Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Omdat mannen amper veranderen, blijft Christine de Pisan griezelig actueel

Home

TON CRIJNEN

Het lijkt wel honderd jaar geleden Dat mijn geliefde mij verliet Toch zijn twee weken pas vergleden: Maar het lijkt mij honderd jaar geleden,/ Zo traag nu kruipt de tijd op heden/ Want, dat hij mij verliet, Lijkt mij wel honderd jaar geleden.

Zolang er mensen zijn zullen ze treuren om het verlies van een minnaar, het sterven van hun lief, én zullen dichters dit verdriet in poëzie vastleggen. Er lijkt daarom op het eerste gezicht geen reden om aan bovenstaande dichtregels, strofen uit een Frans rondeel, overdreven veel betekenis toe te kennen. Zeker in de middeleeuwen wemelde het immers van dit soort melancholieke liefdeslyriek.

Wat maakt Christine de Pisan (1365-ca.1430) - want van haar hand is het geciteerde vers - dan zo bijzonder? Het antwoord is drieledig: het hoge niveau van haar werk (diepzinnig, sierlijk, hartstochtelijk), het feit dat ze zich bezighield met een kunstvorm die in haar tijd bijna uitsluitend door mannen werd beoefend, en bovenal de moed waarmee ze de vrouwonvriendelijkheid van de middeleeuwse samenleving openlijk aan de kaak stelde. Een ongehoorde verzetsdaad in een geheel door mannen gedomineerde wereld.

Hoor hoe de provoost (politiechef) van Lille reageerde nadat de Pisan het had gewaagd een lid van de universiteit van Parijs in dichtvorm de les te lezen: “Hoewel zij niet geheel en al van geest verstoken is, heb ik het gevoel de Griekse courtisane Leontio te beluisteren die tegen de grote Atheense filosoof Theofrastus waagde te schrijven.”

De dichteres liet zich er niet onder krijgen. Haar minder strijdlustige seksegenoten (de overgrote meerderheid) hield zij voor dat ze, net als zijzelf, over hun eigen schaduw moesten heenstappen: “Want de natuur van de vrouw is te bedeesd”.

Hoewel haar ster - na de explosieve opleving van zo'n twintig jaar geleden - weer wat verbleekt lijkt, is er voor haar werk en persoon nog steeds belangstelling. Onlangs kwam Régine Pernouds recht-toe-recht-aan-biografie uit 1982 (Christine de Pisan) - in Frankrijk twee jaar terug herdrukt - in Nederlandse vertaling.

Vooral Christine's prozawerk Le Livre de la Cité des Dames, 'het boek van de stad der vrouwen', blijkt voor menige feministe een 'feest' van herkenning: de mannen zijn door de eeuwen heen amper in hun voordeel veranderd. Zo schreef Renate Dorrestein in 1984 in Opzij: “Sommige passages zijn zo actueel, dat het bijna griezelig is.”

Toch kreeg men spoedig in de gaten dat de denktrant van De Pisan zich slecht laat inpassen in de moderne feministische ideologie. In haar voorwoord bij de Nederlandse vertaling van 'Le Livre' (Feministische uitgeverij Sara, '84) waarschuwde Tine Ponfoort: “Het derde deel van het boek voert ons weer helemaal terug in de middeleeuwen. Je laten doodmartelen voor je geloof, deugdzaam en kuis door het leven gaan en je hele leven maagd blijven, zijn nu geen idealen meer, die vrouwen nastreven.” Tussen de regels door hoorde je Ponfoort vol afschuw rillen.

Daar komt bij dat Christine de Pisan de man onbekommerd tot heer en meester van het gezin uitroept en de taak van de vrouw binnenshuis ziet, als echtgenote en moeder. Dat maakt haar evenmin erg geschikt te fungeren als Jeanne d'Arc van het moderne, strijdbare feminisme.

Wat niet wegneemt dat in haar tijd Christine's publiek belijden van de algehele gelijkheid tussen man en vrouw zeer revolutionair en aanstootgevend was.

Wie was deze “moedige verdedigster van vrouweneer en vrouwenrechten” (Huizinga)?. In Venetië geboren als dochter van een prominent raadsheer, arts en astroloog, kwam ze als vierjarige naar Parijs, toen haar vader lijfarts en persoonlijk adviseur van de Franse koning Karel V werd. Naar haar eigen zeggen had haar vader liever een zoon gewild, maar voelde hij zich getroost toen uit de sterren bleek dat met deze dochter grote intellectuele eer te behalen viel. Hij onderwees haar in Latijn en filosofie.

Opmerkelijk in een tijd die aan vrouwen veel lichaam, maar nauwelijks geest toedichtte. Christine leed niet onder dat anderszijn. Terugblikkend noemde ze haar jeugd 'joyeuse, plantureuse et paisible' (vrolijk, weelderig en vreedzaam). Dat konden weinig vrouwen in die tijd haar nazeggen. Ook het huwelijk dat ze, vijftien jaar oud, aanging met de koninklijke secretaris ütienne Castel en dat tien jaar duurde, was harmonieus.

Met de dood van Karel V (1380) begon voor Frankrijk, maar ook voor Christine een tijd vol ellende:

“Nu werd de deur geopend voor onze rampspoed en ik, die nog heel jong was, trad erdoor naar binnen.” Haar vader viel in ongenade bij het nieuwe bewind van Charles VI, een koning die als 'gekke Karel' de Franse geschiedenisboeken in zou gaan.

In 1389 kwam de genadeslag: haar man stierf onverwachts, waarschijnlijk aan de pest. Zijn dood zou Christine inspireren tot haar beroemde gedicht: 'Seulete suy et seulete veuil estre' (alleen ben ik en alleen wil ik blijven). Een devies dat ze altijd heeft nageleefd.

Vijf en twintig jaar jong bleef ze met drie kleine kinderen, twee minderjarige broers, een bejaarde moeder (haar vader was al overleden) en zonder middelen achter. Na een onbezorgd leven in de schaduw van het hof was ze thans “de kapitein van een schip dat in volle zee door onweer overvallen is”. Ze leerde de onbetrouwbaarheid van mannen kennen die haar oplichtten en weigerden hun schulden te betalen. Christine vocht terug. Ze sleepte hen voor het gerecht en won, na veertien afmattende jaren:

Mijn hart was sterk, stoutmoedig/ Ik stond versteld, maar zag blijmoedig/ Dat ik een echte man geworden was.

Ze maakte, door financiële nood gedwongen, van een hobby (dichten) haar beroep. Al snel trokken de ballades en rondelen de aandacht, zelfs aan het Engelse hof. Ze maakte verzen voor de Franse koning en zijn vrouw Isabella, voor de hertogen Lodewijk van Orleans, Jan van Berry, Philips de Stoute en Jan zonder Vrees van Bourgondië.

Behalve aan poëzie deed Christine veel aan prozawerk. Zo schreef ze in 1404 voor Philips een driedelige studie over het leven van zijn vader Karel V (Le Livre des Faites et Bonnes Moeures du Sage Roy Charles V, het verslag van de daden en goede zeden van de wijze koning Karel V'), een werk dat tot in onze tijd zijn waarde heeft behouden.

Er zou nog veel ander prozawerk volgen: over haar jeugd, over filosofie, over de positie van de vrouw. Het meeste behoort echter niet tot het origineelste dat uit haar ganzenveer vloeide. Als onverbeterlijk optimiste hield ze haar hoge lezers voor dat vrede te prefereren valt boven oorlog, rechtvaardigheid boven roofzucht en afpersing.

Haar vermaningen vonden geen enkel gehoor in het door burgeroorlog - tussen de vorstenhuizen van Orléans en Bourgondië - geteisterde land. In 1418 moest ze Parijs ontvluchten en werden haar goederen verbeurd verklaard.

Haar laatste - gedesillusioneerde - jaren sleet Christine bij haar dochter in het dominicanessenklooster van Poissy. Ze maakte er nog een lofdicht op de Maagd van Orléans, die een succesvol einde leek te brengen aan de Honderdjarige Oorlog met Engeland. In dit prachtige werk (Dittié sur Jeanne d'Arc) noemt ze haar een 'instrument van God' en omschrijft ze zichzelf als: 'ik Christine, die elf jaar binnen de muren van een gesloten convent heeft gehuild'. Kort daarop moet ze overleden zijn. Het proces tegen en de vuurdood van haar heldin (30 mei 1431) heeft ze vrijwel zeker niet meer meegemaakt.

Christine de Pisan is vooral beroemd om haar strijd tegen de Roman de la rose (roman van de roos), althans het tweede deel ervan, dat in 1275 werd geschreven door de geleerde Jehan de Meung. Was het eerste deel van het beroemde gedicht - rond 1236 gemaakt door ene Guillaume de Lorris - een verfijnde, poëtische allegorie van de vrouwelijke schoonheid en schroomvalligheid, het vervolg bleek een boosaardige, maar betoverend geniale parodie op het oude ideaal van de hoofse liefdes-ethiek.

De Meung noemde de vrouwelijke kuisheid een illusie en schilderde de helft van de mensheid af als berekenende, wellustige schepselen die het verdienen dat mannen haar louter gebruiken ter bevrediging van hun lusten. De invloed die dit eeuwenlang heeft gehad op de kijk van mannen op vrouwen en van vrouwen op zichzelf is enorm. De Meungs cynisch hekeldicht werd een bestseller en bleef dat tot ver in de Renaissance. Er was dus moed voor nodig om er tegenin te gaan. De Pisan deed dat in twee pseudo-bescheiden pleitgedichten: Epîstre au Dieu d'Amours (1399) en Dit de la rose (1402). En ze schreef als een zelfbenoemde zedenrechter:

Geven hierbij te kennen Dat ons hof klachten hebben bereikt, In groten getale zijn aangeraakt Van de zijde van edelvrouwen, Jonge meisjes en burgervrouwen, Kortom vrouwen in het algemeen, Die ons nederig smeken, een na een. Zij klagen over onrecht en verraad, Over ontrouw en de grootste smaad, Gemeenheid en andere bejegeningen/ Die zij van mannen ondergingen,/ Jaar na jaar, dag in dag uit, En uiterst ernstig naar verluidt.

Zo lokte ze een verbitterde literaire strijd van jaren uit. Een van de beroemdste intellectuele debatten uit de Europese cultuurhistorie, waarvan de galm nog nadreunt.

Wat de Pisan's kritiek uittilt boven haar eigen tijd is het treurigmakende feit dat ze vandaag geschreven had kunnen zijn. Alle bekende clichés over vrouwen worden behandeld en verworpen, inclusief de dubbele moraal met betrekking tot 'vreemdgaan'. En de 'stelling' dat vrouwen aanranding aan zichzelf te wijten hebben ('te laag decolleté').

Als de eerste van haar sekse verwierp ze in werken als Le livre des Trois vertus (het boek der drie deugden, 1407) het idee van de 'vrouwelijke natuur', door mannen bedacht en tot in onze tijd misbruikt om vrouwen te onderdrukken. Na vijf eeuwen houdt ze ons nog een spiegel voor.

Deel dit artikel