Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ooit evangelisch, nu afgeknapt De ervaringsverhalen zijn schokkend, pijnlijk en schrijnend

Home

Pauline Weseman

Evangelische gemeenten etaleren graag bekeringsverhalen. Maar de afscheidsverhalen van teleurgestelden worden verzwegen. Met het boek ’Ooit Evangelisch’ komt die achterdeur voor het eerst in beeld. Pijnlijke verhalen met een krachtig appèl.

Nog voordat de resultaten bekend waren, kreeg het onderzoek ’Ooit Evangelisch’ al ruim de aandacht. Een tegengeluid tussen de succesverhalen over evangelische gemeenten. Door dat succes was er nauwelijks belangstelling voor kerkverlaters. „De zaal blijft vol, de muziek gaat door en dus wordt kerkverlating zelden serieus genomen”, constateert Otto de Bruijne, theoloog en evangelisch prediker. „Dat is pijnlijk voor degenen die weggaan, maar ook schadelijk voor de evangelische beweging.” De Bruijne zag om zich heen een grote doorstroom in evangelische gemeenten en startte een onderzoek, samen met Trouw-redacteur Karin Timmerman en predikant Peter Pit.

Het resultaat is het boek ’Ooit-evangelisch, de achterdeur van evangelische gemeenten’, dat vandaag wordt gepresenteerd tijdens een symposium op de Christelijke Hogeschool Ede. Hierin zijn enquêtes van 103 ex-evangelischen geanalyseerd die samen 186 gemeenten bezochten. Niet wetenschappelijk representatief, wel een eerste verkenning en voer voor vervolgonderzoek. Alle geënquêteerden zijn langer dan twee jaar lid geweest van evangelische gemeente en daar minstens twee jaar geleden vertrokken. Hun verhalen zijn niet zelden schokkend, pijnlijk en schrijnend. Alsof er een beerput opengaat. Vaak hoorden de onderzoekers: „Hier heb ik op gewacht, ik wil mijn verhaal kwijt. Ik ben gelukkig niet de enige.”

Natuurlijk zijn verhalen van ex-leden vaak eenzijdig en negatief, toch zijn deze ’niet op oppervlakkige waarneming gebaseerd’, schrijft Hijme Stoffels, hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit, in een analyse. Dat de vertrekkers gemiddeld achttien jaar lid zijn geweest, is voor hem veelzeggend. Vaak wordt gedacht dat het in dit postmoderne tijdperk vooral om ’verwende consumenten’ zou gaan, die ’zonder gewetensproblemen van het ene merk op het andere overstappen, omdat dat aantrekkelijker of goedkoper is’, schrijft Stoffels. Maar dit onderzoek laat ruimschoots zien dat het ’beslist geen lichtvaardige zaak’ is. Wel een ’emotionele kosten-batenanalyse’ waarbij de balans doorslaat naar ’de kant van afscheid’.

Uit ’Ooit evangelisch’ blijkt dat vooral de zeer betrokken en actieve gemeenteleden vertrekken. Ze zijn meestal hoogopgeleid en veertigplus. Een tweede vertrekpiek is rond het 23ste jaar, wat aantoont dat ontkerkelijking toch ook toeslaat onder evangelische jongeren. Uit het rapport: „Zij hebben het evangelische jongerenwerk meegemaakt, de beste muziek gehoord, alles meegekregen over ’de waarheid’, maar zijn toch afgehaakt.”

Wat De Bruijne opvalt: de vertrekredenen waren ooit juist het argument om lid te worden. Mensen kwamen af op de geborgenheid, het enthousiasme, de ruimte voor emotie, de losse structuur en de aangeboden geloofszekerheden. Diezelfde sterke kanten worden later ervaren als beklemming, dwang, oppervlakkigheid, onveilige willekeur en gebrek aan openheid. De Bruijne: „Veel ex-leden kwamen met hoge verwachtingen en hadden relatief weinig zelfkritiek. Ze zijn er jaren ingestonken, zogezegd. Bij enkelen zie ik een soort messiassyndroom: God redt het niet zonder mij.”

De meesten haken af door verschillen in geloofsvisie. Ze noemen gebrek aan theologische diepgang, ’overaccentuering van de menselijke keuze voor God’ en ’onbeperkt vertrouwen in de zogenaamde woorden van God’. Er was volgens hen ook geen ruimte voor vragen, twijfel, nuchterheid en toetsing. Kortom: ’geen vrijheid om jezelf te zijn of te denken hoe je dacht’. Ook hoge en verplichtende maatstaven speelden een rol bij vertrek, een constante druk om mee te doen met activiteiten en ervaringen. De eenzijdige muziekkeuze en nadruk op beleving en ervaring in de samenkomsten is een veel genoemde afknapper.

Veel mensen vertrokken mede na een harde confrontatie tussen geloof en realiteit, zoals een zieke die na veel gebed niet geneest, terwijl genezing verwacht werd. „Niet de overwinningstheologie of de leiders die het uitdragen krijgen de schuld, maar de gemeenteleden die al lijden aan de gebrokenheid. Zij krijgen de last van de schuld er nog eens bij”, aldus de auteurs.

Slecht en manipulatief leiderschap is in de meeste gevallen de druppel: sterke charismatische leiders die met ’dictatoriaal gezag’ en ’op gezag van de Heer’ bepaalden wat mocht. Uit het rapport: „De neiging om alles voor te leggen aan de leiding, maakte mensen pastoraal afhankelijk. Mensen werden gebeld met onheuse aantijgingen of met de oproep om sneller hun tienden te betalen.” De manipulatie ging volgens de onderzoekers soms zo ver dat er emotioneel, financieel en seksueel misbruik van de macht werd gemaakt. Kritiek werd veelal afgeserveerd met doofpotregels: „Praat niet over de negatieve dingen, geef geen kritiek, bedek alle problemen met de mantel der liefde, vergeef alles, ook als er hele nare gebeurtenissen plaatsvinden.”

Alle vertrekredenen zijn volgens de onderzoekers te vangen in het begrip geslotenheid, geuit in groepsdwang. „Er is een ’als het je niet bevalt, ga je maar weg’-houding. Daarbij wordt niet gekozen voor samenwerking en openheid naar elkaar, maar voor uitsluiting van andersdenkenden. Er is zo’n stelligheid in de eigen ware visie, dat andere opties geen kans krijgen.”

Slechts een kwart van de bevraagde kerkverlaters weet iets positiefs te vertellen over het afscheid, al is dat vaak een reactie van iemand die later ook vertrok. De rest heeft negatieve tot zeer negatieve ervaringen. „De leiding gedroeg zich destructief, schijnheilig, verwijtend en boos. De vertrekkers werden doodgezwegen, uitgescholden, nagetrapt, veroordeeld en vervloekt. Bij meerderen werd gezegd dat ze bezeten waren, dat ze gekozen hadden voor satan en dat God hen zou veroordelen: ’God zal met je afrekenen’.”

Is er een (geloofs)leven na de evangelische gemeente? Ja en nee. Meer dan de helft voelt zich opgelucht en bevrijd. Hun geloof heeft zich verbreed en verdiept. Maar net zo’n grote groep vertelt over grote problemen, angst voor God en mensen, zeer groot verdriet, rouw, depressiviteit, verdeeldheid in het gezin. Een aantal is langdurig in de problemen geraakt door nare gebeurtenissen in hun oude kerk. Vijf respondenten noemen seksueel misbruik, zelfdoding bij anderen of dat ze zelf geen zin meer hebben in het leven na alles wat ze hebben meegemaakt. Tien procent zei het geloof vaarwel.

Bijna zestig procent is nu lid van een andere kerk, meestal een traditionele kerk zoals PKN, of een kerk met een evangelisch tintje.

Opvallend is dat velen terugkeren naar de kerk waar ze vandaan kwamen. De rust, orde, diepgang en ingetogen sfeer spreekt hen aan. Anderen bezoeken af en toe een evangelische dienst. Eenderde bezoekt geen kerk meer. Saillant detail: in hun opvattingen over God, Jezus en het gebed veranderde bij veel ex-evangelischen weinig. Goede herinneringen aan de evangelische tijd zijn de ontwikkelde persoonlijke relatie met God en de sociale contacten.

’Ooit evangelisch’ is niet bepaald een visitekaartje voor de evangelische beweging, beaamt Otto de Bruijne. „Wat hier naar voren komt, is niet uniek. Het is een spiegel. Ook voor mijzelf. Dat vrije en gedrevene van mij bijvoorbeeld, kan zich dus ook tegen je keren.”

De Bruijne roept op tot bezinning in evangelische gemeenten, want op den duur krijgen ook zij te maken met krimp. Volgens onderzoek in Nieuw-Zeeland vertrekt jaarlijks tien procent van de evangelische leden. Onderzocht moet worden of dat voor Nederland ook geldt. Wel is bekend dat de aanwas niet komt door het werven van buitenkerkelijken, maar uitsluitend door leegloop van traditionele kerken en dus eindig is.

De Bruijne: „Ik doe een krachtig appèl op evangelische gemeenten om zich meer te richten op zorgvuldigheid, inhoudelijkheid, structuur, lange adem en meer verantwoordelijkheid gaan afleggen.” Dergelijke gemeenten danken hun succes aan activiteiten, zoals bruisende conferenties. „De evangelische beweging is ontstaan als reactie op de traditionele kerken. Er is geen kerkconcept maar een conferentieconcept. De sprong van conferentie naar plaatselijke gemeente blijkt in de praktijk een buiteling te zijn en soms een salto mortale. Wat men in de conferentie op de bergtop beleeft, wil men 52 keer per jaar herhalen op plaatselijk niveau. Als het gaat om lange adem, herderlijke zorg en prediking schiet dit kerkbeeld te kort.”

Lees verder na de advertentie
(Trouw) © Henk Braam/Hollandse Hoogte/Holl
(FOTO HOLLANDSE HOOGTE) © Henk Braam/Hollandse Hoogte/Holl

Deel dit artikel