Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Pensioen is een dwarslaesie

Home

Cisca Dresselhuys

Het pensioen was het ergste dat hem in zijn leven is overkomen. En het mooiste was, daarna, het telefoontje van De Telegraaf, of hij een column voor die krant wilde schrijven. Publicist-medicus prof.dr. Bob Smalhout (1927) over zijn leven als boze pensionado en het geluk dat werken voor hem betekent. „Ik ben geen consument, maar een producent.” Tweede aflevering in een serie over werken en stoppen met werken.

Hij weet het zeker: pensioen debiliseert. Hij zegt het zelfs nog harder, want hij is nooit bang voor een stevige kwalificatie: pensioen werkt dementie in de hand, echt waar.

Nou, nou, professor.

„Ik heb er de bewijzen voor. Het gedrag van mijn ex-collega’s. Voorbeeldje: de telefoon gaat terwijl ik hard aan het werk ben, hoor ik opeens een stem. ’Hallo Bob, raad eens met wie?’ Nou, zeg het maar, zeg ik, nogal kortaf, want ik ben dus druk bezig. ’Nee, raad nou eens met wie?’ ’Meneer, ik heb geen tijd voor raadseltjes, zeg nu maar wie u bent en wat u wilt.’ ’Maar beste Bob, herken je mijn stem niet meer?’ Dat blijkt dan een collega te zijn, die ik gekend heb als iemand die uiterst snel en adequaat beslissingen nam, zijn zaken goed regelde en die is nu zo’n kwijlende ouwehoer geworden. Vreselijk: ik ben zo druk, heb altijd gebrek aan tijd, en dan opeens zo’n type aan de telefoon. Allemaal het gevolg van gedwongen nietsdoen. En dan zeggen ze tegen mij: maar jij bent toch ook met pensioen, jij hebt toch ook alle tijd van de wereld? Nee, lieve oud-collega’s, dat heb ik niet, want ik werk. Werken is voor mij geen straf, maar een groot geluk. Misschien verschil ik daarin wel van veel mensen, die werken als een sociale straf zien waaraan zo snel mogelijk een eind moet komen via het pensioen, waarna ze eindelijk gaan genieten. Zeg maar: het Zwitserlevengevoel. Ik haat dat begrip. Al die plaatjes van oneindige, zonnige stranden en mensen met een golfclub in de hand. Kom zeg, de mens is toch niet geschapen om twintig jaar een lullig balletje in een lullig gaatje te slaan? En afgezien daarvan: ik ben een producent, geen consument.”

Het is duidelijk, u bent geen liefhebber van het pensioen.

„Inderdaad, ik haat het. Vooral vanwege het dwingende karakter ervan. Een mens wordt 65, de dag vóór z’n verjaardag is hij nog tot alles in staat en een gewaardeerd lid van de maatschappij, een dag later kan hij niets meer, moet hij gedwongen gaan nietsdoen. Genieten, noemen ze dat. Het is net zo raar als wanneer je vrouwen allemaal zou verplichten op dezelfde leeftijd een kind te krijgen. Zo mevrouwtje, u bent al 28 jaar en nog geen kind? Dat is niet best, gauw aan de slag maar.”

Stel: u was minister Donner en zou iets moeten regelen op het gebied van pensionering, wat zou u doen?

„Ten eerste zou ik zwart op wit neerschrijven dat het verrichten van zinvolle arbeid een primair recht van de mens is dat je hem niet mag ontnemen. Dat er wel een bepaalde leeftijd moet zijn waarop mensen zich van die arbeid mogen terugtrekken, zeg 65 jaar, wil ik dan ook nog wel opschrijven. Let wel: dat is de leeftijd tot waarop mensen sowieso moeten doorwerken, afgezien van ziekte of invaliditeit. Mensen die het werk om bepaalde lichamelijke of geestelijke redenen niet meer aankunnen, moeten zich dan kunnen terugtrekken en zeker zijn van een basispensioen. Maar je moet van dat pensioen geen dwangmaatregel maken. Het moet net zo zijn als met het stemrecht: je mag gaan stemmen, als je wilt, maar op de verkiezingsdag komt niemand je huis binnen met een pistool en zegt: handen omhoog en nu gaan stemmen, anders schiet ik u neer. Dan wordt het terreur. En dat hebben we: een pensioenterreur.”

Mag iedereen dan net zolang doorwerken als hij of zij wil?

„Ja.”

Maar als mensen nou te lang doorgaan, omdat ze niet zien of willen zien dat ze geestelijk of lichamelijk achteruit gaan en eigenlijk niet meer voldoen?

„Dat is geen probleem wanneer je mensen periodiek keurt of ze nog competent zijn om hun vak uit te oefenen, waarbij je de een vaker keurt dan de ander, afhankelijk van hun werk. Piloten moeten nu al tweemaal per jaar gekeurd worden, hoe goed ze ook zijn. Ze hebben namelijk een zeer verantwoordelijk beroep. Chirurgen en andere artsen zouden ook vaak gekeurd moeten worden. Voor een bouwvakker maakt het niet zoveel verschil of hij 100 of 150 stenen per uur metselt, daar komt geen ramp uit voort, maar een dokter die niet meer goed bij de tijd is, kan wel een ramp aanrichten.”

Er is de zaak van de Amsterdamse huisarts Nico van Hasselt, die op z’n 84ste nog steeds werkt.

„Ja, mooie man, schandelijke zaak; ik heb er pas nog een stuk over geschreven voor De Telegraaf. Hij werkt nog steeds, maar al jaren kregen zijn patiënten hun kosten niet meer vergoed, want hij mocht van de verzekering geen praktijk meer uitoefenen. Vanaf z’n 65ste heeft hij moeten vechten en pas onlangs heeft hij die zaak gewonnen: zijn patiënten krijgen hun consulten en door hem voorgeschreven medicijnen weer vergoed. Nu probeert hij de achterstallige tonnen ook nog terug te krijgen, want hij heeft jarenlang aan hem verknochte patiënten gratis behandeld.”

Hoe ging dat met uw eigen pensioen, vijftien jaar geleden?

„Ik ben op 13 oktober jarig en ruim voor die tijd kwamen er opeens collega’s met ernstige gezichten naar mij toe, die zeiden dat ze iets met me moesten bespreken: mijn afscheid. Ze keken alsof ze moesten meedelen dat ze m’n laboratoriumwaarden hadden binnengekregen en dat ik nog vier maanden te leven had. Op die toon ging het, omdat ze wisten hoe vreselijk ik het vond te moeten stoppen. Een catastrofe, alsof de bodem uit mijn bestaan viel. Maar goed, ik werd dus 65 in 1992 en dat was einde-verhaal. ’Ik wil helemaal niks’, zei ik, ’Ik werk tot aan mijn laatste dag, 31 oktober, en dan ben ik weg.’ Heb ik ook gedaan: mijn laatste dienst was zelfs een nachtdienst. Ik wilde geen feest, geen receptie, geen diner, gewoon: foetsie. ’Nee, dat kan niet’, zeiden ze, daarvoor was ik te bekend. Dus werden de Pandahallen in Loosdrecht gehuurd, een immens grote ruimte waar normaliter landbouwbeurzen worden gehouden. Er kwamen 2500 mensen. Mijn vrouw Mieki, celliste, heeft daar nog mooi gespeeld met een aantal collega’s, ik gaf een uitgebreid college van een uur met dia’s over de stand van zaken in de ziekenhuiswereld. Daarna de receptie, waarbij ik steeds maar dacht: ik wou dat ik dood was. En het diner dat me halverwege in de strot bleef steken van ellende.”

En toen was u werkloos burger.

„Ik had de volgende dag een enorme kater en niet van de drank, want ik had geen druppel gedronken. Ik dacht: dit is het dus, vanaf dit moment ben ik uitgeschakeld, ik doe niet meer mee met de maatschappij, ik ben sociaal gezien een levende mummie, al mijn ervaring is in de vuilnisbak gegooid, wat moet ik in godsnaam doen. Ik was echt wanhopig. Pensioen voelt voor mij als een dwarslaesie: de patiënt is lichamelijk verlamd en zit in een rolstoel, terwijl z’n geest nog gezond en alert is. Ik had geen nevenactiviteiten, ik zat niet in commissies of zo, want ten eerste heb ik een bloedhekel aan commissies – dat is alleen maar ouwehoeren achter een tafel en ik ben iemand die iets wil doen, iets wil produceren, iets wil doen met m’n handen en m’n hoofd. Ten tweede was ik al blij als ik genoeg slaap kreeg, zo druk had ik het met mijn werk in het ziekenhuis. Toen het zwarte gat me toe grijnsde, wist ik niet hoe ik moest reageren. Er waren dagen dat ik ’s ochtends in de auto stapte en de hele dag doelloos door Nederland reed om de buitenwereld het idee te geven dat ik werk had. Ik haalde een broodje bij een benzinestation, ging ergens op een parkeerplaats op een bankje zitten en reed aan het eind van de middag terug naar huis. Ik hield een soort schijnbestaan op. Vreselijk.”

Hoe lang en waarom?

„Ik stam uit de jaren twintig en dertig, de tijd van recessie en grote werkloosheid. Ik herinner me de gefluisterde gesprekken van mijn ouders over wie nu weer zijn baan verloren had en hoe erg dat was. Werkloosheid was een sociale schande, zo voelde dat vroeger en zo voelde ik het nu weer. Werklozen leefden toen van de steun en kregen een gratis fietsbelastingplaatje met een gat erin, waaraan je kon zien dat ze werkloos waren. Die sombere periode na mijn pensioen heeft gelukkig niet al te lang geduurd, omdat een lief televisieproducenten-echtpaar, Pia van der Molen en Michiel Praal, met wie ik samen een film had gemaakt en die mij zo doelloos zagen ronddwalen, mij een kamer in hun kantoor aanboden. ’U krijgt hier een eigen bureau, met een fax en een telefoon en u gaat hier een mooi boek schrijven’, zeiden die schatten. En dat heb ik gedaan, dat werd ’Operatie Ziekenhuis’, een voorlichtingsboek voor mensen die naar een ziekenhuis moeten. Dat kantoor is inmiddels al lang opgeheven, maar ik heb nog altijd de sleutels van dat huis, als een soort troost. Helemaal heerlijk was de vraag van De Telegraaf of ik een column wilde schrijven. Dat was in 1994. Sindsdien schrijf ik elke zaterdag een column, fantastisch werk. Ik zeg wel eens: de dag van mijn pensioen was de ergste dag van mijn leven, de dag waarop De Telegraaf belde, de mooiste.”

Het gaat niet zo goed bij De Telegraaf, er moeten 425 mensen uit. Stel dat u daarbij bent.

„Dat zou vreselijk zijn, net zo erg als indertijd mijn pensioen. Weer een klap.”

Maar u zorgt wel voor rumoer over en reacties op uw columns.

„Ja, onlangs weer, toen ik het had over de betutteling die wij te verduren krijgen van de staat. Nergens mag meer gerookt worden, we mogen geen frikadellen meer eten, geen grote auto’s rijden en niet meer te vaak met het vliegtuig; op zich allemaal geen onverstandige dingen, maar je wordt er toch gek van dat je dat allemaal verboden wordt door de overheid. Honderden reacties kreeg ik op die column. Dat levert veel werk op, net zoals al die vragen op medisch gebied die ik krijg. Daarom heb ik nog altijd twee dagen per week een secretaresse, die ik zelf betaal. Verder werk ik één dag per week voor een bekend letselschadekantoor, ik geef lezingen – zo’n veertig per jaar – en ik preek, zo’n tien keer per jaar.”

Preken, doet u dat ook nog?

„Ja, mooi, hè? Ik ben sinds mijn jeugd hevig geïnteresseerd in de Bijbel. Vanaf mijn negende, toen ik met een hersenschudding op bed lag en alleen maar plaatjes mocht kijken. Dat deed ik in oude bijbels waarvan mijn vader, die tekenaar was, de schutbladen gebruikte om er zijn etsen op te printen. Van lieverlee leerde ik ook de gotische letters die er naast stonden, te lezen. Later ging ik naar de kerk om te horen wat daar verteld werd en in het ziekenhuis had ik vele en lange gesprekken met de geestelijk verzorgers die daar werkten. Jaren geleden heb ik een groot verhaal voor De Telegraaf geschreven met als titel ’De verschrikkelijke vrijdag’, waarin ik het had over de dood van Jezus. Ik denk namelijk dat Jezus niet aan het kruis is overleden, een mens gaat niet dood aan spijkers in z’n handen en voeten, hoe vreselijk ook. Dat weet iedere dokter. Hij moet uiteindelijk aan verstikking overleden zijn. Dat artikel is later uitgegroeid tot het boek ’Bijbelse Tijdgenoten’, een studie over allerlei bijbelse gegevens en mensen. Dat leidde weer tot lezingen en het verzoek in te vallen voor een zieke dominee. En zo sta ik nu overal in het land op de preekstoel. In mijn mooie hoogleraarstoga, die ik natuurlijk bewaard had. Wat mijn eigen geloof betreft: ja, ik geloof in God, waarbij ik geen voorstelling heb van een man met een baard die zich persoonlijk met mijn leven bemoeit. Het hiernamaals, waarop ik wél hoop, zie ik niet als een eeuwigdurende EO-uitzending met eindeloos zingende engelenkoren en Andries Knevel de hele dag aan het woord. Mijn geloof bestaat voornamelijk uit hoop. Iets anders hebben we niet.”

Uw leven wordt op het ogenblik voor een belangrijk deel in beslag genomen door de ziekte van uw vrouw.

„Mijn Mieki lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Een hel, voor haar en voor mij. Zij beseft nog dat ze achteruitgaat en is daar vaak heel boos of depressief over. Ik ben mijn maatje kwijt en dat is een van de ergste dingen: geen echt gesprek meer met haar te kunnen voeren. Ze vergt enorm veel zorg en aandacht. Gelukkig komt de thuiszorg tweemaal per dag, die helpt haar uit en in haar bed en wassen haar. Verder doe ik de verzorging zelf, zo lang als ik het kan. Daardoor heb ik al mijn hobby’s eraan gegeven: motorrijden, vliegen, schieten, zelfs de honden laat ik vaak niet meer zelf uit, dat doet de buurvrouw dan. Ik heb nergens meer tijd voor. Af en toe trek ik nog wat baantjes in ons zwembad, maar dat is het dan ook. Als je me vraagt: gaat het? dan zeg ik: dat vraag je ook niet aan een drenkeling die probeert het hoofd boven water te houden. Die gaat door tot het bittere einde. Of het lukt hem en hij overleeft, of hij verdrinkt. Zo is het ook met mij: ik doe het zolang ik kan. Dat heb ik gezworen.”

Is al dat harde werken geen vlucht voor sombere gedachten en gevoelens?

„Nee hoor, ik ben echt niet voortdurend op de vlucht voor dood en ziekte. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan de dood denk. Elke avond, heel laat, wanneer Mieki eindelijk slaapt, lees ik in de Bijbel en denk aan het einde. Mijn einde. Voor de dood ben ik niet bang, wél voor dementie. Ik zie dagelijks vlak naast me hoe dat is. Wat me ook bij de strot grijpt, is de gedachte dat ik eerder dood ga dan Mieki, waardoor zij toch nog in een verpleegthuis zou moeten worden opgenomen. Als dat mijzelf zou overkomen, zou ik ervoor kiezen afscheid te nemen zoals Hugo Claus, op een zelfgekozen moment, voordat de allerergste aftakeling toeslaat. Op het ogenblik ben ik nog helder van geest en goed van lichamelijke gezondheid, ik heb een nieuwe hartklep en vorig jaar overleefde ik ternauwernood een maagbloeding, maar dat is allemaal achter de rug en het lijf doet het weer, met behulp van de nodige pillen. Natuurlijk, ik ben geen achttien meer, de marathon van New York is niet meer voor mij weggelegd. Maar zolang ik kan, zal ik werken, dat ben ik mezelf en mijn familie verplicht. In de oorlog ben ik vrijwel mijn hele joodse familie kwijtgeraakt. Als overlever voel ik de drang te presteren, ook voor en namens hen. Ik heb veel talenten gekregen, die zal ik tot het einde toe gebruiken. Een kostbaar muziekinstrument hang je ook niet aan de muur, daar speel je op. Zolang het kan. Het is mijn diepste wens om in het harnas te sterven. Met een pen in mijn hand.”

Lees verder na de advertentie
Bob Smalhout: ¿Het verrichten van arbeid is een primair recht van de mens dat je hem niet mag ontnemen, ook niet na zijn 65ste.¿ (FOTO MARCO HOFSTÿ) © Marco Hofste
(\N)

Deel dit artikel