Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Peter Faber: Ik ben gewoon niet opgevoed. Niet erg

Home

Arjan Visser

Peter Faber (Schwarzenbach, Duitsland, 1943) is acteur. Met de hoofdrol in ’Man van La Mancha’ – nog tot en met april in theaters door heel het land te zien – viert hij zijn vijftigjarig jubileum in het artiestenvak.

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Op een dag riep mijn moeder me naar binnen en zei: ’We zijn katholiek geworden, morgen ga je naar een andere lagere school.’ In mijn hersenen ging het meteen van prrttt ‿ ok, dat betekent dus dat ik bij mijn vijanden in de klas kom te zitten, dat ik moet gaan biechten bij de pater die me de kerk heeft uitgeslagen omdat ik het offerblok had leeggeroofd‿ Waarom we ineens katholiek werden, wist ik niet. Later begreep ik dat mijn moeder de nachtmis zo prachtig had gevonden en de aalmoezenier kon mijn vader aan werk helpen, geloof ik. God zei me niets. Ja, dat Hij alles zag. Naast mijn ouders, had ik nu ook de paters en God die me in gaten hielden. En me konden straffen. Tot mijn zevende werd ik alleen door mijn moeder geslagen. Mijn vader was toen nog mijn held. We gingen samen vissen. Maar op een dag –ik geloof dat het gebeurde toen ik voor het eerst tegen mijn moeder in opstand kwam– heeft hij een stok gepakt en me geslagen. Het was zo’n lange, leren lat met een lus aan het eind. De hondenstok, noemde hij die. Vanaf die dag sloegen ze me allebei. Geen idee waarom. Ik leerde wel zien wanneer er onweer op komst was. Als mijn moeder gewoon zat te breien, was er niets aan de hand, maar als ze daarbij met haar tong tegen de binnenkant van haar wang heen en weer bewoog, wist ik: foute boel. Eer je vader en je moeder, dat is toch ook een gebod? O, daar komen we dan zo op terug. Ik heb het in ieder geval nooit gedaan.

Katholiek dus. Van de ene op de andere dag. Elke dag naar de kerk. Jongens rechts, meisjes links. Ik weet nog dat ik een beetje misselijk werd van het langdurige knielen. En dat de pater, toen ik later rond mijn twaalfde op bed kwam te liggen, zei dat God die ziekte op mijn pad had gebracht. Ik had keiharde rode bulten op mijn benen. Ik dacht dat het een soort steenpuistenexplosie was en ik werd bang omdat de dokter zo’n puist meestal gewoon wegsneed. De dokter kwam, hij onderzocht me, maar deed verder niets. Mijn bed werd in de kamer gezet en dat was het dan. Dat viel mee. Tot er een buurjongetje voor mijn raam verscheen en riep: ’Hee Piet! – tot mijn vijftiende werd ik Piet genoemd – je hebt de tering hè?’ O, God, dacht ik, ik ga dood! Ik lig hier op mijn sterfbed. De straf van God. Maar een paar dagen later werd het ene na het andere klasgenootje ziek. Als witjes vielen ze om: tbc. Zes, zeven maanden lag ik thuis. Eigenlijk was het zo slecht nog niet. Ik werd niet geslagen. Mijn ouders kochten een televisietoestel. Op afbetaling. De hele buurt kwam – zware shag rokend – bij ons kijken. Toen ik beter was, kon ik niet meer met mijn vriendjes mee naar de ambachtsschool. Dat werd de ULO, bij de Broeders van Liefde. Nog meer regels en slaag. Ik keek er niet meer van op.

Op een ochtend waren mijn moeder en mijn jongere zusje verdwenen. Mijn vader liet me een briefje zien. ’Ben met Tiny naar Duitsland, Inge’ stond erop. Ze bleven weg. En ook Nelis, de tegelzetter – een vrolijke Jordanees die bij ons de keuken opknapte – kwam niet meer terug. De eerste tijd bleven mijn vader en ik samen. We gingen naar een kosthuis. Alleen slápen deden we thuis. Tot mijn vader een vrouw leerde kennen –een gedrocht met een rare, donkere stem– en ik er helemaal genoeg van had. Weg, ik moest weg. Ik was zestien en ging zwerven. Alles beter dan thuis zijn. En ik deed een ontdekking: alles wàs ook beter. Weg van de agressie, weg van alle regels. Weg van God? Ja, in ieder geval weg van die straffende macht. God is‿ laat ik het zo zeggen: laatst hoorde ik hoe geraffineerd het netvlies in elkaar zit. Als je door een bos loopt, is alles wat rechtop staat veilig. Bij dingen die dwars hangen registreert het oog gevaar. Daarom buk je, haast sneller dan je kan denken. Dat is toch fantastisch? Als je het over God wil hebben: daar is-Ie dan. Het is de genialiteit van het leven.”

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Je gebruikt Gods naam zonder eerbied op het moment dat je de Bijbel, de Koran of welke politieke ideologie dan ook als representant van dat leven ziet. Zodra je levenslust probeert te vangen en te besturen, zal God verdwijnen.”

III Gij zult de dag des heren heiligen

„Zes dagen train ik. Eerst de creatieve, emotionele spieren. Dan neem ik, in woord en gebaar, alle basiskleuren even door: woede, verdriet, seks, gekte, noem maar op. Dat doe ik in snelle dansjes van vijf of zes minuten. Daarna komen de Tibetaanse oefeningen: rekken, strekken, draaien – alles 21 keer. Vervolgens lig ik stil –een soort van meditatie– en bedenk wat mijn kern is. De ene dag ben ik een vuurpijl, een volgende dag een kabbelend beekje.

Dat zijn de doordeweekse dagen. Dan komt de zondag. Op zondag doe ik niets. Niets doen betekent niet: je kapot vervelen en wachten tot er iets leuks gebeurt, nee, het is wakker zijn, met al je energie.”

IV Eer uw vader en uw moeder

„Vanochtend kreeg ik ineens het beeld van mijn ouders door. Ik zag hoe ze gevangen hadden gezeten in hun eigen leven. Mijn vader: arm, geen scholing, van het ene naar het andere houvastje strompelend, komt uiteindelijk, op zoek naar werk, in Duitsland terecht. Daar woont mijn moeder. Zij was de dochter van een behoorlijk hoog geplaatste nazi. Moest bij het ontbijt de Hitlergroet brengen. Dat verdomde ze. Ze liep weg van huis en kwam mijn vader tegen. Hij was haar ticket naar de vrijheid, dacht ze. Ze raakte al snel zwanger. Ik werd in Duitsland geboren, daarna vertrokken ze naar Holland en trouwden. Vanaf dat moment heeft ze geprobeerd Hollandser dan de Hollanders te zijn. Deed er alles aan om van haar accent af te komen. Geen fouten maken. Schoon zijn, streng zijn. Ze voelde zich schuldig, was bang voor de buitenwereld, bang voor haar ouders, bang voor alles en iedereen. Paranoïde. God, ik heb haar gehaat – echt, verschrikkelijk. Als ze me sloeg, werd ze ook bang van mij: een jongetje van negen, tien jaar oud. ’Je hebt SS-ogen’, zei ze dan. Weet je wat me eigenlijk het meest emotioneert? Hoe dapper dat ventje was. Hoe hij de agressie verdroeg en doorging met leven, iedere keer weer. Tegen de klippen op.

Nu, nu mijn ouders al lang dood zijn, voel ik liefde. Ik heb ze omarmd. Hoe gek ik ook van die vrouw werd, hoe wazig die man ook was: ze hebben mij het leven gegeven. De angst, de onveiligheid: ik heb het ze vergeven, maar dat heb ik jammer genoeg nooit kunnen zeggen. We zijn niet boos uit elkaar gegaan, eerder onverschillig, als vreemden.

Ik zie mijn vader voor me. Hij lag in het ziekenhuis. Bang. ’Wat doe ik hier?’ vroeg hij steeds, ’wat doe ik hier?’ Versneld dement, zeiden ze, maar volgens mij was het iets anders. Doet er niet toe. De volgende dag hing hij, helemaal geknakt, in een stoel. Toen hij me zag, kwam hij overeind, graaide de muts van mijn hoofd en begon met me te dansen. En toen, ineens, wijzend op de lege stoelen in de zaal: ’Met die mensen moet je niet praten hoor!’ Een dag later lag hij, in een foetushouding, zachtjes te hijgen op zijn bed. Als een kind dat een angstdroom heeft. Weer een dag later was hij dood. Hoe oud? Ik weet het niet eens‿ 72? 73?

Mijn moeder dacht altijd dat ze ziek was, maar mankeerde nooit iets. Ik zag haar, nadat ze er met Nelis vandoor was gegaan, pas dertig jaar later terug. Ze voelde zich schuldig. ’Hoe heb ik jullie in de steek kunnen laten?’ Ik zei dat ik het helemaal niet erg had gevonden. ’Ik was juist opgelucht dat je was weggegaan.’ We hebben daarna sporadisch contact gehad. Hooguit één keer per jaar ging ik bij haar langs. Ik nam mijn kinderen mee, als buffer. Langer dan een half uur hield ik het niet uit – die echo uit het verleden, ik kon het gewoon niet verdragen. Maar goed, ze had dus allerlei zogenaamde kwalen tot ze eindelijk – eindelijk! – echt een ziekte kreeg. Kanker. Ze belde op en zei dat ze euthanasie ging plegen. ’De dokter komt volgende week.’ O. Ze woonde toen in een verzorgingshuis, in Heerenveen. Ik zei: ’Ik speel in Drachten. Dan kom ik wel even langs om afscheid te nemen.’ Ik kwam aan. Tiny, mijn zusje, was er ook. Mijn moeder vroeg: ’Vind je het erg als Tiny de televisie krijgt?’ Nee, ik hoef die hele televisie niet! ’Mag ik je een hand geven?’ Ja. Goed. En zo zat ik dan, voor het eerst in mijn leven, hand in hand met mijn moeder. ’Ik kijk nog even goed naar je’, zei ze, ’zodat ik je straks, onderweg naar de sterren, nog helemaal uit kan tekenen.’ Ok. Nou. Dag. Ja, dag. Ik hou van je. Ja. Goede reis. Goed. Daag. Weg. De volgende dag bleek er helemaal geen sprake te zijn van euthanasie; ze kreeg alleen morfinepleisters tegen de pijn en daar ging ze natuurlijk helemaal niet van dood. Ze at niet meer, ze dronk niet meer, maar doodgaan ho maar. Mijn zusje, die samen met haar man Rein bij mijn moeder bleef slapen, werd er bijna radeloos van. Ze vertelde dat mijn moeder begon te roepen dat ze de sterren niet kon vinden. Op een nacht kwam Rein omhoog uit zijn slaapzak, lachte een beetje naar mijn zus en viel dood neer. Hartaanval. En mijn moeder, uitgemergeld en al, leefde maar door. ’Ik kan haar wel wurgen!’ riep mijn zus door de telefoon. Een dag later was het eindelijk afgelopen. Hoe oud zal ze geweest zijn? Net zoiets als mijn vader, denk ik‿ Nee, het deed me niet zoveel. Ik was al op jonge leeftijd begonnen met afscheid nemen. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ze mijn moeder was, ik heb als kind geen liefde gevoeld, geen liefde gezien. Ik heb geen slechte opvoeding gehad, ik ben gewoon niet opgevoed. Niet erg. Ook niet echt leuk. Het was wat het was: niks.”

V Gij zult niet doden

„Mensen zijn bang voor mijn woede. Bepaalde codes heb ik niet van huis uit meegekregen. Wat nou: zullen we eerst nog even praten? Er bovenop! Knal! Vroeger gold ik als de sterkste jongen van de lagere school. Dat was ik helemaal niet, ik sloeg de ander gewoon meteen op z’n bek. Een killer. Gericht op uitschakelen. Geen rem. Als ik op de verkeerde momenten een pistool of een mes had gehad, zou dat tot doodslag hebben kunnen leiden, tuurlijk. Iedereen kan doden. Jij ook. Misschien ben ik iets gevaarlijker omdat ik zoveel energie heb. Vergeet niet: de energie waarmee je iets creëert, is dezelfde als die waarmee je dingen kapot maakt. Als ik tijdens workshops mensen Hitler laat spelen, gaan ze meteen enorm te keer, terwijl bij een imitatie van Jezus iedereen ineens heel zalvend doet. Maar het komt uit dezelfde bron. Jezus kon ook tieren. Het gaat erom dat je thuis bent bij je gevoelens. Als je alleen naar de woede luistert, ga je door het lint. Je moet ontdekken dat de gebalde vuist ook een vlakke hand kan zijn. Open, dicht. Leven is jongleren. Zoeken naar de balans. Geven, nemen. Praten, luisteren. Doen, laten. Adem in, adem uit.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

„Dat wilde die pater van me weten, in zijn hokje, achter het gaas. Of ik nog vadertje en moedertje had gespeeld, achter de kerk. Ik hield mijn mond. Neuken noemden wij het. Dat betekende niet meer dan een broek uittrekken, voelen, kijken – zo ver kwam het vaak niet eens. Het was vooral de spanning vooraf. Op een keer werd ik door mijn moeder geroepen. ’Wat heb je met Toos gedaan?’ Ik kroop onder de tafel en fluisterde: ’We hebben geneukt‿’ Het bleef heel lang stil. Daarna deden ze er alles aan om de meisjes bij me uit de buurt te houden.”

VII Gij zult niet stelen

„Stelen is de lucht beroven van zijn frisheid. Stelen is een kind beroven van zijn durf om te groeien, van zijn lef om dingen te proberen. Niet delen is stelen. De wereld is niet van jou. Kinderen zijn niet van jou. Een relatie is niet van jou. Mensen de vrijheid ontnemen om zèlf te bepalen hoe ze leven, is misschien wel de grootste vorm van diefstal.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Als je niet bent verbonden met wat je doet, dan ben je nep. Dan ben je gevangen door een gedachte, een idee, een bedoeling, een mening, een opvatting. Dat leidt altijd tot troebelheid, verstikking, leugens.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

„Vier huwelijken, ik weet niet hoeveel relaties: natuurlijk is dat het effect van mijn opvoeding – of het gebrek er aan. Ik heb dat pas later ingezien. Al die energie! Ik gaf en gaf en gaf, tot er helemaal niets meer over was. Hier was iemand die mij bijzonder vond! Iemand die vond dat ik de moeite waard was! Ik deed alles om die ander te plezieren en nog meer. De vrouw in kwestie kreeg waarschijnlijk het gevoel dat ze een goudmijn had aangeboord, maar de waarheid was dat ik niets toeliet, voor mezelf geen eisen stelde, geen verlangens had. Met als gevolg dat ik op den duur geen kant meer op kon. Ik stikte. Dat lag niet aan de ander, het lag aan mij. Ik ben inmiddels al bijna tien jaar gelukkig getrouwd met Suzanna. Maar de ware, dat blijft een raar begrip. Ik ben zelf de ware geworden. Mijn werk is mijn opvoeding, mijn leerschool geweest. Toneel is een spiegel van het leven; het gehoorzaamt aan dezelfde disciplines. Het vraagt om inzichten en vaardigheden die je ook in het echte leven nodig hebt om in actie te komen. Ik kon vroeger hele teksten uit mijn hoofd leren, maar dan begint het pas. Pas als je dat wat je hebt geleerd ook gaat voelen, kun je het zichtbaar, hoorbaar maken; dan kan het woord echt vlees worden. Zo gaat het dus ook met relaties: je doet allerlei kennis op, maar je moet je blijven afvragen wat er van binnen gebeurt, áchter dat hart. Wat gebeurt er in die stilte? Kun je zijn zonder te willen, zonder bedoeling? Zonder de ander gelukkig te willen maken of te eisen dat de ander jou het geluk brengt? Als je dat gebied niet bereikt, als je niet voelt dat je een lul bent én een koning, een doodgraver én een clown – als je jezelf dus klemzet in die ene rol die je denkt te moeten spelen voor die ander– dan komt dat altijd een keer aan het licht. In ziekte of in raar gedrag.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Een van mijn vriendjes kwam uit een gezin met vierentwintig kinderen. Zijn vader was slager. ’Hout brandt bij vuur’, zei die man altijd. Daarom had hij zoveel kinderen: zijn vrouw was het hout en hij was het vuur. Ik herinner me hun huis, met al die stapelbedjes, de warmte, de liefde, de geborgenheid, lekker bij elkaar. Ik hoopte altijd dat hij op een dag zou vragen: ’Hee, Pietje, zal ik ook jouw vader zijn?’ Dat is altijd mijn grootste begeerte geweest: ergens bij te mogen horen. Asielgedrag. Hou van mij. Neem me op in jullie midden. Ik weet niet of ik om die reden acteur ben geworden – het is gewoon zo gelopen. Ik heb het ook nooit over mijn carrière, werken is gewoon een vorm van leven. Ik had net zo goed matroos kunnen zijn. Vroeger had ik daar andere gedachten over. Het jongetje van toen zal niet helemaal tevreden zijn over de man die ik nu ben. Dat ventje wilde dokter worden. Hij wilde heel maken. Dat wou hij zo graag: alles wat stuk was, heel maken.”

Deel dit artikel