Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Op zoek naar Fort Boekoe

Home

REPORTAGE | PIETER VAN MAELE | PARAMARIBO

Meer dan twee eeuwen geleden voerden slaven die de Surinaamse plantages waren ontvlucht vanuit 'Fort Boekoe' fel verzet tegen het Nederlandse bewind. De koloniale machthebbers veegden het fort in 1772 van de kaart, avonturier John Pel probeert het nu terug te vinden.

Met twee uitgeholde boomstammen varen we zo'n negentig kilometer ten oosten van Paramaribo de Boekoekreek op, een kleine zijtak van de vervaarlijk meanderende Cottica, de diepste rivier van Suriname. In vogelvlucht zijn we een zucht verwijderd van de Atlantische Oceaan, dus van jungle is hier geen sprake, maar dat maakt dit moerasland er niet minder onherbergzaam op. Er zijn twee bootsmannen nodig om het smalle vaartuig te besturen: achterop iemand die de roeiriem hanteert, voorop een navigator die de korjaal door de krappe vaargeul loodst en met een hakmes de woekerende oeverbegroeiing weghakt. De wilde kapbewegingen doen groepjes papegaaien verschrikt opvliegen, waarna ze minutenlang boven onze hoofden blijven cirkelen. Waar het echt te ondiep is, stapt de navigator uit om de boot over de vele zandbanken, grasstengels en boomstronken te slepen.

De reis vordert zo maar langzaam. Na urenlang behoedzaam peddelen hebben we slechts tien kilometer afgelegd. Tot het landschap plotsklaps verandert. De dichtbegroeide kreek wordt in een oogwenk een gigantische zwamp, compleet met zandbanken, schelpritsen, mauritiuspalmen en vaak metershoog gras.

"Hier in deze buurt, bij de bron van de kreek, moet ooit Fort Boekoe hebben gestaan", glundert expeditieleider John Pel (51). Het mythische fort houdt hem al sinds het begin van de jaren negentig bezig. "Ik werkte in 1993 een jaar lang in Suriname. Toen hoorde ik voor het eerst over het fort en de oorlogen die eromheen gevochten zijn. De Binnenlandse Oorlog (de gewapende strijd tussen het Junglecommando van Ronnie Brunswijk en het leger van Desi Bouterse, red.) was toen net voorbij. De gelijkenis tussen het verzet van de bewoners van het binnenland aan het einde van de achttiende eeuw en hun verzet aan het einde van de twintigste eeuw prikkelde me. Bovendien vond ik het fascinerend hoe het kon dat in Paramaribo zo weinig hierover bekend was. Dat niemand wist waar het ooit was geweest, dat verbaasde me nog het meest."

Het bestaan van Fort Boekoe had namelijk een grote impact op de kolonie in de West. In november 1712 voerde de Franse zeevaarder Jacques Cassard, met in zijn kielzog drieduizend soldaten verdeeld over 38 schepen, een meedogenloze aanval uit op Paramaribo. Enkele honderden slaven maakten van de verwarring gebruik om het bos in te vluchten. Eerder weggelopen slaven - ook wel marrons geheten - hadden reeds nederzettingen gesticht rond de meest vruchtbare gebieden in het oosten van het land, waardoor de nieuwelingen noodgedwongen het noordoostelijke moerasland invluchtten.

De marrons stichtten er onder meer het dorp Mi Sa Lassi, dat later de naam Fort Boekoe - tot stof vergaan - zou krijgen. "Met die naam wilden de weggelopen slaven aangeven dat ze nog liever tot stof zouden vergaan, dan zich aan de blanken over te geven", legt Pel uit.

Het was geen ideale leefomgeving, maar veel keus was er niet: de onbegaanbare ondergrond bood bescherming tegen de oprukkende strafexpedities van het koloniale bewind. Op weglopen van de plantages stond de doodstraf door onthoofding. Tegelijk organiseerden de vrijgevochten slaven vanuit Fort Boekoe tegenexpedities. Niet alleen uit pure overlevingsdrang, maar ook gedreven door wraak, vielen ze onder leiding van de legendarische slavenleider Boni andere plantages in het gebied aan, waarbij ze succesvol kolonisten doodden en voedsel, wapens en gereedschap buitmaakten.

Om het voortbestaan van de groep te garanderen werden ook vrouwelijke slaven mee het bos ingenomen. Fort Boekoe kon zo uitgroeien tot een 'echt' fort, compleet met een vijf meter hoge vestingwal met schietgaten en kleine kanonnen, middenin een verraderlijk moeras en omgeven door valstrikken. Het werd hét symbool van het marronverzet tegen de blanke kolonisten, hoog aan de hemel woei vol trots een gele vlag met daarop een zwarte leeuw.

Het gebied waar ooit het fort stond, wordt daardoor tot op de dag van vandaag met het grootste ontzag behandeld, vertelt Pel. "Wie de kreek opgaat, moet eerst een plengoffer brengen. Als je aan het varen bent, zijn er verschillende trefus (taboes) waar je je niet aan mag bezondigen. Zo is het verboden peper in het water te morsen of de naam 'Boekoe' uit te spreken. Kaaimannen lastigvallen is helemaal uit den boze: in hen huizen de geesten van de voorouders."

Wie die taboes niet in acht neemt, kan groot onheil verwachten, en dat is in dit gebied geen lachertje. Zo verdwaalde Pel tijdens een eerdere tocht eens een etmaal lang in het moeras, tot hij, door af te gaan op geluiden, het pad terugvond. Eind vorig jaar moest een ander expeditielid met uitdrogingsverschijnselen door een helikopter worden geëvacueerd.

Om dat te vermijden gaan ook wij, voor we ons op de Boekoekreek wagen, voor een plengoffer langs bij basya (hulpkapitein) Boisa. Even voorbij het dorpje Pikin Santi, aan de monding van de Boekoekreek, heeft de Cottica een kleine inham, herkenbaar aan de verschillende traditionele vlaggenmasten, die als rituele plaats wordt gebruikt. Op een houten altaar worden flesjes frisdrank uitgegoten, terwijl Boisa minutenlang verschillende gebeden prevelt. Hij wendt zich tot de geesten van voorouders die in de kreek huizen, vraagt hen toestemming het gebied in te gaan en smeekt een goed verloop van de tocht af. Lege flesjes Heineken zijn de stille getuigen van een eerdere ceremonie. Het plengoffer mag helaas niet baten: een flink uur later slaat een van de twee roeiboten om na een aanvaring met een boomwortel, waardoor opnameapparatuur en een camera reddeloos naar de bodem van de kreek verdwijnen.

De inwoners van Fort Boekoe verging het eind achttiende eeuw nog veel slechter. In 1772 richtte de koloniale overheid het Neeger Vrijcorps op, met in zijn rangen vrijgekochte slaven, de zogenoemde 'zwarte jagers'. Een jaar eerder had een militair commando voor de allereerste maal Fort Boekoe weten te bereiken, maar het was er niet in geslaagd het ook te vernietigen. Een tweede en derde poging mislukten eveneens, maar de vierde keer was het raak. Op 20 september 1772 werd Boekoe bestormd door luitenant Jurriaan François de Friderici en 180 zwarte jagers. De palissade kon de aanval niet afslaan. Negen marrons werden gedood, vijftig werden gevangen genomen. Het fort werd vernietigd. Slavenleider Boni slaagde erin te ontsnappen, maar werd door het koloniale leger de daaropvolgende jaren steeds verder oostwaarts verjaagd, waardoor hij in 1776 vluchtte naar Frans-Guyana. Het moeras aan de Cottica werd verlaten, de vindplaats van Fort Boekoe belandde in de vergetelheid.

Tot Pel, samen met zijn vier broers en zijn vader, allemaal besmet met hetzelfde virus, meer dan twee eeuwen later besloot het fort terug op de kaart te plaatsen. "In 1997 gingen we voor het eerst op expeditie. Een maand lang zijn we onderweg geweest, zonder zelfs maar het eiland waar het fort vermoedelijk stond, te bereiken. Alleen al het vertrouwen winnen van de plaatselijke bewoners vergde heel wat geduld. De allereerste keer duurde het meer dan een week voor we enkele jagers bereid vonden met ons mee te gaan. We hadden geen idee dat het voor hen belast gebied is."

Een tweede expeditie volgde in 2002. Telkens baseerden de avonturiers zich op stokoude verslagen en kaarten, onder meer van de hand van dezelfde De Friderici die in 1772 het fort met de grond gelijk had gemaakt. "Kaarten uit die tijd zijn natuurlijk niet helemaal waarheidsgetrouw. In zijn verslagen staan subjectieve lengtematen als 'een dagmars'. Desondanks zijn markante herkenningspunten nog steeds terug te vinden, zoals bepaalde zandritsen. Zo konden we toch goede reconstructies maken van de militaire marsen van destijds", vervolgt Pel.

Maar ook in 2002 werd de voormalige locatie van het ford niet herontdekt. Pas in 2004, tijdens hun derde expeditie, stuitten de zes onderzoekers op een eiland in het moeras dat verbazingwekkend goed overeenstemde met de beschrijvingen uit de achttiende-eeuwse verslagen. Aan de noordzijde een - weliswaar sterk geërodeerde - aarden wal. Meer naar het oosten voormalige kostgronden, waarop de marrons hun voedsel teelden; en bamboeresten, een vegetatietype dat er van nature niet voorkomt. In het centrum een afgegraven open ruimte, waar mogelijk ooit huizen stonden.

Met een detector zijn een jaar later zelfs metaalresten gevonden, net als glasscherven en aardewerk. Toch is er nog steeds geen absolute zekerheid of de plek waar Fort Boekoe ooit stond nu werkelijk gevonden is, geeft Pel toe. "Op de plek die wij aangeven als de locatie van het fort, daar hebben we helemaal niks gevonden.

"Dankzij onze samenwerking met de Surinaamse 'Stichting voor Wetenschappelijke Informatie' en financiering door de Nederlandse ambassade konden we vorig jaar archeoloog Menno Hoogland van de universiteit van Leiden naar Suriname halen. Uit zijn onderzoek blijkt dat de afgegraven open ruimte evengoed een natuurlijke depressie kan zijn. En die aarden wal, dat zou net zo goed kleiafzetting uit de regentijd kunnen zijn.

"We kunnen dus niet met zekerheid zeggen dat we dé plek hebben gevonden. Het zoeken en je steeds in het onbekende begeven, dat is momenteel de hoofdmoot. Wanneer we het fort vinden, dan hebben we plots niks meer om naar te zoeken. En dat zou ook jammer zijn."

Deel dit artikel