hadden. „Er zaten veel vrouwen en kinderen bij. De echte misdadigers, zij die bij de SS of de SA hadden gezeten, waren meestal al naar Duitsland gevlucht.”

Deel dit artikel