Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Organisatiepsycholoog: IQ-tests benadelen allochtonen bij sollicitaties niet

Home

ANNEMARIE HOMMMES

AMSTERDAM - Menigeen streek hij de afgelopen dagen tegen de haren in, de Amsterdamse arbeids- en organisatiepsycholoog J. te Nijenhuis. Aanleiding voor de opwinding is de conclusie in zijn proefschrift dat allochtone sollicitanten van de eerste generatie een lager gemiddeld niveau van cognitieve capaciteiten hebben dan de autochtone sollicitanten.

Daaronder wordt onder meer verstaan het leggen van de juiste verbanden. Dat werd te gemakkelijk vertaald naar: Te Nijenhuis concludeert dat allochtonen dommer zijn dan autochtonen. “Dom”, zegt hij, “dat staat nergens.”

Te Nijenhuis promoveerde begin december aan de Vrije Universiteit van Amsterdam op de waarde van psychologische tests voor allochtonen. “In 1992 begon ik met een onderzoek naar de bruikbaarheid van die tests voor het selecteren van uitvoerend personeel voor de NS. Al snel werd duidelijk dat de meeste allochtone sollicitanten gemiddeld vrij laag scoorden. Ik verwachtte net als mijn collega's dat het aan de tests lag en dacht met een nieuwe testopzet de benadeling van allochtonen te laten verdwijnen. Maar in het tweede jaar ontdekte ik dat deze hypotheses niet klopten. Ik moest concluderen dat het wel goed zit met de voorspellende waarde van de intelligentietests.”

“Mijn sterkste bewijs dat tests allochtonen niet benadelen, ontdekte ik toen ik de testresultaten van sollicitanten bij een vrachtwagenbedrijf bekeek. De mensen die hoog scoorden op de IQ-test, allochtoon of autochtoon, scoorden gemiddeld ook hoog in de opleiding tot vrachtwagenchauffeur. En een autochtoon die een zes scoorde op de test, scoorde in het werk ook een zes, en dat gold eveneens voor een allochtoon.”

Ondergewaardeerd

Zijn stelling wordt ook gestaafd bij onderzoek naar kinderen, die op basis van hun scores op de Cito-toets en op intelligentietests van groep acht, overstapten naar het vervolgonderwijs. “Het bleek dat autochtone leerlingen bij een bepaalde score naar de Mavo gingen, terwijl allochtonen met dezelfde score naar de Havo overstapten. Daar zat de gedachte achter dat allochtone scholieren ondergewaardeerd uit de tests naar voren komen. Ten onrechte, want de Havo bleek voor hen inderdaad vaak te hoog gegrepen.”

“Hoewel er duidelijke verschillen in gemiddelde testscores waren tussen allochtonen en autochtonen, betekent dit niet dat alle allochtonen het minder goed deden. Sommige allochtonen hebben een goede testscore en leveren goed werk. Mijn onderzoek maakt duidelijk dat een sollicitant niet als lid van de groep allochtonen of autochtonen moet worden gezien, maar juist als een individu met eigen kwaliteiten.”

Collega-psycholoog Van Leest promoveerde op een soortgelijk proefschrift als Te Nijenhuis. Hij onderzocht de praktische waarde van persoonlijkheidsvragenlijsten bij de selectie van allochtonen voor de Amsterdamse gemeentepolitie. De politie wilde meer allochtonen binnen het korps, maar ze bleken niet goed door de intelligentietest te komen. Vijftig procent van de allochtonen kreeg problemen tijdens de opleiding, tegen slechts tien procent van de autochtonen.

Van Leest: “Het is duidelijk dat allochtonen gemiddeld lager scoren op IQ-tests bij sollicitaties dan autochtonen. Alleen denk ik, anders dan Te Nijenhuis, dat de tests niet deugen. Ik ben van mening dat allochtonen gemiddeld slechter scoren omdat cognitieve capaciteiten cultuurgebonden zijn.”

Als voorbeeld noemt hij assertiviteit. “In Europa bestaat daarvan een bepaald ideaalbeeld: voor jezelf opkomen terwijl je de belangen van een ander niet onnodig schaadt. Amerikanen hebben een veel agressiever beeld en bij oosterse mensen is juist het voorkómen van gezichtsverlies het belangrijkste.”

“Daar moet je rekening mee houden, het is een kwestie van je psychologenverstand gebruiken. Weeg af hoe lang iemand al hier is en of hij bekend kan zijn met de Nederlandse normen. Kijk naar de sociaal culturele situatie waarin je zelf staat en bepaal dan de sollicitatiekoers.”

Te Nijenhuis is het ten dele met Van Leest eens. “Misschien is het nog nodig hier en daar te nuanceren, omdat de opvang van allochtonen niet optimaal is. Maar ik vond nauwelijks storende factoren. Een lager gemiddeld niveau van taalkennis benadeelt ze bijvoorbeeld wel, maar slechts in lichte mate.”

“Dit betekent niet dat ik het oneens ben met de bewering, dat wat westerse intelligentietests meten voornamelijk neerkomt op de intellectuele en cognitieve vermogens, waarmee je succesvol bent in de Europese samenleving. Dat zijn waarschijnlijk andere vermogens dan waarmee je overleeft op het platteland van China. Ik zou inderdaad een test voor Turken kunnen maken geënt op Turkije, maar ik test voor 'westerse' intelligentie. De spoorwegen hebben bepaald aan wat voor eisen de werknemers moeten voldoen. Ik ben het dan ook niet eens met de gedachte: we willen ze hebben, laten we ze extra trainen, zodat ze de tests wel halen. We moeten de lagere geschiktheid voor functies als feit nemen. Ik zou liever de lat wat lager leggen bij indiensttreding, maar niet wat betreft de eisen voor de kwaliteit van het werk.”

Van Leest denkt dat allochtonen gemiddeld ook lager scoren, omdat ze in hun land van herkomst andere dingen hebben geleerd. Misschien zijn ze daar wel meer klaargestoomd voor tests die voornamelijk bestaan uit multiple-choicevragen. Houd dan maar eens uit elkaar of het gaat om cognitieve capaciteiten.

“Blijft overeind, wat Te Nijenhuis óók zegt, dat ze wel moeten werken in een westerse samenleving. Maar waar hij zegt: 'leg de stok wat lager', zou ik willen dat de kijk op de beroepspraktijk verandert. Natuurlijk moet je kijken naar wat de opdrachtgever wil, maar als je meer allochtonen aan het werk wilt hebben, moet je water bij de wijn doen en je eisen veranderen.”

Van Leest trekt op sommige punten andere conclusies dan Te Nijenhuis, maar hij begrijpt de commotie niet die is ontstaan. “Dat er wordt gesuggereerd dat hij soortgelijke conclusies heeft getrokken als in het omstreden boek 'The Bell Curve', waarin staat dat zwarte Amerikanen een lager gemiddelde intelligentie hebben dan blanke Amerikanen, is stemmingmakerij. Hij beweert nergens dat het gemiddeld slechter maken van de tests te maken heeft met een aangeboren groepsverschil. Daar komt bij dat intelligentie alleen te meten is als de mensen die je test dezelfde achtergronden hebben en dezelfde kansen hebben gehad. Anders test je alleen hoe goed of hoe slecht iemand is in een bepaalde test.”

Deel dit artikel