Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

ONTDEKKEN - VASTLEGGEN - NADENKEN - VERDERGAAN

Home

TIMOTHY GARTON ASH

Geschichtsaufarbeitung en Vergangenheitsbewaltigung zijn twee Duitse woorden waarvoor bij mijn weten geen equivalenten bestaan in welke andere taal ook. In de betekenis van sommige andere Duitse woorden komt ook heel duidelijk tot uiting dat de studie van de jongste geschiedenis, en meer bepaald de geschiedenis van een voorbije tijd van dictatuur, altijd een zaak van politiek belang is. Minstens drie begrippen heeft men in de Duitse taal daarvoor al paraat: Geschichtspolitik, Erinnerungspolitik en het onlangs in een boek van Norbert Frei ontvouwde begrip Vergangenheitspolitik.

In Duitsland wordt de Geschichtsaufarbeitung (verwerking van de geschiedenis, van het verleden) van na 1989 steeds weer vergeleken met die van na 1945: Zweierlei Vergangenheitsbewaltigung (twee manieren om het verleden te overwinnen, de baas te worden) is niet alleen de titel van een artikel, maar ook het thema van al meerdere boeken. Merkwaardigerwijs wordt zij nauwelijks vergeleken met de ervaring van andere postcommunistische landen in Europa. Nu klinkt meteen de tegenwerping: “Maar de Duitse ervaring is ook anders dan alle andere, want deze Geschichtsaufarbeitung voltrekt zich in een totaal ander staatsbestel.” Bij nader inzien stellen we echter vast dat de meeste postcommunistische Geschichtsaufarbeitungen plaatsvinden in een volledig ander staatsbestel dan ten tijde van het communisme bestond.

Een vergelijking is derhalve geoorloofd. Daarbij zal ik mij hoofdzakelijk beperken tot het postcommunistische Europa. Van beide begrippen geef ik de voorkeur aan het neutralere Geschichtsaufarbeitung. Daarvan geef ik echter niet al bij voorbaat een definitie maar laat, op Engels-empirische wijze, aan de hand van concrete voorbeelden zien wat daar allemaal onder werd verstaan - of zou kunnen worden verstaan. Ik stel daarbij drie simpele maar grote vragen: of, wanneer en hoe men moet 'aufarbeiten', of 'verwerken'.

Nu wordt de eerste vraag, of men zo'n verleden moet verwerken, in Duitsland bijna altijd meteen met 'ja' beantwoord. Natuurlijk moet men dat verleden verwerken! Maar deze principiee vraag is niet zo makkelijk van de hand te wijzen. Een historicus van de Oudheid bracht mij onlangs een voorbeeld in herinnering, namelijk Cicero, die in het jaar 44 voor Christus verlangde omnem memoriam discordiarum oblivione sempiterna delendam (dat elke herinnering aan de moorddadige uitingen van de tweedracht door een eeuwig vergeten diende te worden uitgewist).

Het eerste voorbeeld van mijzelf - als specialist in de contemporaine geschiedenis - is ontleend aan Churchill die, vrijwel precies 2000 jaar na Cicero, in zijn beroemde Züricher-toespraak uit 1946 de vijanden van weleer opriep tot een blessed act of oblivion, dus tot een 'heilige daad van vergeten'. Ik citeer beide redenaars in de oorspronkelijke taal omdat ze allebei het woord oblivio(n) gebruiken, waarvan 'vergeten' een al te zwakke vertaling is.

Deze strategie van het vergeten is in het Europa van na de Tweede Wereldoorlog op veel plaatsen toegepast, met name in Frankrijk, waar De Gaulle heel bewust de pijnlijke waarheid over Vichy bedekte met de mythe van het France résistante. Maar denk ook aan Italië of aan Oostenrijk. En hoe zat het met de Bondsrepubliek Duitsland in de jaren vijftig?

In Spanje heeft men na het einde van het Franco-regime heel bewust veel wegen van Geschichtsaufarbeitung vermeden, niet in de laatste plaats uit angst voor een herhaling van de burgeroorlog. En in 1989 heeft ook de eerste niet-communistische regering in Polen, die was voortgekomen uit de Solidarnoëë-beweging, weloverwogen voor deze weg gekozen, sterk beïnvloed door het Spaanse model van de vreedzame overgang van dictatuur naar democratie.

De vraag naar het 'of' is nauw verbonden met de vraag naar het 'wanneer'. Je kunt natuurlijk zeggen: “Ja, maar nu nog niet.” Afstand in de tijd zou volgens die opvatting noodzakelijk zijn, omdat een te snelle verwerking de samenleving anders innerlijk zou verscheuren en de opbouw van een nieuw democratisch staatswezen in gevaar zou brengen.

Dan de vraag naar het 'hoe'. Ik zie ten minste vier grote wegen waarlangs men de geschiedenis tracht te verwerken. Ten eerste is er de gerechtelijke weg. Ten tweede is er de administratieve weg van de diskwalificatie van individuele personen of van hele groepen. Antecedentenonderzoek, Berufsverbot, zuiveringen en recentelijk - uit het Tsjechisch-Latijns - lustrace of lustratio (lustratie: lett. reiniging, verzoening door een offer) zijn heel uiteenlopend gemunte begrippen die met deze tweede weg gepaard gaan.

Een derde weg kan worden omschreven als een publiekelijke rituele opheldering: hoorzittingen, tribunalen, commissies. Waarheidscommissies worden ze in Zuid-Afrika, maar ook verscheidene landen in Latijns-Amerika genoemd. Het rituele of ook theatrale element staat daarbij centraal: de hoge heren die voor het tribunaal verschijnen, een podium voor de slachtoffers. Dat is nationaal toneelspel, staatstheater, maatschappelijke groepstherapie. Dit alles moet niet alleen eindigen met de opheldering van het verleden - of zelfs met de 'waarheid', een woord dat men in Midden-Europa vermoedelijk niet meer in de mond durft te nemen - maar ook met een catharsis.

Ten vierde is er de weg van vrijgave van de dossiers van het oude systeem voor wetenschappelijke, publicistische en individuele 'verwerking', dat wil zeggen voor lezen, beoordelen en dan schrijven, spreken of juist zwijgen. Verwerking hoeft niet altijd hardop te gebeuren.

In de realiteit vallen deze wegen deels samen. En in het algemeen kunnen we zeggen dat Duitsland alle vier wegen veel systematischer en consequenter heeft bewandeld dan elk ander postcommunistisch land, met wellicht maar een uitzondering voor een weg, namelijk de Tsjechoslowaakse lustrace.

Laten we de verschillende handelwijzen eens bekijken. Bij de eerste weg, de gerechtelijke, is het palet bijzonder breed en bont. In Roemenië werden op eerste kerstdag 1989 Nicolae en Elena Ceauçescu veroordeeld en terstond doodgeschoten. Wat zich aanvankelijk voordeed als een klassiek voorbeeld van revolutionaire rechtspleging bleek al tamelijk gauw iets anders te zijn: de aanklagers waren op de televisieregistratie van het zogenaamde proces nauwelijks te zien, en wel om de begrijpelijke reden dat de toeschouwers anders onder hen mensen zouden hebben herkend die tot drie dagen tevoren nog nauwe medewerkers van de 'Conducator' waren geweest. Het schijnproces bezegelde een schijnrevolutie.

In Bulgarije ging men iets fatsoenlijker te werk. Toch kan het proces dat de voormalige partijleider Zjivkov werd aangedaan wel als een showproces worden beschouwd. De verantwoordelijkheid voor dictatuur, onrecht en economisch wanbeleid werd vooral op de persoon van de voormalige leider geschoven, en niet zozeer op de Partij, wier directe erfgename weldra weer aan de macht was. En in Rusland waren het de putschisten van augustus 1991 die, fungerend als symbolen, werden aangeklaagd en berecht - al kwamen ze door de veranderde politieke omstandigheden betrekkelijk snel weer op vrije voeten.

Tot de buitenissigheden die men op de gerechtelijke weg aantreft behoren de symbolisch-declaratoire wetten: in de Tsjechische Republiek bijvoorbeeld de 'Wet op het illegale karakter van het communistische regime en op het verzet daartegen' van 30 juli 1993. Niet alleen de preambule, ook maar liefst de eerste vier artikelen van de wet zijn van zuiver declaratoire en geschiedenis-beoordelende aard. “Het Parlement stelt vast”, lezen we in de preambule, “dat de Communistische Partij van Tsechoslowakije de verantwoording dient te dragen voor de programmatische vernietiging van de traditionele waarden van de Europese beschaving, voor de bewuste schending van mensenrechten. . .”, enzovoorts. Veel daarvan klopt natuurlijk, je kunt je alleen afvragen of een wet de juiste plaats is om dit oordeel over de geschiedenis uit te spreken.

Vergeleken met dit rariteitenkabinet van historisch-politieke wetgeving en rechtspraak komt de gang van zaken in Duitsland over als een toonbeeld van nuchterheid, zoals men die van een rechtsstaat kan verwachten. Maar ook hier doen zich problemen voor, zoals de poging om met toepassing van het destijds in de DDR geldende recht, dat werd verrijkt met een scheutje natuurrecht, de hoofdverantwoordelijken van de SED (Sozialistische Einheitspartei Deutschlands) en van de Stasi (Staatssicherheitsdienst) strafrechtelijk ter verantwoording te roepen, zoals ook - aan de andere kant van de bevelsrangorde - de soldaten die de Muur bewaakten. En dat Erich Mielke niet werd veroordeeld voor zijn activiteiten als minister van staatsveiligheid maar voor de moord op een politieagent die meer dan zestig jaar tevoren had plaatsgevonden, dat behoort tot de merkwaardigheden van de gerechtelijke weg in Duitsland.

De tweede weg, die van de administratieve diskwalificatie, is eigenlijk alleen in Duitsland en in Tsjechoslowakije systematisch bewandeld. Normaal gesproken geschiedt zo'n diskwalificatie in het postcommunistische Europa op een onsystematische, vaak heel willekeurige manier, die verschilt van ministerie tot ministerie en van bedrijf tot bedrijf; zij geschiedt zeker niet volgens algemeen geldende criteria, en ook nergens erg grondig. Ook in de (naar westerse maatstaven) verstgevorderde landen zoals Hongarije of Polen zijn leden van de voormalige nomenklatoera nog steeds - of opnieuw - te vinden op hoge en zelfs op de allerhoogste posten in de staat.

De Tsjechoslowaakse lustrace - vaak vertaald met 'doorlichting', maar met de uit het Latijn stammende bijbetekenis van 'rituele reiniging' (lustratie) of zelfs 'zuivering' - was in menig opzicht nog radicaler dan de Duitse. Zij betrof niet alleen de voormalige medewerkers van de geheime politie maar ook de voormalige functionarissen van de Partij. Dat was in zoverre overtuigend dat het de feitelijke machtshiërarchie in de communistische partijstaat weerspiegelde. Volgens de resultaten van al het tot dusver verrichte onderzoek was ook de de staatsveiligheidsdienst van de DDR daadwerkelijk “zwaard en schild van de Partij”. De bovenmatige aandacht voor de Stasi, en in het bijzonder voor de IM's (de Inofficieler Mitarbeiter, informant van de Stasi) behoort tot de problematische aspecten van het Duitse voorbeeld.

Anderzijds werd de Tsjechoslowaakse lustrace gekenmerkt door een paar markante tekortkomingen in rechtvaardigheid. Naar biografische details van individuen werd helemaal niet gevraagd. Wat de niet-officiële medewerkers van de StB (d.w.z. van de geheime politie) betreft is het probleem nog ernstiger. Hun identiteit werd door een commissie vastgesteld op grond van StB-documenten waartoe de betrokkene zelf geen toegang had. De wet voorzag oorspronkelijk niet in een beroepsprocedure voor degenen die waren gediskwalificeerd. Enkelen van hen hebben desondanks een middel daartoe gevonden, doordat ze het ministerie van Binnenlandse Zaken rechtstreeks hebben aangeklaagd. Bij de eerste zeventig van zulke aanklachten hebben de Tsjechoslowaakse rechtbanken in alle gevallen vonnis gewezen ten gunste van de klagende partij.

In Duitsland zijn de onderzoeksprocedures tenminste afgestemd op de individuen. In het geval van de Gauck-dossiers (instituut dat onder leiding van Joachim Gauck de Stasi-dossiers beheert) heeft degeen naar wie antecedentenonderzoek wordt ingesteld de mogelijkheid om zijn dossiers in te zien. De grote meerderheid van de onderzoeken heeft niet tot ontslagen geleid. Ontslag kan bovendien gerechtelijk worden aangevochten. Maar ik ben allerminst geneigd een mening à la Pangloss te verdedigen, namelijk dat alles op dit gebied rechtmatig en op de best mogelijke manier is verlopen. Er zijn genoeg voorbeelden van gevallen waarin werkgevers op z'n minst zeer gevoelloos en ook onbillijk te werk zijn gegaan, of waarin een werknemer in paniek een overeenkomst tekende waarin zijn arbeidscontract werd ontbonden, zodat hij de gerechtelijke weg voor zichzelf versperde. We kunnen ons ook afvragen of de kring van onderzochte individuen echt zo groot had moeten zijn: volgens informatie van het Gauck-bestuur werden tot en met 30 juni 1996 meer dan 1,7 miljoen onderzoeken verricht. Het valt in ieder geval op dat zelfs in Tsjechoslowakije, en ook in de Hongaarse lustratiewet, de cirkel die de functies omvat waarvoor antecedentenonderzoek kan en moet geschieden veel nauwer wordt getrokken.

Maar bij al dit voorbehoud moeten we ons ook afvragen wat het alternatief is. In veel postcommunistische landen heeft het ontbreken van een lustratie of 'zuivering' niet alleen persoonlijke continuïteit mogelijk gemaakt, in de zin dat leden van de oude politieke en bureaucratische elites doorschoven naar de nieuwe. Het maakte ook continuïteit mogelijk met betrekking tot het personeel en vaak zelfs de werkmethoden van de staatsveiligheidsdiensten. Daar komt nog bij dat dit ontbreken op veel plaatsen heeft bijgedragen aan een in de bevolking diepgeworteld gevoel van historische ongerechtigheid en falende catharsis, wat zich vervolgens ook uitte in de opstelling van een rechts-populistisch zuiveringsprogramma, bijvoorbeeld in Polen. Daar leidde dit programma in 1992 tot een zogenaamde 'nacht van de dossiers', toen een rechtsgeoriënteerde minister van binnenlandse zaken het parlement vermeende bewijzen presenteerde voor de connecties van selecte politici - merendeels natuurlijk van de oppositie - met de geheime politie.

Wat betreft de derde weg, die van de publiekelijke rituele opheldering, is Duitsland evenzeer een grote uitzondering, met zijn enquêtecommissie - en ook met de onderzoekscommissie-Schalck. In de oostelijke Midden-Europese landen heeft men op deze wijze niet de hele historische periode van communistische heerschappij behandeld, maar alleen de bijzonder dramatische en pijnlijke episoden daarvan. In Polen ging het - en gaat het nu nog steeds - om de afkondiging van het oorlogsrecht in december 1981.

In Tsjechoslowakije hield een grote parlementaire onderzoekscommissie zich bezig met de Praagse lente van 1968, en vooral met de vraag hoe het tot het binnenrukken van het sovjetleger was gekomen. In Hongarije, waar weliswaar geen vergelijkbare commissie heeft bestaan, ging het bovenal om de Revolutie van 1956. Het is opvallend dat de publiekelijk-rituele opheldering geen betrekking heeft op de alledaagse machtsverhoudingen in het land zelf, maar veeleer op de verhouding tot de Sovjet-Unie. Het gaat in eerste instantie niet om wat Tsjechen Tsjechen, Polen Polen, Slowaken Slowaken en Hongaren Hongaren hebben aangedaan, maar om wat de Sovjet-Unie de Polen, Tsjechen, Slowaken en Hongaren heeft aangedaan. De meeste toeschouwers kunnen dan, in een geestelijke terugblik om zo te zeggen, deelnemen aan de nationele verheffing en solidariteit, en zich gezamenlijk verontwaardigen over die paar landverraders.

De enquêtecommissie in de Bondsdag van het herenigde Duitsland vertoonde weliswaar zekere nadelen. De taakstelling en ten dele ook de resultaten waren niet vrij van partijpolitieke overwegingen en compromissen. De stijl van het rapport is bovendien wat breedvoerig en vaak is het taalgebruik nu niet bepaald van dien aard dat jonge lezers erdoor zullen worden meegesleept. Je zou ook kunnen denken dat het, gezien de bedoeling tot opheldering te komen, nuttiger was geweest als de voormalige leden van het Politburo, Erich Honecker voorop, voor deze commissie hadden moeten getuigen (en wel over de centrale kwestie van hun politieke verantwoordelijkheid) - dus niet alleen voor de rechtbank, waar dan vaak en langdurig over historische bijzaken werd gediscuteerd.

Wat de vierde weg betreft, de vrijgave van de dossiers voor wetenschappelijk-publicistisch en individueel gebruik, is Duitsland niet alleen een uitzondering maar zonder meer een unicum. Het is altijd gevaarlijk om te zeggen “er is in de geschiedenis geen voorbeeld van te vinden” - want dan vindt iemand er toch een. Daarom zeg ik voorzichtiger: ik ken uit de geschiedenis geen ander voorbeeld van een staat die niet alleen alle documenten uit een voorafgaande tijd van dictatuur zo snel toegankelijk heeft gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek, maar die ook elke individuele burger het recht geeft op inzage in het dossier dat de geheime politie over hem heeft aangelegd.

Een van de werkelijk betreurenswaardige gebreken van deze vrijgave der dossiers is evenwel dat juist dossiers over de activiteit van leidende figuren uit West-Duitsland van het recht op inzage zijn uitgezonderd. Als West- en Oost-Duitsers zijn veroordeeld tot een gezamenlijke verwerking van dit verleden dan is het, dunkt me, alleen maar een kwestie van elementaire eerlijkheid om beide partijen daar gelijkelijk in te betrekken. Wat betreft de dossiers van het voormalige ministerie van buitenlandse zaken van de DDR, waarin de meeste protocollen van gesprekken tussen West-Duitse en Oost-Duitse politici zijn opgenomen: het besluit om deze als deel van het archief van het huidige ministerie van Buitenlandse Zaken dertig jaar lang aan de openbaarheid te onthouden (en mogelijk, als staatsgeheim, nog langer) lijkt een voorbeeld te zijn van bedenkelijke westerse zelfvergoelijking.

Het is juist dat men de dossiers van een geheime-politiedienst met grotere omzichtigheid dient te lezen dan de vergaderingsnotulen van een volkstuindersvereniging, om maar iets te noemen. Maar het is onjuist dat deze dossiers onbruikbaar zouden zijn, dat ze niet tot uitgangspunt voor geschiedschrijving zouden kunnen dienen. Integendeel. Alles wat ik tot dusver heb gezien wijst erop dat de Stasi-dossiers als bron van grote waarde zijn. Met de voor beoefenaars van de hedendaagse geschiedenis altijd vereiste kwaliteiten, namelijk zorgvuldigheid, behoedzaamheid, een goed inlevingsvermogen - en ook, waar dat maar mogelijk is, raadpleging van de getuigen die aan de betreffende periode een actief aandeel hebben gehad - kan men uitgaande van deze bronnen goede, betrouwbare en belangrijke hedendaagse geschiedenis schrijven. Als ik dat overigens in Polen of Hongarije zeg wordt af en toe, met een soort omgekeerde nationale trots, geantwoord: “maar die van ons hebben toch niet zo hard gewerkt als de Duitse” - wat wil zeggen: ze hebben meer aangemodderd en meer uit hun duim gezogen. Wel is het zo dat ze minder papieren hebben geproduceerd en intussen ook meer hebben vernietigd.

Een andere vraag is welk gebruik van deze dossiers wordt gemaakt in de publieke opinie, en met name in de media. Hier is het Duitse voorbeeld veel minder bemoedigend. Onthullingen, sensatieverhalen, menigmaal zonder enig historisch inlevingsvermogen of zonder enige zorgvuldigheid in het natrekken van de bronnen, hebben mensen schade berokkend - vooral in verband met hun 'uitstapje' als IM, deze voor sommige burgers zo dodelijke afkorting in het nieuwe Duitsland. Desgevraagd beroept de redacteur zich bijna altijd op het 'publieke belang'. Maar al te vaak betekent dit: waardoor de oplagen of de kijkcijfers worden verhoogd. Het is interessant dat de Hongaarse wetgever, die de Duitse praktijkervaringen nauwlettend heeft gevolgd, een veel verdergaande anonimisering voorschrijft van de kopieën die ter inzage beschikbaar zijn.

We weten dat sommigen bij het lezen van hun dossiers hebben ontdekt dat ze op een vreselijke manier slachtoffer zijn geweest van persoonlijk verraad. Is het beter dat ze het weten? Alleen zij zelf, de betrokkenen, kunnen deze vraag beantwoorden. Ik kan zeggen dat de lectuur van mijn eigen dossier geen makkelijke maar wel een belangrijke ervaring was, en - juist voor een historicus - ook een grote verrijking van kennis. Daarna begrijp je meer. Misschien is deze persoonlijke ervaring ook van al te grote invloed geweest op mijn totale oordeel. Maar het is zeker dat de vrijgave van dossiers de Oost-Duitse samenleving niet zo heeft verscheurd - met moord en doodslag - als sommigen vreesden. Zij heeft juist een vooruitgang mogelijk gemaakt van individuele en collectief-historische kennis.

Vermoedelijk bestaat er geen goede weg om een dergelijk verleden te verwerken, maar zijn er alleen slechte en minder slechte wegen. Steeds moeten we ons afvragen: betekent deze vorm van Geschichtsaufarbeitung een gevaar voor de maatschappelijke vrede en voor de opbouw van een nieuwe democratie?

Spanje heeft weinig aan verwerking gedaan, maar heeft zijn democratie wel geconsolideerd. We kunnen het dus niet presenteren als een wetmatigheid: hoe meer verwerking, des te meer democratie. Ongetwijfeld zijn er ettelijke voorbeelden van staten in Oost- en Zuid-Europa die hun verleden nauwelijks hebben verwerkt, en waar de democratie minder is gestabiliseerd. En in de beide Midden-Europese staten die meer dan de andere aan Geschichtsaufarbeitung hebben gedaan, Duitsland en de huidige Tsjechische Republiek, is de consolidatie van de democratie relatief goed op gang (waarvoor natuurlijk ook andere, belangrijker oorzaken zijn aan te wijzen).

Bijzonder interessant zijn de beide Midden-Europese staten die als eenzelfde staat zijn blijven voortbestaan, namelijk Polen en Hongarije. Daar worden nu, tijdens het proces van consolidering van de democratie en ook als onderdeel daarvan, bepaalde maatregelen ter verwerking van het verleden verlangd die vroeger niet waren beoogd. In het geval van Polen is dat een omkering of althans een aanzienlijke correctie van de vroegere strategie van het vergeten. Daarbij kijkt men heel nauwlettend naar wat er in Duitsland is gebeurd.

Betekent dit dat het Duitse voorbeeld ook een toonbeeld wordt? Ten dele wel, zoals ook in het geval van de postcommunistische debatten over de grondwet. Dat is ook helemaal niet vreemd, want Duitsland heeft op het gebied van de 'postdictatuur-democratie' heel bijzondere ervaringen opgedaan. Maar niet alles in Duitsland geldt als model. Als Duitsland mijn drie vragen - of, wanneer, hoe - heeft beantwoord met 'ja', 'meteen' en 'op alle manieren', dan zijn de ervaringen met deze verschillende wegen toch bepaald niet gelijk, zoals ik heb laten zien.

In ieder geval zijn opheldering en zelfs - om dat grote woord toch maar te gebruiken - waarheid niet alleen wenselijk, ze zijn ook mogelijk, zelfs daar waar recht en gerechtigheid dat vaak niet meer zijn. Het is juist de historicus die, veel meer dan de rechter of de ambtenaar, in staat en verplicht is de geschiedenis recht te laten wedervaren. Om een voorbeeld te noemen: het meest geslaagde element in de Geschichtsaufarbeitung na het nationaal-socialisme is naar mijn mening de professionele geschiedschrijving over het recente verleden.

Rest nog de vraag naar het 'wanneer'. Het doet mij genoegen dezelfde mening te huldigen als de bondspresident, die onlangs over het punt van de enquêtecommissie heeft gezegd: “Geschiedenis mag niet pas dan worden beschreven en beoordeeld als de herinnering is verbleekt en de directe getuigen zijn gestorven.” En laten we het voorbeeld nemen van de te late verwerking van het nationaalsocialistische verleden in de Bondsrepubliek. Had die niet ook tot gevolg dat juist de generatie van '68, die deze taak in 't bijzonder tot de hare maakte, tegelijk het gevoel had dat de West-Duitse democratie was gebouwd op verdringing, of zelfs - zoals sommigen zeiden - op leugens? Was dat niet ook een reden waarom sommigen naar een 'andere republiek' zochten? En wellicht ook een reden waarom volgens sommigen die 'andere republiek' te vinden was in de werkelijk bestaande andere Duitse republiek, de zogenaamde Duitse Democratische? Kortom, is het echt te ver gezocht om een samenhang te zien tussen de vertraagde verwerking van de eerste Duitse dictatuur en de foutieve perceptie van de tweede?

Mijn derde reden om de vraag 'wanneer?' met een stellig 'meteen!' te beantwoorden gaat terug op de principiële vraag naar het 'of'. De beste formule die ik daarvoor kan bedenken beschrijft een chronologische volgorde, en wel voor individuen, voor naties, maar ook voor heel Europa. Zij luidt: ontdekken - vastleggen - nadenken - verdergaan.

Deel dit artikel