Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Paul Wilking ('Pistolen Paul')

Home

door Arjan Visser

Paul Wilking (Amsterdam, 1924) is wapenexpert, ex-smokkelaar en filmfigurant. Zijn loopbaan aan de zelfkant leverde hem de geuzentitel 'Ongekroonde Koning van de Onderwereld' op. Hij is vooral geliefd onder dierenvrienden die in hem een wraaklustige beschermheer hebben gevonden. Enige tijd geleden wilde misdaadverslaggever Peter R. de Vries Wilkings schimmige handel in vervalste schilderijen van wijlen Herman Brood aan de kaak stellen. 'Pistolen Paul' is daar nog altijd boos om.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Genesis, Exodus, Leviticus... ja, 't is al zestig jaar geleden, maar ik weet nog aardig wat. Mijn moeder wilde graag dat ik naar de kerk ging. Dat deed ik ook wel: de ene deur in en de andere deur weer uit. 'Ben je naar de kerk geweest Paul?' 'Ja hoor moeder'. Ze kwam uit een rijke, katholieke familie, maar ik ben zelf nooit zo gelovig geweest. Ik heb geen zin om mensen pijn te doen -dus ik zal niet zeggen dat God niet bestaat- maar ik kan mij niet voorstellen dat er boven iemand op mij zit te wachten.''

,,Dat hele geloof is volgens mij één grote oplichterij. Het heeft niks met goed of fout te maken. In de oorlog hadden we een paus die de wapens van Hitler zegende. En heb je gehoord wat die kardinalen in Amerika allemaal met kleine kinderen hebben uitgespookt? Al die rottigheid man, ik word er beroerd van. Vergis je niet: ik heb de oorlog meegemaakt. Weet je wat die moffen deden? Ze gooiden kinderen in de lucht en schoten ze neer. Ze knalden mensen voor je ogen overhoop. Nee... met dieren ben ik wel begaan, maar mensen... de meesten deugen niet.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Kijk, de gang hangt vol en op de wc kun je ook nog een paar mooie foto's bekijken. Vanessa, Willeke van Ammelrooy, Hennie Huisman, Rudi Carrell, Gerard Joling - ik ken al de grote sterren. Hier sta ik met Willy Alberti. Was een grote vriend van me. Desi Bouterse is hier kind aan huis geweest. Moet je deze zien: zigeunerkoning Koko Petalo, die heb ik ook goed gekend. En hier zie je mij met Papandreou, die later de president van Griekenland werd. Ik ben een tijdje zijn lijfwacht geweest en heb nog kleine wapens voor hem gesmokkeld. Voor de democratie hè, niet voor de poen. Wat hebben we nog meer... Frits van de Wereld, Moszkowicz -de oude én de jonge- en Hans Teengs Gerritsen natuurlijk, de grote verzetsheld. Chique vent. Moedige man. Wat die kerel niet heeft meegemaakt in de oorlog... Ik heb voor niemand zoveel waardering gehad als voor hem. Hij ging veel met prins Bernhard om.''

,,Allemaal grote namen. Maar ik zeg altijd: ze moeten allemaal een keer naar de wc. Waarom zou ik tegen iemand opkijken? O ja, er zijn zeker mensen die mij verafgoden. Moet je maar eens een dagje met me op stap gaan. 'Dag meneer Wilking!', 'Mag ik een handtekening meneer Wilking?' Het zijn vooral vrouwen van een jaar of zestig. 'O meneer Wilking, wat is het geweldig dat u zo goed voor dieren bent!' 'U verdient een stoel in de hemel meneer Wilking!' Ik heb ook veel aanhang onder taxichauffeurs en bij de bereden politie. Er staan er altijd twee bij het Waterlooplein. Als ze mij zien aankomen, salueren ze. Dat is toch mooi? Die jongens weten mij te waarderen. Daarom ben ik ook zo boos op die Peter de Vries. Heb je dat programma gezien? Hij zou mij wel eens even ontmaskeren als de man die vervalsingen van Herman Brood verkocht. Stuurt-ie zo'n jongetje op mij af, met een camera in zijn tassie. Wat een held. Maar het ergste van alles was: hij noemde mij een oud wijf. Een oud wijf! Zal ik je de onderscheiding van de Britse koningin laten zien? Of die van prins Bernhard? Ik ben geen oud wijf! God-zal-me-liefhebben, wat heeft die gozer mij dáár kwaad mee gekregen. Je mag het gerust weten: ik heb hem eens even na laten gaan, die meneer De Vries met z'n hazenlip. Hij komt eerdaags aan de beurt, dat kan ik je verzekeren. Ik heb een pacemaker, dus ik zal zelf niet meer op de vuist gaan, maar mijn lijfwachten zullen hem op een dag te grazen nemen. Nee, ze zijn niet echt bij mij in dienst. Ze doen af en toe een klussie voor me. Ik heb er nou de poen niet meer voor, maar vroeger gaf ik nog wel eens een beloning aan degene die een dierenbeul voor mij kon opsporen. Die werd dan door mijn negers afgerost. Wat ik daarmee wilde bereiken? Dat de mensen te bang zouden worden om nog een keer zoiets te flikken. Maar ja, het heeft niet veel geholpen. Sla de krant maar eens open. Er is geen respect meer in dit land.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Mijn vrouw ging op vakantie naar de Bahama's. Zit ik mijn pistool schoon te maken, gaat de telefoon én de deurbel. Ik laad per ongeluk door, de trekker blijft hangen en knal: ik schiet zo mijn pink in elkaar. Alles onder het bloed, geen teken van leven meer in die pink. En dan zou ik niet mogen vloeken?''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Vroeger was het hier elke dag bal. Tonio Hildebrand en Rijk de Gooyer kwamen altijd 's nachts kaviaar bij me vreten. Belden ze mij uit m'n nest. 'Paultje!' Helemaal lazarus. Ik had een groot aquarium met twaalf piranha's - die had een piloot voor mij meegenomen uit het Amazone-gebied. Ik zie nog hoe Rijk z'n poot in mijn aquarium steekt en in z'n fikken wordt gebeten. Wat heeft die kerel staan schreeuwen! Ja, mooie tijd. Ik had een levendige handel, iedereen kwam langs. Peter Muller van de Candy. Ken je die? Aardige vent. En Barbara Plugge, van de Privé, is hier ook heel vaak geweest. Ligt midden in een echtscheiding, die Barbara, wist je dat? Heeft heel wat artikelen over mij geschreven. Ze zegt altijd: Paul, je bent de liefste man op Gods aardbodem. Als je haar spreekt, mag je het haar vragen. Spreek je haar wel eens? Nee. Ook goed, kerel.''

,,De meeste sterren zien mij nu niet meer staan. Alleen Bassie de clown is mij nog trouw gebleven. Voor de rest zie ik hier geen hond. Maar misschien komt het ook door die rot-meters in de straat. Je betaalt al gauw een paar tientjes. Daar hebben de mensen geen zin in. Dus blijft het stil. Vooral op zondag. Als eindelijk de telefoon overgaat, is het weer zo'n zeikwijf over haar weggevlogen parkiet of een poes die is aan komen lopen. 'O, meneer Wilking, wat moet ik doen?' Of ze bellen mij om te zeggen dat ze een kerel hebben die slaat. 'O, meneer Wilking, wat raadt u me aan?' Weet ik veel. Leg hem een bijl in zijn nek! Ja, jij lacht nou, maar ik vind er niet zoveel meer aan. Ik slaap slecht. Ik ben somber. Ik zit hier een beetje te verkommeren.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Ik was vier, of vijf, toen mijn vader doodging. Ik kan mij niets van die man herinneren. Of ja, toch... ik zie ineens voor me hoe hij zijn laarsjes dicht haakte. Dat is alles. Ik was wel eens jaloers op jongens die nog wel een vader hadden, maar mijn moeder was een goede vrouw die mij tot op het bot heeft verwend. Ik droeg dure kleren, had een Raleigh fiets en kreeg een gulden zakgeld per week.''

,,Mijn moeder had een restaurant op het Leidseplein. Een heel diner voor zestig centen. Ik zat er vaak achter de kassa. Ik hield niet zo van school. Ik hield meer van knokken: onze bende tegen de Indische jongens uit de Van Eeghenstraat. Mijn moeder vond het vooral 'niet netjes'. Dat zei ze ook over de illegaliteit waarin ik tijdens de Tweede Wereldoorlog terechtkwam. Niet netjes.''

,,Ik kom uit een aristocratische familie hoor. Mijn vader was hoofdingenieur bij Hoogovens. Je vindt mij eerder een man van het volk? Dat zou ik toch niet zeggen. Een hoop wijven vinden mij een charmante man. En een goeierd hè? Daar tippelen ze toch op, vergis jij je niet. Ik woon ook al jaren op stand, hier in de Van Breestraat. Prins Bernhard junior is mijn buurman. Een eindje verderop woont Ed van Thijn, da's een beetje een zeikerd. Keurige buurt, maar erg sociaal zijn al die nette mensen niet. Moet je ze eens horen als ik de duiven te eten geef. Ik gooi elke ochtend een kilo duivenvoer uit het raam. Soms flikker ik een heel brood naar beneden. Duiven brengen mazzel, wist je dat niet? Ik ben wat dat betreft wel heel bijgelovig. Daarom geef ik ook boeddhabeeldjes weg: voor de mazzel. Wacht, ik pak er één voor je. Echte jade. Niet zeuren, aanpakken. Geef maar aan je vrouw. Je moet ze verwennen, die wijven.''

,,Ja, ik heb mijn moeder ook veel gegeven. Ze was mijn alles. Ze is 82 geworden. Sprak zes talen en is tóch dement geworden, begrijp jij dat nou? Als ik haar opzocht in het verpleeghuis zei ze: 'Dag meneer! Hoe is het met u?' 'Goed hoor moeder'. Dan keek ze mij aan alsof ik gek was. Het was heel verdrietig om haar zo te zien af te takelen. Ik zal het je eerlijk zeggen: kinds te worden lijkt me het ergste wat er is.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Ik zie hem nog de Berlagebrug overkomen, op weg naar het stadhuis. Een Duitse generaal, met zo'n harde kop. Hij reed in een open wagen. Een Mercedes. Indringers, dacht ik. Maar dat ik uiteindelijk bij de illegaliteit terechtkwam, had niks met grote idealen te maken. Ben je nou toch gek. Het was gewoon jeugdige overmoed. Stoerigheid. Ik zou het nu nooit meer durven. Eerst werd ik een soort inlichtingenman, later kwam ik bij de verzetsgroep Melchior. Prakken, die later hoofdcommissaris van de Zaandamse politie zou worden, zat ook in onze club. We overvielen distributiekantoren. Prakken schoot wel eens iemand dood. Ik niet. Ik dekte de aftocht. Hier vlakbij, op het plein, heeft Prakken nog een verrader geliquideerd. In zijn val schoot die schoft mij nog in mijn enkel. Ik heb me naar dokter Huf gesleept die mij, onder bedreiging, heeft verbonden. Als ik was flauwgevallen had hij me zeker bij de Sicherheitsdienst aangegeven.''

,,Drie maanden voor de bevrijding heeft ons dienstmeisje, die voosde met een of andere stakker van de Kriegsmarine, mij verlinkt. Ze kwamen mij met zes man halen. Ik had mijn badjas nog aan. Ze waren heel beleefd hoor, daar niet van. Ze doorzochten de hele boel, maar konden niets vinden. Toen ik mee moest, vroeg mijn moeder aan zo'n mof of ze mijn ring mocht houden. Daar staat het familiewapen van Wilkings in - ik zal hem je zo even laten zien. Ik heb het nooit tegen haar gezegd, maar het deed me toch pijn. Dat ze alleen maar aan die ring dacht... In ordnung, hoorde ik die mof zeggen. Het is me altijd bijgebleven.''

,,Ik werd naar de Weteringschans gebracht. We zaten met drie mannen in één cel. Voor elk wissewasje haalden ze mensen uit de cel om te worden doodgeschoten. Elke keer als ik iemand op de gang hoorde, dacht ik: nu is het mijn beurt. Ik kan nu wel de flinke jongen bij je uit gaan hangen, maar ik was doodsbang. Op een dag werden we door de Canadezen bevrijd. Feest? Als je kinderen met opgeblazen buiken van het hongeroedeem op de straat ziet liggen, denk je niet aan feesten. Overal uitgehongerde mensen. Er was niks te drinken, niks te vreten. Ik woog zelf nog maar amper vijftig kilo. Ik moest drie keer binnenkomen, voor je me in de gaten had. Kort na de bevrijding heb ik vreselijke angstdromen gehad. Iedere nacht werd ik gillend wakker. Dacht ik dat ze mij kwamen halen. Daarna is het heel lang goed gegaan, maar sinds een paar jaar zijn de nachtmerries terug. Dan zit ik weer in die cel, met een peertje dat dag en nacht brandde. Geschreeuw. Gegil. Het is verschrikkelijk. En ik kom er nu nooit meer van af.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Mijn eerste vrouw was Miss Holland. Die is dood. Mijn tweede vrouw leeft nog. Vroeger leek ze op Sophia Loren, maar als je haar nou ziet... ik vind het net Ukkie Oetang. Met Rietje, mijn derde vrouw, ben ik nu 36 jaar getrouwd. Ze wordt al 71, maar deze hou ik. Schat van een mens. Geweldige huisvrouw ook.''

,,De laatste jaren doe ik het wat rustiger aan, maar ik ben mijn vrouwen vaak ontrouw geweest. Daar heb ik heel wat ruzie over gehad. Ik had altijd wijven om mij heen. Ze zijn dol op me. Ik verdiende veel geld, nam ze mee naar nachtclubs, ging met ze uit eten. Als je rijk bent, kun je je veel meer permitteren. En ik ben een Ram hè? Dat zijn slechte mensen. Hitler was ook een Ram. Ik ben op dezelfde dag geboren. Hingen ze de vlag voor hem uit. Op mijn verjaardag. De klootzak. Wat zei ik? O ja, een Ram. Ik zag eens een boer zijn schapen uitladen. Er liep ook een ram tussen. Ik vroeg die man: 'Wat pakt zo'n beest nou op een dag?' Zegt die boer: 'Een stuk of tien meneer'. Dat kwam mij wel bekend voor.''

8. Gij zult niet stelen

,,Gestolen? Geen cent! Ik heb wel veel gesmokkeld. Wapens, kaviaar, drank, zonnebrillen en klokkies. Mooi spul, maar die hele handel ligt op z'n reet. Ik heb veel verdiend, maar ik kan het niet vasthouden. Ik geef alles weg. De jongens die hier het vullis ophalen, roep ik regelmatig boven. Krijgen ze een fles champagne van me. Of een potje kaviaar. Als hier een paar stratenmakers bezig zijn, ga ik een kratje cola voor ze halen. En de mensen van de dierenambulance natuurlijk. Die rijd ik regelmatig even klem. Krijgen ze wat moois van me.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Ik zweer het je: ik heb niet gelogen over die schilderijtjes van Herman Brood. Om te beginnen heb ik ze niet vervalst - ik kan niet eens schilderen. Eerst kocht ik ze van Brood zelf, later kwam er nog zo'n verslaafde bij me aan de deur. Die kon die dingen precies namaken en laten we eerlijk zijn: zo ingewikkeld was dat niet. Brood was geen Mesdag. Op een gegeven moment wist ik zelf ook niet meer wat hier allemaal binnenkwam. En dan nog: als iemand een vals schilderijtje bij me koopt, wil dat toch niet zeggen dat ík de boel heb bedonderd?''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik ben wel eens jaloers geweest op Wim Ruska, de wereldkampioen. Een adonis. Hij gooide die opgeblazen Japanners van driehonderd kilo zó in de lucht. Maar als je hem nu ziet... hij kan nog geen deuk in een pakje boter slaan. Zelfs niet met warm weer. Hij kan zich niets meer van zijn leven herinneren. Is toch ook verschrikkelijk? Ik heb mazzel gehad. Altijd te bikken, de mooiste meiden, de mooiste auto's. Ik wilde nachtclubeigenaar worden -zo'n type dat ik in gangsterfilms zag rondlopen- en het is gelukt. Ik wou gehoord en gezien worden. Ik heb alles meegemaakt wat er mee te maken valt. Ik koos voor de louche kant van het leven. Een ander leven was mij niet spannend genoeg. Daarom had ik piranha's in plaats van goudvissen. En gevechtshonden in plaats van poedels. Maar er was veel show bij hoor. Ik zal het je eerlijk zeggen: ik heb nooit echt deel van die onderwereld uitgemaakt. Ja, een grote man met een heel klein hartje, dat heb je mooi gezegd kerel. Had ik je al een klokkie gegeven?''

Deel dit artikel