Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Palestijnse leiders hebben nooit een eigen staat gewild (Gerectificeerd)

home

door Hans Jansen

Jimmy Carter, voormaligpresident van de Verenigde Staten, publiceerde eind 2006 een opzienbarend boek over het conflict in het Midden-Oosten. Volgens theoloog Hans Jansen (niet te verwarren met de gelijknamige arabist) verzwijgt en verdraait de oud-politicus cruciale historische feiten, waardoor hij de schuld van de huidige ellende exclusief kan neerleggen bij Israël. Geheel ten onrechte.

Als een vooraanstaand politicus een boek publiceert waarover hij pertinent weigert in discussie te treden, dan kunnen we er rustig vanuit gaan dat het niet te verdedigen valt. Als zo’n politicus het boek naar eigen zeggen juist schreef om het publieke debat te stimuleren, is hij bovendien hypocriet.

Welnu, dit is het geval met Jimmy Carter, oud-president van de Verenigde Staten, die een grote rol speelde bij de totstandkoming van het vredesakkoord tussen Egypte en Israël in 1978.

Carter publiceerde onlangs het opzienbarende boek ’Palestine: Peace not Apartheid’. Al in de titel suggereert hij dat Israël in feite een apartheidsstaat is. Verder stelt hij onder veel meer dat de misdaden van de Israëliërs tegen de Palestijnen erger zijn dan die van de aanhangers van het Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem.

Deze stelling is pertinent onjuist. Het fundamentele kwaad van de Zuid-Afrikaanse apartheid bestond hierin dat een kleine minderheid blanken absolute macht uitoefende over een zeer grote meerderheid zwarten. Israël is daarentegen een zeer vitale, seculiere democratie, waar de meerderheid het voor het zeggen heeft. Arabieren (ruim een miljoen) zijn vertegenwoordigd in de gemeenteraden, de Knesset, het Hooggerechtshof. Velen leveren, zoals dat hoort in een democratie, stevige kritiek op de politiek van de regering.

De realiteit in het Midden-Oosten is dat niet Israël, maar de Arabische staten in feite een apartheidspolitiek praktiseren. In Jordanië kan geen Jood volwaardig burger worden of land bezitten. Hetzelfde geldt voor Saoedi-Arabië, dat aparte wegen voor moslims en niet-moslims heeft aangelegd. In de Palestijnse gebieden dreigt de radicale islamisering door de regering-Hamas uit te lopen op een islamitische hegemonie over niet-moslims. En uit de Arabische landen zijn sinds 1948 ongeveer 900.000 Joden verdreven, zodat daar nauwelijks nog Joden wonen.

Zo wemelt Carters boek van de feitelijke onjuistheden en valse voorstellingen. Hier zal ik me concentreren op zijn centrale aanklacht: dat de Palestijnen herhaaldelijk de zogenaamde deling van Palestina in een Joodse en Palestijnse staat hebben ondersteund, maar dat de Israëliërs hiervan altijd grote tegenstanders zijn geweest – en nóg zijn.

Opvallend genoeg rept Carter met geen woord over het feit dat de Palestijnen al in 1937 een eigen, onafhankelijke staat konden stichten. (Zoals dat ook in de media zelden ter sprake komt.) Verder besteedt hij nauwelijks aandacht aan het besluit van de Verenigde Naties in 1947 om Palestina in een Joodse en Palestijnse staat op te delen. En geeft hij Israël de schuld van het mislukken van de vredesbesprekingen tussen Yasser Arafat en Ehud Barak in Camp David, in de zomer van 2000, toen de Palestijnen voor de derde keer de kans kregen een onafhankelijke staat op te richten.

Carter negeert het historische feit dat de Joden vanaf het prille begin de deling van Palestina hebben geaccepteerd, terwijl de Palestijnen die telkens opnieuw verwierpen. En dat de Palestijnse en Arabische leiders niet alleen de stichting van een Joodse en Palestijnse staat wilden verhinderen, maar ook de Joden van Palestina uit hun historische thuisland wilden verbannen en heel Palestina Judenfrei wilden maken.

In 1937 stelde de commissie-Peel in een uitvoerig en zeer gedegen rapport voor om Palestina op te delen in twee onafhankelijke staten: een kleine Joodse die in totaal tweeduizend vierkante mijl zou beslaan en een grote Palestijnse in de rest van het land.

De onafhankelijke Joodse staat zou moeten komen in het gebied waar de meeste Joodse nederzettingen waren, inclusief de vruchtbare kuststreek en het grootste deel van het Noorden. De rest van Palestina moest dan met Transjordanië worden samengevoegd in een onafhankelijke Palestijnse staat.

Verder was het de bedoeling dat de Britten een nieuw mandaat kregen over Jeruzalem en Bethlehem, en dat ook Haifa, Safed, Nazareth, Akko en Tiberias en nog enkele steden in het zuiden (langs de golf van Akkaba) als kleine enclaves onder Brits bestuur kwamen. De commissie deed een aanbeveling voor een bevolkingsuitwisseling om de homogeniteit van beide staten te bevorderen: 225.000 Arabieren zouden overgaan van het Joodse naar het Arabische gebied, terwijl 1250 Joden de omgekeerde weg zouden afleggen.

Al was het beschikbaar gestelde grondgebied te beperkt om er een Joodse staat te stichten, toch besloten Ben-Goerion en de zijnen uiteindelijk het verdelingsplan aan te nemen. Met tegenzin. Maar Ben-Goerion besefte heel goed dat de Joodse immigratie voor de Europese Joden steeds meer een zaak werd van leven of dood. Daarom vond hij dat zelfs een kleine staat beter was dan geen enkele.

De tragiek was dat die paar honderdduizend Joden in Palestina, namens wie Ben-Goerion de beslissing nam, de enigen in de wereld waren die dit begrepen, en dat er niemand naar hen luisterde. Deze Joden in Palestina – weggestopt in een hoekje van het Midden-Oosten, nauwelijks meester over hun eigen lot, geen integraal onderdeel van het Britse imperium – hadden zelfs niet het recht om tegen de vervolgde Joden van Europa te zeggen: „Kom nu maar naar ons toe voor het te laat is.” Als de Joden maar een heel klein staatje hadden gehad, dan waren misschien honderdduizenden Joden – en waarschijnlijk meer – gered van de gaskamers. Maar achteraf gezien is duidelijk dat de Britten zelf nooit de intentie hadden het plan van de commissie-Peel uit te voeren.

Ook zionistisch voorman Chaim Weizmann deelde de opvatting van Ben-Goerion. Hij zei tegen een aantal religieuze leiders dat veel bezwaren had tegen de veel te kleine Joodse staat: „Als God Zijn belofte aan Zijn volk op Zijn tijd houdt, is het onze taak als arme stervelingen, die in een moeilijke tijd leven, zoveel wij kunnen van de overblijfselen van Israël te redden. Wanneer wij dit plan aannemen, dan kunnen wij een groter aantal van hen redden dan indien wij voortgaan met de mandaatpolitiek.”

Terwijl de dreiging van de nazi’s groeide, werd in augustus 1937 te Zürich het twintigste zionistische congres gehouden, onder leiding van Weizmann. Hij zei daar dat een Joodse staat (hoe bescheiden van omvang ook) jaarlijks honderdduizend immigranten kon opnemen, die waarschijnlijk geen enkel land wilde binnenlaten. Een Joodse bevolking van tweeënhalf tot drie miljoen zielen kon de staat in leven houden. Daarom aanvaardde het congres, dat aanvankelijk verdeeld was, toch het opdelingsplan voor Palestina – al zou er nog nader over de voorgestelde grenzen moeten worden gesproken.

De Arabieren en de omringende Arabische staten wezen het plan evenwel onmiddellijk af: zij zouden een Joodse staat, gesticht op islamitisch grondgebied, nooit kunnen aanvaarden. Alleen de stichting van een Palestijnse staat die héél Palestina omvatte was acceptabel.

De onbetwiste leider van de Palestijns-Arabische gemeenschap in de jaren dertig was de groot-moefti van Jeruzalem, Hadji Ami al-Hoesseini, die er diep van overtuigd was dat het Joods Nationaal Tehuis in Palestina vernietigd moest worden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij de nazi’s, hij bracht de oorlogsjaren door in Berlijn. De afwijzing door de Arabieren werd niet gemotiveerd door wat goed was voor hen, maar door wat slecht was voor de zionisten. Alleen Amir Abdullah en aanhangers van de Nashashibi-partij in Palestina waren bereid het verdelingsplan deels te accepteren.

In 1947 besloot de Britse regering de problematiek in Palestina over te dragen aan de Verenigde Naties. Zij stelden de United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP) in. De commissie bestond uit afgevaardigden uit elf landen. Zij moest vóór 1 september 1947 met een rapport komen.

In Palestina spraken de commissieleden in de zomer van 1947 met talrijke Joodse en Arabische groeperingen, maar ze werden geboycot door het Arabische Hoge Comité, onder beschermheerschap van voornoemde virulente Jodenhater Amin al-Husseini.

De UNSCOP hoorde ook vertegenwoordigers van minderheidsstandpunten, die opteerden voor een Joods-Arabische staat, voor „de opbouw van Palestina als het gemeenschappelijke vaderland van het Joodse volk dat er terugkeert en het Arabische volk dat er woont”.

De commissie kwam tot de volgende aanbeveling: de deling van Palestina in een onafhankelijke Joodse en Arabische staat, met elkaar verbonden door een economische unie, waarbij Jeruzalem onder internationaal toezicht zou komen te staan. Op 29 september 1947 keurde de Algemene Vergadering van de VN deze aanbeveling goed, met 33 stemmen voor, dertien tegen en tien onthoudingen. Zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie steunden de resolutie. De Joodse staat zou met 500.000 joden en 400.000 Arabieren 55 procent van Palestina beslaan en de Arabische staat met 700.000 Arabieren en een paar duizend Joden 45 procent. Jeruzalem zou 200.000 inwoners tellen, deels Joods en deels Arabisch.

De Jewish Agency aanvaardde de beslissing van de Verenigde Naties, maar de Arabische regeringen en de Palestijns-Arabische leiders verwierpen haar, op dezelfde gronden als in 1937. De Palestijnen wezen, net als de Arabische staten – met uitzondering van Jordanië – de deling van Palestina voor de tweede keer af. Het Arabische Hoge Comité, wees de VN-resolutie onvoorwaardelijk af, net als het merendeel van de publieke opinie.

De Palestijns-Arabische leiders waren van mening dat de Joden geen natuurlijke, historische of juridische gronden konden laten gelden op de stichting van een eigen staat in een land dat in de achtste eeuw door de islam was veroverd.

Toch legde het VN-besluit van 29 november 1947 het juridische en politieke beginsel vast voor elke toekomstige oplossing voor Palestina: twee volkeren, twee staten.

Eind augustus 1947, aan de vooravond van bovengenoemde algemene vergadering van de VN, kwam het Conseil Général Sioniste te Zürich bijeen; de leiders maakten zich grote zorgen over de toekomst van hun beweging. Ben-Goerion confronteerde zijn medewerkers met de acute dreiging van een oorlog in Palestina.

In zijn toespraak noemde Ben-Goerion de Arabieren de reïncarnatie van de nazi’s. „Als de Arabieren ons aanvallen, doen ze dat niet om te plunderen, om terroristische aanslagen te plegen of om een einde te maken aan de kolonialisering van de zionisten, maar om het Joodse volk radicaal uit te roeien.”

Vanaf de onafhankelijkheidsoorlog (1947-1949) was de politiek van de Arabische leiders in het Midden-Oosten expliciet gericht op de vernietiging van de staat Israël. Die oorlog werd begonnen door de Arabieren die de VN-resolutie weigerden te aanvaarden. Op 14 mei 1948 verklaarde Azzam Pasha, secretaris-generaal van de Arabische Liga, in Caïro: „Dit zal een oorlog van uitroeiing en een massale vernietiging zijn, waarover gesproken zal worden als over de Mongoolse slachtingen en de kruistochten.” Zesduizend Israëliërs werden in deze oorlog gedood.

Ruim vijftig jaar later stond de situatie er bepaald niet gunstiger voor. Maar in juli 2000 waren er vredesbesprekingen in Camp David tussen Yasser Arafat en Ehud Barak, waarbij de toenmalige president Bill Clinton optrad als bemiddelaar. Later zou zonneklaar blijken dat Arafat helemaal niet tot een akkoord met Barak wilde komen. Daarover zijn degenen die destijds de besprekingen hebben meegemaakt het bijna unaniem eens.

Rob Malley, een van de adviseurs van Clinton, schrijft dat Arafat totaal niet geïnteresseerd was in de stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat. De concessies die Barak deed, gingen niet ver genoeg. Toen puntje bij paaltje kwam, waren de Palestijnen bereid Israëls bestaan te accepteren, maar niet de morele rechtmatigheid ervan. Dat druiste in tegen Arafats diepste overtuiging en die van zijn adviseurs. Een dergelijke ondertekening zou hij niet overleven. Dit is waar het uiteindelijk om draait en wat voor de Palestijnen dé reden is om vast te blijven houden aan het recht van alle vluchtelingen op terugkeer naar huizen die in 1948 waren achtergelaten (hetgeen de vernietiging van de staat Israël zou impliceren).

Iedereen die het verslag van Rob Malley heeft gelezen zal zich realiseren dat de Palestijnen in 2000, net als in 1937 en 1947, willens en wetens een historische kans hebben gemist. Zulke historische mogelijkheden doen zich niet vaak voor. En net zoals de groot-moefti van Jeruzalem in 1937 en 1947 zijn volk leidde naar wat de Palestijnen de nakba (’catastrofe’) noemen, zo heeft Yasser Arafat in 2000 het Palestijnse volk niet alleen geleid naar de tweede intifada, maar waarschijnlijk ook naar hun tweede nakba.

Niet alleen president Clinton en president Bush hebben duidelijk uitgesproken dat alléén Yasser Arafat schuldig is aan het mislukken van de Camp David-besprekingen, ook enkele andere ingewijden deden dat. Zelfs prins Bandar van Saoedi-Arabië noemde Arafats afwijzing van Baraks aanbod „een misdaad tegen de Palestijnen, ja tegen de hele regio”. Dennis Ross, de belangrijkste Amerikaanse onderhandelaar destijds, zei dat Arafat niet van plan was welk vredesvoorstel dan ook te accepteren, omdat „het einde van het Israëlisch-Palestijnse conflict ook zijn eigen einde zou betekenen”.

Het beste bewijs daarvoor is dat Arafat tijdens de Camp David-besprekingen geen enkel tegenvoorstel deed om tot vrede te komen. Hij gaf bevel een nieuwe intifada voor te bereiden. Tijdens de besprekingen beweerde hij bij hoog en laag dat hij helemaal niets wist van een scheepslading met Iraanse wapens voor de Palestijnen, ook al had de kapitein van het schip onder ede verklaard dat Arafat zélf hem de opdracht had gegeven om Iraanse wapens te gaan halen.

In een opzienbarend interview in The New Yorker (24 maart 2003) sprak prins Bandar van Saoedi-Arabië tegen Elsa Walsh over zijn rol tijdens de besprekingen van Camp David. Bandars onthullingen – waarover de media in alle toonaarden hebben gezwegen – leveren het beste bewijs dat Arafat in Camp David niets anders deed dan de terreurkaart uitspelen zodat hij de wereldopinie kon manipuleren.

Prins Bandar, sinds twintig jaar diplomaat in Washington, had na de mislukking van de onderhandelingen de opdracht gekregen om te bemiddelen tussen de regering van Clinton en Arafat. Zoals iedereen die aan Camp David deelnam, was ook prins Bandar verrast door het opzienbarende aanbod van de Israëlische premier Ehud Barak: de Palestijnse staat zou 97 procent van de bezette gebieden beslaan, plus de oude stad Jeruzalem (behalve de Joodse en Armeense wijk). En de Palestijnen zouden dertig miljard dollar ontvangen als schadeloosstelling voor de vluchtelingen.

Na de onderhandelingen vroeg Arafat via kroonprins Abdullah of prins Bandar hem hieromtrent wilde adviseren. Bandar stemde met het voorstel van Arafat in, maar hij liet de kroonprins weten: „Ik denk niet dat ik daar veel kan doen, als Arafat niet wil begrijpen dat Ehud Barak werkelijk een uniek voorstel heeft gedaan.”

Op 2 januari 2001 vond op het militaire vliegveld Andrew in de Verenigde Staten de ontmoeting plaats tussen Yasser Arafat en prins Bandar. Bandar nam het hele plan van Ehud Barak punt voor punt door en vroeg hem of hij zelf een nog beter aanbod zou kunnen bedenken. Dat kon Arafat niet. Bandar vroeg hem ook of hij misschien liever met Ariël Sjaron dan met Barak wilde onderhandelen. Waarop Arafat antwoordde dat hij de voorkeur gaf aan de duif Barak. Vervolgens liet Bandar Arafat weten: „Sinds 1948 zeggen wij telkens als ons een voorstel wordt gedaan weer nee. Als het voorstel niet meer aan de orde is, zeggen we ja. En dan wordt ons minder geboden. Wordt het geen tijd eindelijk eens ja te zeggen?”

Bandar stelde Arafat voor de keus: „U kunt de deal aannemen of Israël de oorlog verklaren. Als u het aanbod van Barak aanneemt, kunt u rekenen op de hulp van alle Arabische landen. Als u het voorstel uiteindelijk van tafel veegt, denkt u dan dat er één Arabisch land is dat u in de strijd tegen Israël te hulp komt?” Ten slotte zei prins Bandar tegen Yasser Arafat: „Als wij deze unieke kans voorbij laten gaan, dan is er geen sprake van een tragedie maar van een misdaad.” Ook nu stelde Arafat geen veranderingen voor, laat staan dat hij kwam met een eigen aanbod. Omdat hij wilde overleven, pakte hij zijn koffers en vloog naar huis.

Waarom reviseert oud-president Jimmy Carter in zijn nieuwe boek uiterst cruciale gebeurtenissen uit de geschiedenis van het Israëlisch-Palestijnse conflict? En waarom lezen we bij hem precies hetzelfde als we al meer dan een halve eeuw bijna dagelijks kunnen lezen in boeken, referaten, artikelen en columns van Arabische wetenschappers en journalisten?

Zelf werd ik door het boek voortdurend herinnerd aan de wijze woorden van Socrates: „Onwetendheid is het enige kwaad in de wereld.”

Opmerkelijk genoeg beweert Carter dat hij beslist een objectief waarnemer van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten is. Dat is nog maar de vraag. Enkele jaren geleden accepteerde de oud-president een prijs van sjeik Zayed bin Sultan al-Nahyan, waaraan een grote som geld was verbonden. In 2001 noemde Carter deze sjeik uit de Verenigde Arabische Emiraten ’mijn persoonlijke vriend’. Dezelfde Nahyan schonk in 2004 aan de Harvard Divinity University 2,5 miljoen dollar. Dit bedrag werd door de rector onmiddellijk geretourneerd, omdat Nahyan een virulente Jodenhater is; jaren geleden stichtte hij het Nahyan Centrum, waarvan de medewerkers tot op de huidige dag rondbazuinen dat het niet de nazi’s waren die tijdens de Holocaust in Europa zes miljoen Joden vermoordden, maar de zionisten. Bovendien organiseren zij talrijke cursussen over bijvoorbeeld de authenticiteit van de legende ’De protocollen van de wijzen van Sion’.

Het wekt, al met al, geen verbazing dat Carters boek in de Arabische media met groot enthousiasme is ontvangen. En binnenkort in een Arabische vertaling zal liggen in elke boekhandel van het Midden-Oosten.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.