Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ouders kunnen best met geslachtskeuze omgaan

Home

Medard Hilhorst

Artsen voldoen aan allerlei wensen van patiënten, ook als ze niet strikt medisch noodzakelijk zijn. Het is daarom weinig consequent de keuze voor een jongen of een meisje als 'onethisch' te beschouwen.

Onlangs stonden er in Trouw prachtige foto's van grote gezinnen. Ze gaven een nostalgische aanblik. Zulke gezinnen zie je bijna niet meer; kiezen mensen daar niet meer voor of, zo lijkt het, kunnen gezinnen met veel kinderen in ons soort samenleving er nauwelijks meer zijn?

In haar bijdrage van 9 oktober mengt mr. Melissa van Melle zich in de discussie over de vraag of de keuze van een jongen of meisje aan ouders kan worden overgelaten. Ik begrijp dat zij dat niet wenselijk vindt. Maar zijn de redenen die zij aanvoert sterk genoeg voor een verbod?

Van Melle wijst erop dat burgers steeds meer bij artsen komen met eisen die weinig meer met geneeskunde te maken hebben. Het is het argument: 'Arts, hou je zoals een schoenmaker bij je leest.' Een arts handelt overwegend op basis van medische redenen. Dit criterium 'medisch' blijkt echter in de praktijk ruim te worden opgevat, zo weet ook Van Melle.

Ouders met een kinderwens worden in ivf-klinieken geholpen, ook al is er niet direkt een medische reden aan te wijzen, homo-stellen evenzeer. En waarom spreken we van 'medisch' als ouders via diagnostiek willen voorkomen dat een kind met een handicap geboren wordt? Voorts zijn abortus en euthanasie op het bordje van de arts komen te liggen, ook al zijn er niet zozeer medische alswel hoogstpersoonlijke of sociale redenen voor.

Wat we ziekte en geneeskunst noemen is aan verschuiving onderhevig en daarmee verschuift evenzeer de rol van de arts. 'De' arts bestaat trouwens allang niet meer. De oude discipline is opgedoekt en kent nog slechts een veelheid aan uiteenlopende specialismen die niet veel met elkaar te maken hebben: chirurgen, neurologen, huisartsen, genetici, sportartsen, psychiaters, internisten, voortplantingsdeskundigen, keuringsartsen, verpleeghuisartsen, plastisch chirurgen. Voor sommige moet men in een aparte kliniek zijn.

De schoenmaker is uitgegroeid tot 'hakkenbar-service terwijl-u-wacht', schoenenverkoopster voor grote maten en therapeutische steunzolen of adviseur voor de bergwandelsport en zweetvoeten. Dus waarom ook geen geslachtskeuzekliniek met ervaren geslachtskeuze-artsen?

Wie zegt dat dit geen taak voor artsen is (of mag zijn), lijkt een nogal arbitraire lijn te trekken. Trouwens, ook als men zou vinden dat het geen zaak voor artsen is, is over de aanvaardbaarheid van de techniek van geslachtsselectie nog niets gezegd.

Voor bijvoorbeeld een zwangerschapstest heb je geen arts nodig, je kunt voor een diagnose-kit bij drogist, apotheker of postbesteller terecht. Of voor een piercing-waar-dan-ook, vetafzuiging of een face-lift bij gespecialiseerde deskundigen. Je kunt van een luxewens spreken, die mensen zelf maar moeten bekostigen, maar daarmee ben je nog niet bij een verbod.

De jurist Van Melle wijst op het volgens haar terechte verbod op geslachtsselectie op niet-medische gronden dat in Nederland bij wet geldt en ook in een Europees verdrag is vastgelegd. Dit is een gezagsargument dat niet overtuigt.

Wellicht leidt voortschrijdend inzicht tot opheffing van het verbod. Lange tijd ging men er bijvoorbeeld vanuit dat bij adoptie en bij (sperma)-donatie de absolute anonimiteit van de donor essentieel was voor de stabiliteit van de familierelaties. Tegenwoordig wordt juist de mogelijkheid om de eigen biologische afkomst te achterhalen als cruciaal gezien en heeft men de wet erop aangepast.

Zo dynamisch als geneeskunde en politiek zijn, zo dynamisch zijn ook ethische redenen. Zou er een beslissend bezwaar zijn aan te voeren tegen ouders die een geslachtskeuze wensen en hulpverleners die hen daarbij een handje willen helpen?

Voortplanting dient niet een (al te) instrumenteel karakter te krijgen, zegt Van Melle, en daarmee gooit zij het over een andere boeg.

Dit argument is echter, als het niet nader wordt uitgewerkt, te weinig specifiek om er in ethisch opzicht houvast bij te vinden. Het is bovendien 'gradueel' en relatief, niet absoluut. Ik begrijp: ouders moeten uitkijken dat zij het belang van het kind niet ondergeschikt maken aan hun eigen wensen en techniek moet niet te dominant worden in ons leven.

Maar in deze vorm is het niet veel meer dan een behartigenswaardige waarschuwing die voor alle techniek, al het plannen en bewust kiezen, opgaat: ook voor een gezinsplanning via de pil van het moment en het aantal kinderen dat men wil krijgen.

De complexe invloed van nieuwe technieken op leven en samenleven (waar vind je nog grote gezinnen, hebben we de vrijheid er niet meer toe?) wordt met het argument van instrumentaliteit niet verder geholpen. Geslachtsselectie op medische gronden (om een ernstige handicap te voorkomen) is even instrumenteel als die op niet-medische gronden.

Op welk moment gaan we te technisch denken over het scheppen van leven en te instrumenteel over het krijgen van (gezonde) kinderen? Van Melle formuleert in termen van een hellend-vlak-argument: het gaat stapje voor stapje verder, er komt nooit een moment waarop je tegen kunt zijn en tenslotte blijkt er een heel andere omgang met het begin van het leven te zijn. De suggestie: het wordt van kwaad tot erger, verbiedt het daarom nu het nog kan.

De betovering van dit argument verdwijnt echter al snel als men inziet dat technieken niet per se tegenover natuur en leven behoeven te staan. De kunst is om zaken die wij wenselijk en waardevol achten met technieken te ondersteunen.

Het valt in de Nederlandse context moeilijk in te zien dat geslachtsselectie in zichzelf verwerpelijk is, wanneer het motief zoiets onschuldigs als 'familie-balancing' is: na twee dochters nog graag een zoon wensen; zo goed als mensen die na twee kinderen oordelen dat het gezin 'af' is geen veroordeling uitspreken over grote gezinnen.

Door techniek gaat ons leven er inderdaad anders uitzien, hoe anders is moeilijk te voorspellen, maar is er reden om aan te nemen dat ouders er niet verantwoord mee kunnen omgaan en dat we als samenleving niet aldoende in staat zijn te leren?

Ik zie het als taak van de overheid om zorgvuldige voorwaarden te scheppen voor veiligheid, hygiëne, niet-commercialiteit e.d. waaronder nieuwe technieken hun plaats in de samenleving kunnen vinden. Wanneer sprake is van evident misbruik of schade voor betrokkenen is overheidsingrijpen te rechtvaardigen als bescherming van de zwaksten.

Op grond van het bovenstaande zie ik echter geen goede redenen voor een algeheel overheidsverbod op geslachtskeuze en de hulpverlening daarbij. Ik beschouw het als een misplaatste motie van wantrouwen ten opzichte van burgers. Voortschrijdend ethisch inzicht is gebaat bij een voortgaande discussie over normen en waarden.

Je kunt je inderdaad met recht afvragen of we -ik eerlijk gezegd niet- op zo'n techniek zitten te wachten, waarover mensen eeuwenlang hebben gefantaseerd. Een overheid die het debat daarover stimuleert is mij lief. Een overheid die op het intieme terrein van gezinsplanning haar burgers dingen verbiedt die zij wensen, en daarbij haar eigen normen en waarden of die van een meerderheid voorop stelt, wantrouw ik. Welk moreel recht heeft zij daartoe?

Deel dit artikel