Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Over koning moeten we dóórdenken

Home

Hans-Martien ten Napel

Zelfs als je het eens bent met de bezwaren tegen het koningschap, erfelijkheid en onschendbaarheid, is het nog niet nodig direct voor een republiek te zijn. Het kan heel democratisch zijn een ondemocratisch element als het koningschap te handhaven.

De twee klassieke republikeinse bezwaren tegen de monarchie zijn het erfelijke karakter en de onschendbaarheid. Het zijn deze bezwaren die ten grondslag liggen aan het artikel 'Op weg naar de republiek' (Podium, 22 november) van oud-hoogleraar rechtswetenschap Ulli Jessurun d'Oliveira.

D'Oliveira kondigt in het stuk de bundel 'Monarchie en republiek' aan. Doel van de bundel is 'eens in alle rust de vragen onder ogen te zien waarvoor een overgang naar een republiek ons land zou plaatsen'.

De bundel bevat hoofdstukken over diverse soorten republikeinse stelsels en over de grondwettelijke aspecten van een overgang van monarchie naar republiek. Wat ontbreekt, en waardoor de titel van de bundel onvoldoende recht wordt gedaan, is een beschouwing waarin de huidige vorm van onze constitutionele monarchie als serieuze optie wordt besproken.

De Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Bovend'Eert geeft daartoe weliswaar een aanzet, maar concludeert dat het feit dat de Koning deel uitmaakt van de regering een zwakke schakel vormt in de Nederlandse parlementaire democratie. Het is wel duidelijk uit de Podiumbijdrage van d'Oliveira, dat hij deze mening deelt.

Dat vanuit staatsrechtelijk oogpunt ook zeer wel tot een andere beoordeling kan worden gekomen, bewijst een bijdrage van A.M. Donner van precies twintig jaar geleden. In deze bijdrage bespreekt Donner de twee eerder gememoreerde republikeinse kernbezwaren tegen de monarchie. Zijn conclusie luidt, dat een erfelijk en onschendbaar koningschap voor de democratische theorie weliswaar 'een moeilijk te verteren verschijnsel' vormt. Maar, zo vervolgt hij, ,,ook deze doctrine is maar een vereenvoudiging van de werkelijkheid en het koningsambt is slechts een van de vele sprekende voorbeelden, dat 'there are more things in heaven and earth than are dreamt of in your philosophy'. Wie goed om zich heen ziet en werkelijk dóórdenkt, ontdekt al spoedig dat het hele staat- en overheidverschijnsel minder verklaarbaar en 'begrijpelijk' is dan men zich wel wijsmaakt.''

Het is tekenend voor het dogmatisme van de huidige generatie staatsrechtsgeleerden, dat in de bundel alleen de historicus Roobol enigszins in de buurt komt van deze stelling, wanneer hij oppert dat het onder omstandigheden rationeel en democratisch kan zijn een irrationeel en ondemocratisch element als de monarchie in een staatsbestel te handhaven.

Een wat inhoudelijker verdediging van de monarchie geeft, zij het a contrario geredeneerd, de elders door d'Oliveira als 'behoudzuchtig' afgedane Rotterdamse staatsrechtsgeleerde Zoethout. Het oordeel van Zoethout is in zoverre interessant, dat zij haar dissertatie heeft gewijd aan constitutionalisme, dat wil zeggen het idee dat alle overheidsmacht -ook indien democratisch gelegitimeerd- moet worden beperkt door het recht.

Derhalve heeft Zoethout zich diepgaand bezonnen op de grondslagen van rechtsstaat en democratie. Niettemin komt zij in haar bijdrage tot de conclusie dat het de vraag is of Nederland niet slechter af zou zijn met een presidentieel systeem dan met de huidige constitutionele monarchie, nog afgezien van de vraag of een dergelijk 'gekozen koningschap' zich eigenlijk wel verdraagt met de Nederlandse volksaard.

Hopelijk dat vandaag, op het door d'Oliveira genoemde congres aan de Universiteit van Amsterdam over de modernisering van het koningschap, iemand nog iets nuttigs zegt over de wijze waarop de Nederlandse monarchie zich zou kunnen aanpassen aan ontwikkelingen als de toenemende maatschappelijke veelvormigheid en de Europese integratie, thema's die in de beschouwing van de minister-president en het advies van de Raad van State over het koningschap weliswaar aangestipt worden, maar niet echt uitgewerkt. Het is deze vorm van modernisering van het koningschap waaraan, het pragmatisme en rationalisme van politici en staatsrechtsgeleerden ten spijt, werkelijk behoefte bestaat.

Wilt u de reacties op dit artikel lezen? Registreer u hier voor een proefperiode van twee maanden.

Het plaatsen van reacties is voorbehouden aan de betalende abonnees van Trouw. Kijk hier voor een overzicht van onze abonnementen.

Het bekijken en plaatsen van reacties is voorbehouden aan onze betalende abonnees. Kijk hier voor een overzicht van onze abonnementen.

Als betalend abonnee kunt u een reactie plaatsen op dit artikel. Deze is alleen zichtbaar voor andere (proef)abonnees.

Om uw reactie te kunnen plaatsen, hebben we uw naam nodig. Ga naar Mijn profiel


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie